Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24455
2026-07-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/709353 / JE RK 26-1266
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.895 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709353 / JE RK 26-1266
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , België,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C. Peterse uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 17 juli 2026 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 31 juli 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026;
de beschikking van 17 juli 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat;
[de minderjarige] .
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover – in aanwezigheid van mr. C.C. Peterse – een gesprek gevoerd met de kinderrechter en verzocht of zij bij de zitting aanwezig mocht zijn. Gelet op de verzoeken die voorliggen en het belang van [de minderjarige] om ter zitting aanwezig te zijn heeft de kinderrechter hier toestemming voor gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] tijdens het gesprek heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds juli 2025 wisselend op locaties (crisisplaatsing, noodbed, logeerhuis en woongroepen) in het vrijwillig kader. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [de minderjarige] , haar ontwikkeling en haar veiligheid. Ze laat al een jaar zorgelijk gedrag zien, zowel thuis als bij de instellingen waar zij wisselend verblijft. Door haar gedrag wijzen open groepen haar af en er is momenteel geen plek beschikbaar op een gesloten groep. De Raad maakt zich zorgen over het sociale netwerk van [de minderjarige] . Er is geen zicht op dit netwerk en er zijn sterke vermoedens dat dit netwerk betrokken is bij mensenhandel waar [de minderjarige] mogelijk slachtoffer van is. Daarnaast zijn er zorgen over de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en is zij bekend met automutilatie en een suïcidepoging. In 2025 is [de minderjarige] seksueel misbruikt door haar ex-vriend, hij heeft foto’s van haar gemaakt en deze verspreid op school. De Raad maakt zich zorgen dat [de minderjarige] zonder maatregelen in het gedwongen kader blijft weglopen, risicovolle (seksuele) contacten heeft en zich steeds slechter en somberder zal voelen. De Raad vindt het van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt bij het gezin zodat deze de regie kan voeren, veiligheidsafspraken kan opstellen en hulpverlening kan opstarten. [de minderjarige] kan binnenkort geplaatst worden bij [instelling] in [plaats] . Bij [instelling] wordt aangesloten bij de behoeften van [de minderjarige] en wordt de begeleiding en behandeling geboden die zij nodig heeft.
4De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vindt het fijn dat [de minderjarige] op korte termijn terecht kan bij [instelling] zodat zij de begeleiding en behandeling krijgt die zij nodig heeft. Het afgelopen jaar is er veel gebeurd en het is belangrijk dat hiervoor hulpverlening wordt opgestart.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Er is een vaste jeugdbeschermer beschikbaar voor het gezin en zij zal starten zodra zij terug is van haar vakantie. Tot die tijd zal er een tijdelijke jeugdbeschermer betrokken zijn.
4.3.
[de minderjarige] heeft ingestemd met het verzochte. Op 5 augustus zal het tweede intakegesprek bij [instelling] plaatsvinden en het is de verwachting dat binnen enkele weken een plek voor haar beschikbaar zal zijn. [de minderjarige] vindt het belangrijk dat zij behandeling krijgt en begrijpt dat dit niet altijd makkelijk zal zijn, ook vanwege de . regels en voorwaarden die gelden bij [instelling] . Ze is bereid zich hieraan te houden en wil haar behandeling afmaken, wat er ook verder gebeurt.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] en de moeder hebben een turbulent jaar achter de rug. [de minderjarige] heeft zeer ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt waardoor zij is vastgelopen in haar ontwikkeling. Haar schoolgang is gestagneerd en zij heeft op verschillende plekken verbleven waar zij meermaals – in ieder geval elf keer in een periode van zes maanden – is weggelopen en als vermist is opgegeven. Daarnaast zijn er zorgen over de kwetsbaarheid en het mentale welzijn van [de minderjarige] onder meer vanwege tekenen van automutilatie en haar suïcidepoging. In het vrijwillig kader is Kracht betrokken geweest, maar het is niet gelukt om passende hulpverlening op te starten. Ter zitting is gebleken dat alle belanghebbenden en [de minderjarige] ieder dezelfde zorgen en kijk hebben op de huidige situatie. Het is noodzakelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat de benodigde hulpverlening wordt ingezet zodat zij de gebeurtenissen van het afgelopen jaar kan verwerken en zich weer kan focussen op haar ontwikkeling. Plaatsing bij [instelling] lijkt daarbij passend. Ook kan zij daar haar schoolgang weer oppakken. De kinderrechter geeft [de minderjarige] mee dat er tijdens haar verblijf bij [instelling] ook moeilijke momenten zullen zijn en zij hoopt dat [de minderjarige] ondanks deze momenten haar motivatie behoudt. Er is op korte termijn een vaste jeugdbeschermer beschikbaar die zicht houdt op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de regie zal voeren. De moeder heeft aangeven al hulpverlening te hebben aangevraagd bij de GGZ. Het is vanwege de ingrijpendheid van de gebeurtenissen van het afgelopen jaar is ook van belang dat zij voldoende ondersteuning ontvangt en geholpen wordt bij het verwerken daarvan. Hierin ligt ook een taak voor de jeugdbeschermer. Gelet op het voorafgaande zal de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht stellen. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 31 juli 2026 tot 17 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 31 juli 2026 tot 17 oktober 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709353 / JE RK 26-1266
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , België,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C. Peterse uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Bij beschikking van 17 juli 2026 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 31 juli 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026;
de beschikking van 17 juli 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat;
[de minderjarige] .
