Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24431
2026-07-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707649 / JE RK 26-1097
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Machtiging uithuisplaatsing pleegzorg. Artikel 1:265c lid 2 BW. Verzoek toetsen besluit over opvoedperspectief. Hoge Raad 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148). Kinderrechter onderschrijft opvoedperspectief.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:1148 Hoge Raad 01-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.322 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707649 / JE RK 26-1097
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
vertegenwoordigd door het Landelijke Expertise Team Jeugdbescherming te Utrecht,
hierna te noemen: het LET,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
feitelijk verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats 1],
advocaat: mr. H. Loonstein, uit Amsterdam.
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. T.T. Robijn, uit Amsterdam.
de pleegouders,
van wie de personalia en het adres bij de rechtbank bekend zijn.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met de daarbij gevoegde bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026;
- het door het LET nagezonden rapport van de Raad als bedoeld in artikel 1:265j lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) van 8 juli 2026;
- de brief van de pleegouders, ontvangen op 17 juli 2026.
1.2.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van mr. T.E.F. Reijnders van 23 juli 2026. Daarbij waren [naam 1] en [naam 2] van het LET namens de gecertificeerde instelling aanwezig. De pleegouders zijn niet verschenen, met voorafgaand bericht van afmelding. De vader en de moeder zijn ondanks correcte oproeping eveneens niet verschenen. De kinderrechter heeft op de zitting van 23 juli 2026 telefonisch contact met de vader gehad. De vader heeft tijdens dit gesprek kenbaar gemaakt graag in persoon op de zitting aanwezig te willen zijn. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek vervolgens aangehouden tot de met vader en de jeugdbeschermers afgestemde nieuwe datum.
1.3.
Op de vervolgens met gesloten deuren gehouden zitting op 28 juli 2026 waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 3] van het LET, namens de gecertificeerde instelling;
- de waarnemend advocaat van de moeder mr. J.R. Núñez Casanova;
- de vader met zijn advocaat mr. Robijn.
1.4.
De moeder is opnieuw niet verschenen. De kinderrechter heeft desondanks de behandeling voortgezet. De kinderrechter heeft daartoe het volgende in aanmerking genomen. De moeder is voor de zitting van 23 juli 2026 al correct op haar brp-adres opgeroepen, maar is daar, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De moeder is voor de zitting van 28 juli 2026 opnieuw opgeroepen op haar brp-adres én via het van haar bekende e-mailadres. Toen bleek dat de moeder gedetineerd zat heeft de rechtbank bovendien voor de moeder het gedetineerdenvervoer naar de rechtbank geregeld. De moeder heeft daar afstand van gedaan. De waarnemend advocaat mr. Núñez Casanova heeft toegelicht dat hij gemachtigd is om namens moeder het woord te voeren en een standpunt in te nemen.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht verlengd tot 8 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling verzocht een besluit te nemen over het (opvoed)perspectief van [minderjarige], die inhoudt dat zij niet zal opgroeien bij de ouders. De kinderrechter leest dit verzoek van de gecertificeerde instelling zo dat aan hem wordt gevraagd om – conform de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) – over de band van de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing het perspectiefbesluit te beoordelen. Op basis van de bevindingen van het Instituut van der Stam (hierna: IvdS) heeft de gecertificeerde instelling geconcludeerd dat het opvoedperspectief van [minderjarige] binnen de pleegzorg ligt.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Het voortzetten van de machtiging uithuisplaatsing is noodzakelijk wegens het ontbreken van voldoende opvoedingsvaardigheden en stabiliteit bij de ouders om haar op korte of middellange termijn een veilige en voorspelbare opvoedsituatie te kunnen bieden. Om een terugplaatsing naar één van de ouders mogelijk te maken, zou moeten blijken dat [minderjarige] contact met haar ouders kan hebben zonder dat zij hierdoor structureel ontregeld raakt, dat de ouders haar duurzaam rust, veiligheid en voorspelbaarheid kunnen bieden, dat sprake is van een blijvend stabiele en veilige opvoedsituatie en dat de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] adequaat kunnen worden herkend en beantwoord. Op dit moment wordt aan deze voorwaarden niet voldaan. Ook het risico op directe onveiligheid voor [minderjarige] is niet geweken. Er is recente zorgwekkende informatie van de politie die heeft opgetreden naar aanleiding van een melding van ruzie tussen de ouders in de woning in [plaats 2] op 6 juni 2026 en een soortgelijke melding van 26 juni 2026.
