Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24566
2026-02-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.58603 en NL25.58604
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel, gegrond wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtsgevolgen in stand gelaten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3440 Rechtbank Den Haag 06-03-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.294 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58603 en NL25.58604
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
Eiser heeft op 10 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gestelde partner van eiser als toehoorder en informant ( [naam 1] ), de gemachtigde van eiser, J.E. Hynd als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996, heeft de Ugandese nationaliteit en behoort tot de Muganda bevolkingsgroep. Hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is en momenteel een Nederlandse partner heeft. Hij vreest bij terugkeer naar Uganda voor moord door de gemeenschap vanwege zijn geaardheid en voor bestraffing vanwege de nieuwe wetgeving tegen homoseksualiteit. Het bestreden besluit3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- eisers homoseksuele geaardheid. 3.1 Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.Verweerder acht de homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig. Daarbij is van belang dat eiser zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over wanneer hij voor het eerst hoorde over homoseksualiteit, heeft hij onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij bewust werd van zijn homoseksuele geaardheid, heeft hij oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens en zijn relaties met [naam 2] en [naam 1] en is het ongerijmd dat eiser niet kon stoppen met zijn relatie met [naam 2] maar hij daarna niet meer dezelfde soort contact had. Dat eiser enige kennis heeft over de wet tegen homoseksualiteit in Uganda en de vrijheid die homoseksuelen hebben in Nederland, weegt volgens verweerder niet op tegen zijn overige vage, wisselende, oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen. Verweerder vindt dat eiser gelet op de wel geloofwaardig geachte delen bij terugkeer naar Uganda geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Uganda komt is hiervoor onvoldoende. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard, omdat wordt aangenomen dat eiser de opvolgende asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting te voorkomen en hij een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard.Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling onjuist heeft toegepast. Zo heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers verklaringen ten onrechte beoordeeld aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Tot slot heeft verweerder ten onrechte de verklaring van [naam 3] niet in de besluitvorming betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 6 maart 2025 geoordeeld dat in de nieuwe Werkinstructie 2024/6 (hierna: WI 2024/6) van verweerder, waarin een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling is geïntroduceerd voor asielzaken, geen sprake is van een hogere bewijsmaatstaf die in strijd is met het Unierecht (waaronder de Kwalificatierichtlijn).
5.1
De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 maart 2025 overwogen dat in de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling onderscheid wordt gemaakt tussen twee stappen. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling zal alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden is sprake van een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en verweerder. Verweerder zal in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vaststellen en die daarna op geloofwaardigheid toetsen (stap 2).Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende (objectief) bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat verweerder over naar stap 2b. In die stap toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. In WI 2024/6 is bepaald dat als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet, het asielmotief niet geloofwaardig is. In de Vreemdelingencirculaire is aangegeven dat als niet aan alle vijf de voorwaarden is voldaan het asielmotief niet geloofwaardig is. Deze beoordeling wordt gedaan op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.2
Eiser heeft verklaringen van zijn gestelde partner en een oude bekende overgelegd. Dit zijn geen objectieve verklaringen. Nu eiser geen objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd, dient verweerder volgens WI 2024/6 alle stukken, omstandigheden en verklaringen te betrekken bij stap 2b. De rechtbank ziet daarom niet in waarom verweerder volgens eiser ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.3
Hoewel verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan WI 2024/6 en artikel 31, zelfde lid, van de Vw, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de beoordeling in dit geval onzorgvuldig heeft verricht door de verklaring van [naam 3] niet te betrekken in de besluitvorming. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
5.4