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover – in aanwezigheid van mr. C.C. Peterse – een gesprek gevoerd met de kinderrechter en verzocht of zij bij de zitting aanwezig mocht zijn. Gelet op de verzoeken die voorliggen en het belang van [de minderjarige] om ter zitting aanwezig te zijn heeft de kinderrechter hier toestemming voor gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] tijdens het gesprek heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 17 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds juli 2025 wisselend op locaties (crisisplaatsing, noodbed, logeerhuis en woongroepen) in het vrijwillig kader. Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over [de minderjarige] , haar ontwikkeling en haar veiligheid. Ze laat al een jaar zorgelijk gedrag zien, zowel thuis als bij de instellingen waar zij wisselend verblijft. Door haar gedrag wijzen open groepen haar af en er is momenteel geen plek beschikbaar op een gesloten groep. De Raad maakt zich zorgen over het sociale netwerk van [de minderjarige] . Er is geen zicht op dit netwerk en er zijn sterke vermoedens dat dit netwerk betrokken is bij mensenhandel waar [de minderjarige] mogelijk slachtoffer van is. Daarnaast zijn er zorgen over de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en is zij bekend met automutilatie en een suïcidepoging. In 2025 is [de minderjarige] seksueel misbruikt door haar ex-vriend, hij heeft foto’s van haar gemaakt en deze verspreid op school. De Raad maakt zich zorgen dat [de minderjarige] zonder maatregelen in het gedwongen kader blijft weglopen, risicovolle (seksuele) contacten heeft en zich steeds slechter en somberder zal voelen. De Raad vindt het van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt bij het gezin zodat deze de regie kan voeren, veiligheidsafspraken kan opstellen en hulpverlening kan opstarten. [de minderjarige] kan binnenkort geplaatst worden bij [instelling] in [plaats] . Bij [instelling] wordt aangesloten bij de behoeften van [de minderjarige] en wordt de begeleiding en behandeling geboden die zij nodig heeft.
4De standpunten
4.1.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vindt het fijn dat [de minderjarige] op korte termijn terecht kan bij [instelling] zodat zij de begeleiding en behandeling krijgt die zij nodig heeft. Het afgelopen jaar is er veel gebeurd en het is belangrijk dat hiervoor hulpverlening wordt opgestart.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Er is een vaste jeugdbeschermer beschikbaar voor het gezin en zij zal starten zodra zij terug is van haar vakantie. Tot die tijd zal er een tijdelijke jeugdbeschermer betrokken zijn.
4.3.
[de minderjarige] heeft ingestemd met het verzochte. Op 5 augustus zal het tweede intakegesprek bij [instelling] plaatsvinden en het is de verwachting dat binnen enkele weken een plek voor haar beschikbaar zal zijn. [de minderjarige] vindt het belangrijk dat zij behandeling krijgt en begrijpt dat dit niet altijd makkelijk zal zijn, ook vanwege de . regels en voorwaarden die gelden bij [instelling] . Ze is bereid zich hieraan te houden en wil haar behandeling afmaken, wat er ook verder gebeurt.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] en de moeder hebben een turbulent jaar achter de rug. [de minderjarige] heeft zeer ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt waardoor zij is vastgelopen in haar ontwikkeling. Haar schoolgang is gestagneerd en zij heeft op verschillende plekken verbleven waar zij meermaals – in ieder geval elf keer in een periode van zes maanden – is weggelopen en als vermist is opgegeven. Daarnaast zijn er zorgen over de kwetsbaarheid en het mentale welzijn van [de minderjarige] onder meer vanwege tekenen van automutilatie en haar suïcidepoging. In het vrijwillig kader is Kracht betrokken geweest, maar het is niet gelukt om passende hulpverlening op te starten. Ter zitting is gebleken dat alle belanghebbenden en [de minderjarige] ieder dezelfde zorgen en kijk hebben op de huidige situatie. Het is noodzakelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] dat de benodigde hulpverlening wordt ingezet zodat zij de gebeurtenissen van het afgelopen jaar kan verwerken en zich weer kan focussen op haar ontwikkeling. Plaatsing bij [instelling] lijkt daarbij passend. Ook kan zij daar haar schoolgang weer oppakken. De kinderrechter geeft [de minderjarige] mee dat er tijdens haar verblijf bij [instelling] ook moeilijke momenten zullen zijn en zij hoopt dat [de minderjarige] ondanks deze momenten haar motivatie behoudt. Er is op korte termijn een vaste jeugdbeschermer beschikbaar die zicht houdt op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de regie zal voeren. De moeder heeft aangeven al hulpverlening te hebben aangevraagd bij de GGZ. Het is vanwege de ingrijpendheid van de gebeurtenissen van het afgelopen jaar is ook van belang dat zij voldoende ondersteuning ontvangt en geholpen wordt bij het verwerken daarvan. Hierin ligt ook een taak voor de jeugdbeschermer. Gelet op het voorafgaande zal de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht stellen. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 31 juli 2026 tot 17 oktober 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 31 juli 2026 tot 17 oktober 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).