3.3.
Volgens de gecertificeerde instelling ligt het opvoedperspectief van [minderjarige] binnen de pleegzorg en zal niet toegewerkt worden naar een thuisplaatsing bij een van de ouders. Tijdens de omgang met de vader wordt wel gezien dat hij goed contact kan maken met [minderjarige] en oog heeft voor haar behoeften. De gecertificeerde instelling ziet dan ook mogelijkheden voor het vergroten van de rol van de vader en wil de omgang tussen hen uitbreiden. Voor het onderzoeken van een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] bij vader ziet de gecertificeerde instelling geen grond. De aanvaardbare termijn om in onzekerheid te zijn over waar zij opgroeit is verstreken.
4De standpunten
4.1.
De vader vraagt de kinderrechter het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor maximaal twee maanden toe te wijzen en om het verzoek om de opvoedvisie te onderschrijven niet-ontvankelijk te verklaren. De vader stelt dat de komende twee maanden moeten worden benut om de omgang uit te breiden om de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader te onderzoeken. De vader beschikt over de voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] benodigde opvoedingsvaardigheden. De vader heeft een uitgebreid netwerk van familie en vrienden die kunnen helpen. De vader heeft inmiddels feitelijk en definitief gebroken met de moeder en is prima bij machte en bereid om de moeder op afstand te houden. Er kan een plan van aanpak voor het gefaseerd uitbreiden van de omgang worden gemaakt, waarbij het netwerk van de vader wordt betrokken.
4.2.
Namens de moeder is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor maximaal twee maanden bepleit. De moeder vindt dat de gecertificeerde instelling de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader onvoldoende heeft onderzocht. De vader heeft van de gecertificeerde instelling geen reële kans gekregen om te laten zien dat hij [minderjarige] op kan voeden.
4.3.
De pleegouders stemmen met het verzochte in, althans voeren geen verweer.
5De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Ook onderschrijft de kinderrechter het opvoedperspectief van de gecertificeerde instelling, die inhoudt dat [minderjarige] niet bij (een van) de ouders zal opgroeien. De kinderrechter legt hieronder uit hoe hij tot zijn beslissing komt.
5.2.
[minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat verslaafd ter wereld is gekomen en kort na haar geboorte uithuisgeplaatst is bij het huidige pleeggezin. Zij heeft een verhoogde opvoedvraag en een bovengemiddelde behoefte aan veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en een sensitieve opvoeder. De kinderrechter ziet dat de ouders die opvoedvraag onvoldoende kunnen beantwoorden.
5.3.
Het contact tussen [minderjarige] en de ouders is sinds de geboorte minimaal geweest.