De rechtbank ziet in dit geval echter voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe is het volgende van belang.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft mogen vinden dat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De niet-objectieve verklaring van [naam 3] kan deze verklaringen, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, niet rechttrekken. In wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet vast mocht houden aan de tegenwerpingen zoals verweerder die in dit verband heeft opgenomen in het voornemen en het bestreden besluit. Zo stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser – ook gelet op het gestelde referentiekader – meer mocht worden verwacht ten aanzien van zijn verklaringen over zijn bewustwording van zijn homoseksuele geaardheid, zijn relaties en zijn gevoelens. Daarbij is van belang dat eiser hoogopgeleid is, dat verweerder tijdens het gehoor voldoende heeft doorgevraagd naar het asielmotief van eiser en dat zijn verklaringen desondanks summier, oppervlakkig en onpersoonlijk zijn gebleven. Zo is eiser er niet in geslaagd om inzichtelijk te maken waarom hij op mannen valt en welke gevoelens en ervaringen hij hierbij heeft gehad. Ook is eiser er niet in geslaagd om inzicht te geven in zijn relaties met [naam 2] en [naam 1] . Eiser was tijdens zijn relatie met [naam 2] niet zodanig jong dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij over deze relatie met meer diepgang over zijn gevoelens had moeten verklaren. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat het ongerijmd is dat eiser stelt dat hij niet kon stoppen met het verrichten van seksuele handelingen met [naam 2] , maar dat hij daarna niet meer dezelfde soort contact had. Ten aanzien van eisers relatie met [naam 1] heeft verweerder erop kunnen wijzen dat zij ongeveer twee jaar een relatie met elkaar hebben en dit een redelijk recente gebeurtenis is, waardoor verwacht mag worden dat eiser hier uitgebreider over zou moeten kunnen verklaren. De overgelegde getuigenverklaring en [naam 1] zijn summiere verklaringen ter zitting als informant hebben verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. De enkele stelling van eiser dat hij niet goed in staat is om zijn gevoelens te verwoorden, maakt het voorgaande daarom niet anders.Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij voor het eerst hoorde over homoseksualiteit. Zo heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij op vijftienjarige leeftijd voor het eerst hoorde over homoseksualiteit en heeft hij vervolgens verklaard dat dit op zeventienjarige leeftijd het geval was. Dit kan eiser worden tegengeworpen omdat dit voor hem een belangrijk moment had moeten zijn geweest aangezien het zijn van homoseksueel verboden is in Uganda en volgens zijn geloof. Tot slot heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eisers kennis over de wet tegen homoseksualiteit in Uganda en de vrijheid die homoseksuelen hebben in Nederland, niet opweegt tegen zijn overige vage, wisselende, oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen.
6.1
Gelet op al het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Uganda te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. Omdat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:-verklaart het beroep gegrond;-vernietigt het bestreden besluit;- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand;- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep mogelijk.
Zie artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f en g, van de Vw.
Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Zie voor het voorgaande WI 2024/6, onder en paragraaf C1/4.3.2.6 van de Vc 2000.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:2 van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58603 en NL25.58604
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1
Eiser heeft op 10 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gestelde partner van eiser als toehoorder en informant ( [naam 1] ), de gemachtigde van eiser, J.E. Hynd als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996, heeft de Ugandese nationaliteit en behoort tot de Muganda bevolkingsgroep. Hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is en momenteel een Nederlandse partner heeft. Hij vreest bij terugkeer naar Uganda voor moord door de gemeenschap vanwege zijn geaardheid en voor bestraffing vanwege de nieuwe wetgeving tegen homoseksualiteit. Het bestreden besluit3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- eisers homoseksuele geaardheid. 3.1 Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.Verweerder acht de homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig. Daarbij is van belang dat eiser zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over wanneer hij voor het eerst hoorde over homoseksualiteit, heeft hij onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij bewust werd van zijn homoseksuele geaardheid, heeft hij oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens en zijn relaties met [naam 2] en [naam 1] en is het ongerijmd dat eiser niet kon stoppen met zijn relatie met [naam 2] maar hij daarna niet meer dezelfde soort contact had. Dat eiser enige kennis heeft over de wet tegen homoseksualiteit in Uganda en de vrijheid die homoseksuelen hebben in Nederland, weegt volgens verweerder niet op tegen zijn overige vage, wisselende, oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen. Verweerder vindt dat eiser gelet op de wel geloofwaardig geachte delen bij terugkeer naar Uganda geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Uganda komt is hiervoor onvoldoende. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard, omdat wordt aangenomen dat eiser de opvolgende asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting te voorkomen en hij een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard.Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling onjuist heeft toegepast. Zo heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers verklaringen ten onrechte beoordeeld aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Tot slot heeft verweerder ten onrechte de verklaring van [naam 3] niet in de besluitvorming betrokken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 6 maart 2025 geoordeeld dat in de nieuwe Werkinstructie 2024/6 (hierna: WI 2024/6) van verweerder, waarin een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling is geïntroduceerd voor asielzaken, geen sprake is van een hogere bewijsmaatstaf die in strijd is met het Unierecht (waaronder de Kwalificatierichtlijn).
