Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24546
2026-08-26
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/09/677251
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na tussenvonnis. De rechtbank wijst de vordering van ouders tegen zoon af en wijst de vordering tegen de vennootschap toe.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.394 tekens)
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/677251 / HA ZA 24-1066
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ouders,
advocaat: mr. M.H. Bressers,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats 2] ( [land] ),
advocaat: mr. L.A.C. van Lierop,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: vennootschap en zoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 Rv).
2.2.
Voor de feiten, de vorderingen en de stellingen van partijen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 10 juni 2026.
Afwijzing van de vordering tegen de zoon
2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank ouders opgedragen te bewijzen dat (kort gezegd) zoon zich heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders. Ouders hebben afgezien van bewijslevering. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat zoon een betalingsverplichting tegenover ouders had. De rechtbank wijst de vordering van ouders tegen zoon af.
Toewijzing van de vordering tegen de vennootschap
2.4.
Omdat tegen de vennootschap verstek is verleend, moet de rechtbank beoordelen of de vordering haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Dat is niet het geval. De vordering tegen de vennootschap wordt daarom bij verstek toegewezen.
Proceskosten
2.5.
Ouders zijn ten opzichte van zoon in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zoon betalen. De proceskosten van zoon worden begroot op € 6.917, bestaande uit € 2.626 aan griffierecht, € 4.102 aan salaris advocaat (2 punten × € 2.051) en € 189 aan nakosten.
2.6.
De vennootschap is ten opzichte van ouders in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van ouders betalen. De proceskosten van ouders worden begroot op € 4.936,09, bestaande uit € 70,09 aan kosten van de dagvaarding (namelijk de helft van de totale kosten van € 140,17), € 2.626 aan griffierecht, € 2.051 aan salaris advocaat (1 punt × € 2.051) en € 189 aan nakosten.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt de vennootschap om aan ouders te betalen een bedrag van € 158.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt ouders hoofdelijk in de proceskosten van zoon van € 6.917,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ouders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt de vennootschap in de proceskosten van ouders van € 4.936,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als vennootschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
Team Handel
Zaaknummer: C/09/677251 / HA ZA 24-1066
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
1. [eiser] ,
te [woonplaats 1] ,2. [eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ouders,
advocaat: mr. M.H. Bressers,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
te [woonplaats 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats 2] ( [land] ),
advocaat: mr. L.A.C. van Lierop,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: vennootschap en zoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Tussen alle partijen wordt één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd (artikel 140 Rv).
2.2.
Voor de feiten, de vorderingen en de stellingen van partijen verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 10 juni 2026.
Afwijzing van de vordering tegen de zoon
2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank ouders opgedragen te bewijzen dat (kort gezegd) zoon zich heeft verplicht tot nakoming van de schulden van de vennootschap tegenover ouders. Ouders hebben afgezien van bewijslevering. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat zoon een betalingsverplichting tegenover ouders had. De rechtbank wijst de vordering van ouders tegen zoon af.
Toewijzing van de vordering tegen de vennootschap
2.4.
Omdat tegen de vennootschap verstek is verleend, moet de rechtbank beoordelen of de vordering haar onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Dat is niet het geval. De vordering tegen de vennootschap wordt daarom bij verstek toegewezen.
Proceskosten
2.5.
Ouders zijn ten opzichte van zoon in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zoon betalen. De proceskosten van zoon worden begroot op € 6.917, bestaande uit € 2.626 aan griffierecht, € 4.102 aan salaris advocaat (2 punten × € 2.051) en € 189 aan nakosten.
2.6.
De vennootschap is ten opzichte van ouders in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van ouders betalen. De proceskosten van ouders worden begroot op € 4.936,09, bestaande uit € 70,09 aan kosten van de dagvaarding (namelijk de helft van de totale kosten van € 140,17), € 2.626 aan griffierecht, € 2.051 aan salaris advocaat (1 punt × € 2.051) en € 189 aan nakosten.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt de vennootschap om aan ouders te betalen een bedrag van € 158.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt ouders hoofdelijk in de proceskosten van zoon van € 6.917,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ouders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt de vennootschap in de proceskosten van ouders van € 4.936,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als vennootschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.