De moeder heeft [minderjarige] slechts een paar keer gezien. In 2024 is het niet gelukt om een stabiele omgangsregeling tot stand te brengen, en van maart 2025 tot maart 2026 heeft de moeder in detentie gezeten. De laatste keer contact tussen de moeder en [minderjarige] was op 11 maart 2026 in het kader van het perspectiefonderzoek dat werd uitgevoerd door IvdS. Volgens IvdS wil de moeder graag een goede band opbouwen met [minderjarige], maar mist zij de basale vaardigheden om bij de beleving van [minderjarige] aan te kunnen sluiten. De vader kan volgens IvdS wel adequaat aansluiten bij [minderjarige]. IvdS komt daarom tot de conclusie dat [minderjarige] veel baat kan hebben bij goed contact met haar vader, dat in duur en frequentie opgebouwd zou kunnen worden. De kinderrechter vindt het dan ook positief dat de jeugdbeschermer tijdens de zitting heeft toegelicht dat de komende periode toegewerkt zal worden naar uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige]. Hoewel de kinderrechter hoopt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] (nog) fijner wordt en vaker gaat plaatsvinden, heeft hij er onvoldoende vertrouwen in dat het contact tussen de vader en [minderjarige] binnen afzienbare tijd zodanig kan worden uitgebreid dat het contact aanleiding geeft om een thuisplaatsing nader te onderzoeken. Ook voor de vader geldt namelijk dat hij [minderjarige] weinig heeft gezien sinds haar geboorte, en dat het heel moeilijk is gebleken om tot een stabiele omgangsregeling te komen. In het raadsadvies van 8 juli 2026 staat dat de vader in januari 2026 voor het laatst omgang heeft gehad met [minderjarige]. De vader heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij het contactmoment in mei van dit jaar niet door heeft laten gaan, omdat dat moment gepland was de dag voor de zitting bij het gerechtshof (die onder andere ging over de eerder verleende machtiging uithuisplaatsing). De kinderrechter heeft begrip voor de spanning die de vader ervoer de dag voor de zitting bij het gerechtshof en zijn wens om [minderjarige] daarmee niet te willen belasten, maar het laat tegelijkertijd zien hoe kwetsbaar de situatie is als het gaat om de omgangsmomenten met [minderjarige].
5.4.
Verder is van belang dat de ouders ongeveer elf jaar een relatie hebben (gehad). Al die jaren zijn er zorgen geweest over met name de moeder, waaronder over haar emotieregulatie, het middelengebruik, en het frequente verblijf van haar in detentie. Ook op dit moment verblijft zij weer in detentie. Uit het rapport van IvdS volgt dat de moeder een zeer belast verleden heeft dat zich heeft doorontwikkeld tot het ontwikkelen van ongespecificeerde persoonlijkheidsproblematiek met trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis die binnen behandeling nader gespecificeerd moeten worden. De kinderrechter ziet dat de problematiek van de moeder enorm belastend is (geweest) voor de relatie, waarbinnen vier (nu nog minderjarige) kinderen zijn geboren. Alle kinderen zijn uithuisgeplaatst (geweest), en de ouders hebben alleen nog het gezag over [minderjarige]. Tegen deze achtergrond ontstaat er een beeld van een relatie waarbinnen het de ouders niet lukt om een voldoende veilige opvoedsituatie te maken en vast te houden voor de kinderen. Tot voor kort waren de ouders nog voornemens om de relatie voort te zetten op het moment dat de moeder uit detentie zou komen. Dit terwijl de risico’s volgens het IvdS bij het voortzetten van de relatie groot zijn als ook de zorg over [minderjarige] wordt gedragen: “dit zal het geheel overvragen en een slagingskans voor vader en moeder samen beperken. Een situatie waarin de relatie tussen ouders wederom vastloopt terwijl ze eveneens zorg dragen voor [minderjarige] zal slechts verliezers kennen en blijvend schade aanrichten bij allen.” Het IvdS trekt dan ook de volgende conclusie: “De combinatie van [vader] en moeder binnen een relatie bracht in het verleden een dusdanig turbulent leefklimaat met zich mee dat dit voor de ontwikkeling van [minderjarige] niet wenselijk zou zijn. Het perspectief van [minderjarige] zal dan ook vanuit huidig onderzoek binnen pleegzorg liggen.”
5.5.
De vader heeft toegelicht dat de ouders inmiddels niet meer bij elkaar zijn. Volgens de kinderrechter maakt dat de situatie niet dusdanig anders dat de komende periode een thuisplaatsing bij de vader moet worden onderzocht. De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat beëindiging van de relatie door de vader definitief is. In het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling staat dat er een patroon bestaat waarin de ouders niet met en niet zonder elkaar kunnen, en dat zij elkaar blijven opzoeken ook na heftige escalaties. Ook merkt de kinderrechter op dat de vader tot voor kort de relatie met de moeder wilde voortzetten zodra zij uit detentie zou komen, omdat de vader vertrouwde in de goede wil van de moeder om een clean en pro-sociaal leven op te bouwen. Tijdens de rapportbespreking met IvdS op 3 april 2026 hebben de ouders nog toegelicht dat zij samen relatietherapie wilden starten. IvdS zegt over de vader het volgende in het rapport: “Zijn wens tot hereniging en herstel van zijn gezin is voor hem leidend, hij is hierin weinig terughoudend. (…) Aangaande zijn relatie komt hij enigszins naïef naar voren (…) en houdt weinig rekening met falen en vastlopen en/of eventuele herhaling van voorgaande probleemsituaties. Ook ten aanzien van de eventuele zorg voor [minderjarige] weegt hij deze risico’s onvoldoende mee.”