5.1
De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 maart 2025 overwogen dat in de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling onderscheid wordt gemaakt tussen twee stappen. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling zal alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden is sprake van een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en verweerder. Verweerder zal in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vaststellen en die daarna op geloofwaardigheid toetsen (stap 2).Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende (objectief) bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat verweerder over naar stap 2b. In die stap toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. In WI 2024/6 is bepaald dat als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet, het asielmotief niet geloofwaardig is. In de Vreemdelingencirculaire is aangegeven dat als niet aan alle vijf de voorwaarden is voldaan het asielmotief niet geloofwaardig is. Deze beoordeling wordt gedaan op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.2
Eiser heeft verklaringen van zijn gestelde partner en een oude bekende overgelegd. Dit zijn geen objectieve verklaringen. Nu eiser geen objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd, dient verweerder volgens WI 2024/6 alle stukken, omstandigheden en verklaringen te betrekken bij stap 2b. De rechtbank ziet daarom niet in waarom verweerder volgens eiser ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.3
Hoewel verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan WI 2024/6 en artikel 31, zelfde lid, van de Vw, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de beoordeling in dit geval onzorgvuldig heeft verricht door de verklaring van [naam 3] niet te betrekken in de besluitvorming. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
5.4
De rechtbank ziet in dit geval echter voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe is het volgende van belang.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft mogen vinden dat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De niet-objectieve verklaring van [naam 3] kan deze verklaringen, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, niet rechttrekken. In wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet vast mocht houden aan de tegenwerpingen zoals verweerder die in dit verband heeft opgenomen in het voornemen en het bestreden besluit. Zo stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser – ook gelet op het gestelde referentiekader – meer mocht worden verwacht ten aanzien van zijn verklaringen over zijn bewustwording van zijn homoseksuele geaardheid, zijn relaties en zijn gevoelens. Daarbij is van belang dat eiser hoogopgeleid is, dat verweerder tijdens het gehoor voldoende heeft doorgevraagd naar het asielmotief van eiser en dat zijn verklaringen desondanks summier, oppervlakkig en onpersoonlijk zijn gebleven. Zo is eiser er niet in geslaagd om inzichtelijk te maken waarom hij op mannen valt en welke gevoelens en ervaringen hij hierbij heeft gehad. Ook is eiser er niet in geslaagd om inzicht te geven in zijn relaties met [naam 2] en [naam 1] . Eiser was tijdens zijn relatie met [naam 2] niet zodanig jong dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij over deze relatie met meer diepgang over zijn gevoelens had moeten verklaren. Verweerder heeft er hierbij op kunnen wijzen dat het ongerijmd is dat eiser stelt dat hij niet kon stoppen met het verrichten van seksuele handelingen met [naam 2] , maar dat hij daarna niet meer dezelfde soort contact had. Ten aanzien van eisers relatie met [naam 1] heeft verweerder erop kunnen wijzen dat zij ongeveer twee jaar een relatie met elkaar hebben en dit een redelijk recente gebeurtenis is, waardoor verwacht mag worden dat eiser hier uitgebreider over zou moeten kunnen verklaren. De overgelegde getuigenverklaring en [naam 1] zijn summiere verklaringen ter zitting als informant hebben verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. De enkele stelling van eiser dat hij niet goed in staat is om zijn gevoelens te verwoorden, maakt het voorgaande daarom niet anders.Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij voor het eerst hoorde over homoseksualiteit. Zo heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij op vijftienjarige leeftijd voor het eerst hoorde over homoseksualiteit en heeft hij vervolgens verklaard dat dit op zeventienjarige leeftijd het geval was. Dit kan eiser worden tegengeworpen omdat dit voor hem een belangrijk moment had moeten zijn geweest aangezien het zijn van homoseksueel verboden is in Uganda en volgens zijn geloof. Tot slot heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eisers kennis over de wet tegen homoseksualiteit in Uganda en de vrijheid die homoseksuelen hebben in Nederland, niet opweegt tegen zijn overige vage, wisselende, oppervlakkige en tegenstrijdige verklaringen.
6.1
Gelet op al het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Uganda te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. Omdat verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:-verklaart het beroep gegrond;-vernietigt het bestreden besluit;- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand;- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep mogelijk.
Zie artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f en g, van de Vw.
Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Zie voor het voorgaande WI 2024/6, onder en paragraaf C1/4.3.2.6 van de Vc 2000.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:2 van de Awb.