5.6.
Maar ook als de relatie wel definitief beëindigd is, heeft de kinderrechter niet de verwachting dat de kern van de problematiek tussen de ouders voldoende kan worden aangepakt om naar een thuisplaatsing bij de vader toe te werken. Dit volgt ook uit het onderzoek van IvdS: “Indien vader zijn relatie met moeder alsnog verbreekt bestaat er een reële kans dat moeder hem niet loslaat en zeker de mogelijkheid dat moeder de zorg die vader dan zou hebben voor [minderjarige] niet daadwerkelijk aan hem over kan laten. [minderjarige] zal in een dergelijke situatie niet alleen belemmerd worden in een gezonde ontwikkeling, maar ze zou ook gevaar kunnen lopen.” De kinderrechter ziet deze zorgen bevestigd in twee incidenten in juni van dit jaar. Hoewel de relatie volgens de vader toen al beëindigd was, heeft de politie op 6 en 26 juni van dit jaar meldingen ontvangen van geschreeuw uit de woning op het adres in [plaats 2] waar de ouders staan ingeschreven. De vader heeft tijdens de zitting bevestigd dat de politie inderdaad in juni van dit jaar twee keer langs is geweest en dat er onenigheid is ontstaan tussen de ouders nadat de moeder bepaalde spullen wilde meenemen. De kinderrechter ziet dan ook dat de ouders ook op dit moment nog niet in staat zijn om contact met elkaar te hebben zonder dat er een (groot) risico bestaat op een escalatie en zelfs betrokkenheid van de politie. De kinderrechter heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de vader de noodzakelijke veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en sensitiviteit kan bieden aan [minderjarige], ook als de relatie met de moeder verbroken blijft.
5.7.
De kinderrechter merkt verder op dat de Raad voor de Kinderbescherming bij het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen de aanvaardbare termijn waarbinnen het voor [minderjarige] duidelijk moest zijn waar zij blijvend zou opgroeien heeft vastgesteld op zes maanden (na de geboorte). Inmiddels zal [minderjarige] over enkele maanden drie jaar worden. De kinderrechter vindt dan ook dat de aanvaardbare termijn inmiddels voorbij is. Maar ook als de aanvaardbare termijn nog niet voorbij was, dan zou de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in hebben dat de noodzakelijke hulpverlening binnen een aanvaardbare termijn niet alleen tot stand komt maar ook voldoende effect heeft om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders of de vader. Uit het hiervoor overwogene volgt namelijk dat de problematiek tussen de ouders – of zij nu een relatie hebben of niet – al heel lang speelt, zeer complex is, en eerdere inzet van hulpverlening onvoldoende tot verbetering heeft geleid.
5.8.
De kinderrechter vindt het dan ook noodzakelijk dat [minderjarige] uithuisgeplaatst blijft bij het pleeggezin. [minderjarige] ontvangt daar de noodzakelijke veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en sensitiviteit om tot ontwikkeling te komen. Het gaat goed met haar. Uit het plan van aanpak volgt dat de kinderarts tevreden is met de ontwikkeling van [minderjarige]. Zij is minder angstig en stelt zich langzaam open voor de wereld om haar heen. Zij gaat sinds enkele maanden naar de peuterspeelzaal. Wel blijft prikkelverwerking lastig voor haar, maar de steun die zij van pleegouders krijgt is goed. De kinderrechter hoopt dan ook dat [minderjarige] vanuit de veiligheid en stabiliteit die haar geboden wordt ook meer draagkracht krijgt om op een verantwoorde wijze het contact met de ouders aan te gaan.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 8 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in aanwezigheid van B.M. Muller - Santana de Andrade als griffier, en op schrift gesteld op 5 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707649 / JE RK 26-1097
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
vertegenwoordigd door het Landelijke Expertise Team Jeugdbescherming te Utrecht,
hierna te noemen: het LET,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
feitelijk verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats 1],
advocaat: mr. H. Loonstein, uit Amsterdam.
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. T.T. Robijn, uit Amsterdam.
de pleegouders,
van wie de personalia en het adres bij de rechtbank bekend zijn.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met de daarbij gevoegde bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026;
- het door het LET nagezonden rapport van de Raad als bedoeld in artikel 1:265j lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) van 8 juli 2026;
- de brief van de pleegouders, ontvangen op 17 juli 2026.
1.2.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van mr. T.E.F. Reijnders van 23 juli 2026. Daarbij waren [naam 1] en [naam 2] van het LET namens de gecertificeerde instelling aanwezig. De pleegouders zijn niet verschenen, met voorafgaand bericht van afmelding. De vader en de moeder zijn ondanks correcte oproeping eveneens niet verschenen. De kinderrechter heeft op de zitting van 23 juli 2026 telefonisch contact met de vader gehad. De vader heeft tijdens dit gesprek kenbaar gemaakt graag in persoon op de zitting aanwezig te willen zijn. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek vervolgens aangehouden tot de met vader en de jeugdbeschermers afgestemde nieuwe datum.
1.3.
Op de vervolgens met gesloten deuren gehouden zitting op 28 juli 2026 waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 3] van het LET, namens de gecertificeerde instelling;
- de waarnemend advocaat van de moeder mr. J.R. Núñez Casanova;
- de vader met zijn advocaat mr. Robijn.
1.4.
De moeder is opnieuw niet verschenen. De kinderrechter heeft desondanks de behandeling voortgezet. De kinderrechter heeft daartoe het volgende in aanmerking genomen. De moeder is voor de zitting van 23 juli 2026 al correct op haar brp-adres opgeroepen, maar is daar, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De moeder is voor de zitting van 28 juli 2026 opnieuw opgeroepen op haar brp-adres én via het van haar bekende e-mailadres. Toen bleek dat de moeder gedetineerd zat heeft de rechtbank bovendien voor de moeder het gedetineerdenvervoer naar de rechtbank geregeld. De moeder heeft daar afstand van gedaan. De waarnemend advocaat mr. Núñez Casanova heeft toegelicht dat hij gemachtigd is om namens moeder het woord te voeren en een standpunt in te nemen.
2De feiten
2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht verlengd tot 8 augustus 2026.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling verzocht een besluit te nemen over het (opvoed)perspectief van [minderjarige], die inhoudt dat zij niet zal opgroeien bij de ouders. De kinderrechter leest dit verzoek van de gecertificeerde instelling zo dat aan hem wordt gevraagd om – conform de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) – over de band van de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing het perspectiefbesluit te beoordelen. Op basis van de bevindingen van het Instituut van der Stam (hierna: IvdS) heeft de gecertificeerde instelling geconcludeerd dat het opvoedperspectief van [minderjarige] binnen de pleegzorg ligt.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Het voortzetten van de machtiging uithuisplaatsing is noodzakelijk wegens het ontbreken van voldoende opvoedingsvaardigheden en stabiliteit bij de ouders om haar op korte of middellange termijn een veilige en voorspelbare opvoedsituatie te kunnen bieden. Om een terugplaatsing naar één van de ouders mogelijk te maken, zou moeten blijken dat [minderjarige] contact met haar ouders kan hebben zonder dat zij hierdoor structureel ontregeld raakt, dat de ouders haar duurzaam rust, veiligheid en voorspelbaarheid kunnen bieden, dat sprake is van een blijvend stabiele en veilige opvoedsituatie en dat de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] adequaat kunnen worden herkend en beantwoord. Op dit moment wordt aan deze voorwaarden niet voldaan. Ook het risico op directe onveiligheid voor [minderjarige] is niet geweken. Er is recente zorgwekkende informatie van de politie die heeft opgetreden naar aanleiding van een melding van ruzie tussen de ouders in de woning in [plaats 2] op 6 juni 2026 en een soortgelijke melding van 26 juni 2026.
3.3.
Volgens de gecertificeerde instelling ligt het opvoedperspectief van [minderjarige] binnen de pleegzorg en zal niet toegewerkt worden naar een thuisplaatsing bij een van de ouders. Tijdens de omgang met de vader wordt wel gezien dat hij goed contact kan maken met [minderjarige] en oog heeft voor haar behoeften. De gecertificeerde instelling ziet dan ook mogelijkheden voor het vergroten van de rol van de vader en wil de omgang tussen hen uitbreiden. Voor het onderzoeken van een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] bij vader ziet de gecertificeerde instelling geen grond. De aanvaardbare termijn om in onzekerheid te zijn over waar zij opgroeit is verstreken.
4De standpunten
4.1.
De vader vraagt de kinderrechter het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor maximaal twee maanden toe te wijzen en om het verzoek om de opvoedvisie te onderschrijven niet-ontvankelijk te verklaren. De vader stelt dat de komende twee maanden moeten worden benut om de omgang uit te breiden om de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader te onderzoeken. De vader beschikt over de voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] benodigde opvoedingsvaardigheden. De vader heeft een uitgebreid netwerk van familie en vrienden die kunnen helpen. De vader heeft inmiddels feitelijk en definitief gebroken met de moeder en is prima bij machte en bereid om de moeder op afstand te houden. Er kan een plan van aanpak voor het gefaseerd uitbreiden van de omgang worden gemaakt, waarbij het netwerk van de vader wordt betrokken.
4.2.
Namens de moeder is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor maximaal twee maanden bepleit. De moeder vindt dat de gecertificeerde instelling de mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader onvoldoende heeft onderzocht. De vader heeft van de gecertificeerde instelling geen reële kans gekregen om te laten zien dat hij [minderjarige] op kan voeden.
4.3.
De pleegouders stemmen met het verzochte in, althans voeren geen verweer.
5De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Ook onderschrijft de kinderrechter het opvoedperspectief van de gecertificeerde instelling, die inhoudt dat [minderjarige] niet bij (een van) de ouders zal opgroeien. De kinderrechter legt hieronder uit hoe hij tot zijn beslissing komt.
5.2.
[minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat verslaafd ter wereld is gekomen en kort na haar geboorte uithuisgeplaatst is bij het huidige pleeggezin. Zij heeft een verhoogde opvoedvraag en een bovengemiddelde behoefte aan veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en een sensitieve opvoeder. De kinderrechter ziet dat de ouders die opvoedvraag onvoldoende kunnen beantwoorden.
5.3.
Het contact tussen [minderjarige] en de ouders is sinds de geboorte minimaal geweest.
De moeder heeft [minderjarige] slechts een paar keer gezien. In 2024 is het niet gelukt om een stabiele omgangsregeling tot stand te brengen, en van maart 2025 tot maart 2026 heeft de moeder in detentie gezeten. De laatste keer contact tussen de moeder en [minderjarige] was op 11 maart 2026 in het kader van het perspectiefonderzoek dat werd uitgevoerd door IvdS. Volgens IvdS wil de moeder graag een goede band opbouwen met [minderjarige], maar mist zij de basale vaardigheden om bij de beleving van [minderjarige] aan te kunnen sluiten. De vader kan volgens IvdS wel adequaat aansluiten bij [minderjarige]. IvdS komt daarom tot de conclusie dat [minderjarige] veel baat kan hebben bij goed contact met haar vader, dat in duur en frequentie opgebouwd zou kunnen worden. De kinderrechter vindt het dan ook positief dat de jeugdbeschermer tijdens de zitting heeft toegelicht dat de komende periode toegewerkt zal worden naar uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige]. Hoewel de kinderrechter hoopt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] (nog) fijner wordt en vaker gaat plaatsvinden, heeft hij er onvoldoende vertrouwen in dat het contact tussen de vader en [minderjarige] binnen afzienbare tijd zodanig kan worden uitgebreid dat het contact aanleiding geeft om een thuisplaatsing nader te onderzoeken. Ook voor de vader geldt namelijk dat hij [minderjarige] weinig heeft gezien sinds haar geboorte, en dat het heel moeilijk is gebleken om tot een stabiele omgangsregeling te komen. In het raadsadvies van 8 juli 2026 staat dat de vader in januari 2026 voor het laatst omgang heeft gehad met [minderjarige]. De vader heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij het contactmoment in mei van dit jaar niet door heeft laten gaan, omdat dat moment gepland was de dag voor de zitting bij het gerechtshof (die onder andere ging over de eerder verleende machtiging uithuisplaatsing). De kinderrechter heeft begrip voor de spanning die de vader ervoer de dag voor de zitting bij het gerechtshof en zijn wens om [minderjarige] daarmee niet te willen belasten, maar het laat tegelijkertijd zien hoe kwetsbaar de situatie is als het gaat om de omgangsmomenten met [minderjarige].
5.4.
Verder is van belang dat de ouders ongeveer elf jaar een relatie hebben (gehad). Al die jaren zijn er zorgen geweest over met name de moeder, waaronder over haar emotieregulatie, het middelengebruik, en het frequente verblijf van haar in detentie. Ook op dit moment verblijft zij weer in detentie. Uit het rapport van IvdS volgt dat de moeder een zeer belast verleden heeft dat zich heeft doorontwikkeld tot het ontwikkelen van ongespecificeerde persoonlijkheidsproblematiek met trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis die binnen behandeling nader gespecificeerd moeten worden. De kinderrechter ziet dat de problematiek van de moeder enorm belastend is (geweest) voor de relatie, waarbinnen vier (nu nog minderjarige) kinderen zijn geboren. Alle kinderen zijn uithuisgeplaatst (geweest), en de ouders hebben alleen nog het gezag over [minderjarige]. Tegen deze achtergrond ontstaat er een beeld van een relatie waarbinnen het de ouders niet lukt om een voldoende veilige opvoedsituatie te maken en vast te houden voor de kinderen. Tot voor kort waren de ouders nog voornemens om de relatie voort te zetten op het moment dat de moeder uit detentie zou komen. Dit terwijl de risico’s volgens het IvdS bij het voortzetten van de relatie groot zijn als ook de zorg over [minderjarige] wordt gedragen: “dit zal het geheel overvragen en een slagingskans voor vader en moeder samen beperken. Een situatie waarin de relatie tussen ouders wederom vastloopt terwijl ze eveneens zorg dragen voor [minderjarige] zal slechts verliezers kennen en blijvend schade aanrichten bij allen.” Het IvdS trekt dan ook de volgende conclusie: “De combinatie van [vader] en moeder binnen een relatie bracht in het verleden een dusdanig turbulent leefklimaat met zich mee dat dit voor de ontwikkeling van [minderjarige] niet wenselijk zou zijn. Het perspectief van [minderjarige] zal dan ook vanuit huidig onderzoek binnen pleegzorg liggen.”
5.5.
De vader heeft toegelicht dat de ouders inmiddels niet meer bij elkaar zijn. Volgens de kinderrechter maakt dat de situatie niet dusdanig anders dat de komende periode een thuisplaatsing bij de vader moet worden onderzocht. De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat beëindiging van de relatie door de vader definitief is. In het plan van aanpak van de gecertificeerde instelling staat dat er een patroon bestaat waarin de ouders niet met en niet zonder elkaar kunnen, en dat zij elkaar blijven opzoeken ook na heftige escalaties. Ook merkt de kinderrechter op dat de vader tot voor kort de relatie met de moeder wilde voortzetten zodra zij uit detentie zou komen, omdat de vader vertrouwde in de goede wil van de moeder om een clean en pro-sociaal leven op te bouwen. Tijdens de rapportbespreking met IvdS op 3 april 2026 hebben de ouders nog toegelicht dat zij samen relatietherapie wilden starten. IvdS zegt over de vader het volgende in het rapport: “Zijn wens tot hereniging en herstel van zijn gezin is voor hem leidend, hij is hierin weinig terughoudend. (…) Aangaande zijn relatie komt hij enigszins naïef naar voren (…) en houdt weinig rekening met falen en vastlopen en/of eventuele herhaling van voorgaande probleemsituaties. Ook ten aanzien van de eventuele zorg voor [minderjarige] weegt hij deze risico’s onvoldoende mee.”
5.6.
Maar ook als de relatie wel definitief beëindigd is, heeft de kinderrechter niet de verwachting dat de kern van de problematiek tussen de ouders voldoende kan worden aangepakt om naar een thuisplaatsing bij de vader toe te werken. Dit volgt ook uit het onderzoek van IvdS: “Indien vader zijn relatie met moeder alsnog verbreekt bestaat er een reële kans dat moeder hem niet loslaat en zeker de mogelijkheid dat moeder de zorg die vader dan zou hebben voor [minderjarige] niet daadwerkelijk aan hem over kan laten. [minderjarige] zal in een dergelijke situatie niet alleen belemmerd worden in een gezonde ontwikkeling, maar ze zou ook gevaar kunnen lopen.” De kinderrechter ziet deze zorgen bevestigd in twee incidenten in juni van dit jaar. Hoewel de relatie volgens de vader toen al beëindigd was, heeft de politie op 6 en 26 juni van dit jaar meldingen ontvangen van geschreeuw uit de woning op het adres in [plaats 2] waar de ouders staan ingeschreven. De vader heeft tijdens de zitting bevestigd dat de politie inderdaad in juni van dit jaar twee keer langs is geweest en dat er onenigheid is ontstaan tussen de ouders nadat de moeder bepaalde spullen wilde meenemen. De kinderrechter ziet dan ook dat de ouders ook op dit moment nog niet in staat zijn om contact met elkaar te hebben zonder dat er een (groot) risico bestaat op een escalatie en zelfs betrokkenheid van de politie. De kinderrechter heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de vader de noodzakelijke veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en sensitiviteit kan bieden aan [minderjarige], ook als de relatie met de moeder verbroken blijft.
5.7.
De kinderrechter merkt verder op dat de Raad voor de Kinderbescherming bij het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen de aanvaardbare termijn waarbinnen het voor [minderjarige] duidelijk moest zijn waar zij blijvend zou opgroeien heeft vastgesteld op zes maanden (na de geboorte). Inmiddels zal [minderjarige] over enkele maanden drie jaar worden. De kinderrechter vindt dan ook dat de aanvaardbare termijn inmiddels voorbij is. Maar ook als de aanvaardbare termijn nog niet voorbij was, dan zou de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in hebben dat de noodzakelijke hulpverlening binnen een aanvaardbare termijn niet alleen tot stand komt maar ook voldoende effect heeft om toe te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouders of de vader. Uit het hiervoor overwogene volgt namelijk dat de problematiek tussen de ouders – of zij nu een relatie hebben of niet – al heel lang speelt, zeer complex is, en eerdere inzet van hulpverlening onvoldoende tot verbetering heeft geleid.
5.8.
De kinderrechter vindt het dan ook noodzakelijk dat [minderjarige] uithuisgeplaatst blijft bij het pleeggezin. [minderjarige] ontvangt daar de noodzakelijke veiligheid, rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en sensitiviteit om tot ontwikkeling te komen. Het gaat goed met haar. Uit het plan van aanpak volgt dat de kinderarts tevreden is met de ontwikkeling van [minderjarige]. Zij is minder angstig en stelt zich langzaam open voor de wereld om haar heen. Zij gaat sinds enkele maanden naar de peuterspeelzaal. Wel blijft prikkelverwerking lastig voor haar, maar de steun die zij van pleegouders krijgt is goed. De kinderrechter hoopt dan ook dat [minderjarige] vanuit de veiligheid en stabiliteit die haar geboden wordt ook meer draagkracht krijgt om op een verantwoorde wijze het contact met de ouders aan te gaan.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 8 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter, in aanwezigheid van B.M. Muller - Santana de Andrade als griffier, en op schrift gesteld op 5 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.