Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24388
2026-07-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/696032 / FA RK 25-9407
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoeken gezag afgewezen i.v.m. overlijden moeder na tussenbeschikking. Zorgregeling en hoofdverblijfplaats aangehouden i.v.m. afwachten van contactherstel met vader in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.341 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9407
Zaaknummer: C/09/696032
Datum beschikking: 28 juli 2026
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 11 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Als informanten worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling,
en
[grootouder 1] en [grootouder 2] ,
de grootouders moederszijde.
Procedure
Bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2026 is een beslissing ter zake van het gezag, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de informatie- en consultatieregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- de brief van 27 mei 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- het rapport en advies van de Raad van [datum] 2026 met kenmerk [kenmerk] ;
- het bericht van 2 juni 2026 van de advocaat van de moeder, inhoudende aanvullende verzoeken;
- het bericht van 17 juni 2026 van de Raad, inhoudende de melding van de klacht van de vader tegen de Raad;
- het bericht van 18 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlagen, inhoudende aanvullende verzoeken;
- het bericht van 19 juni 2026 van de vader, met bijlagen, inhoudende gewijzigde verzoeken;
de berichten van 24 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
het bericht van 26 juni 2026 van de vader, met bijlage;
de brief van 26 juni 2026 van de gecertificeerde instelling;
het bericht van 29 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage.
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting van deze rechtbank in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot het verlenen van een machtiging voor uithuisplaatsing (C/09/706344 / JE RK 26-964) behandeld met gesloten deuren. Op die verzoeken is bij afzonderlijke beschikking van 30 juni 2026 beslist. De rechtbank heeft daarbij de ondertoezichtstelling verlengd tot 2 juli 2027 en de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 2 januari 2027, met aanhouding van het overige verzochte deel.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
de grootouders moederszijde;
[naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
[naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Verzoek en verweer
De advocaat van de moeder heeft de verzoeken aangevuld met het verzoek om:
primair grootouders moederszijde samen met moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] op grond van artikel 1:253t BW, zodat zij na overlijden van moeder van rechtswege voogd worden;
subsidiair op grond van artikel 1:253g lid 3 BW in de beschikking vast te leggen dat het belang van [de minderjarige] zich bij overlijden van moeder verzet tegen toewijzing van het gezag aan vader.
De vader heeft verweer gevoerd en zijn verzoeken gewijzigd, in die zin dat hij zijn verzoeken ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de vakantieregeling heeft gewijzigd in een verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij mondelinge uitspraak is overwogen en beslist.
Raadsrapport
Uit het rapport van de Raad blijkt – samengevat weergegeven – dat de Raad op dit moment geen zorgen heeft over [de minderjarige] zelf, maar wel over verschillende aspecten van zijn opvoedingsomgeving.
Allereerst merkt de Raad op dat [de minderjarige] op zeer jonge leeftijd is geconfronteerd met een complexe ouderrelatie, waarin in elk geval eenmaal sprake is geweest van huiselijk geweld waarvan [de minderjarige] ook getuige is geweest en waarvoor de vader is veroordeeld. Dat er jarenlang sprake is geweest van emotionele en fysieke mishandeling, zoals de moeder stelt, ontkent de vader. De Raad maakt zich in dit verband zorgen over het feit dat de vader nog niet is gestart met de door de strafrechter verplichte behandeling bij de Waag, met name vanwege de emotieregulatie van de vader. Die zorgen komen voort uit de manier waarop de vader tijdens het raadsonderzoek contact heeft gezocht en onderhouden met de raadsonderzoekers.
Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de confrontatie van [de minderjarige] met het ziekbed en het recente overlijden van zijn moeder en welke gevolgen dit met zich mee zal brengen, nu [de minderjarige] daarmee zijn moeder en zijn bekende en vertrouwde leven met haar heeft verloren. De ouders waren het niets eens over het toekomstperspectief van [de minderjarige] en de Raad maakt zich zorgen dat zowel de vader, als de familie van de moeder onvoldoende zelfstandig in staat zullen zijn om elkaar structureel en constructief aanwezig te laten zijn in het leven van [de minderjarige] . De Raad heeft ook grote zorgen over de mate waarin de vader in staat zal zijn om het verdriet van [de minderjarige] door het overlijden van zijn moeder te onderkennen en daarop te anticiperen.
Vanwege de zorgen over [de minderjarige] heeft de Raad het gezag- en omgangsonderzoek ambtshalve uitgebreid naar een kinderbeschermingsonderzoek en heeft op 24 maart 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling verzocht, die ter zitting van 2 april 2026 is uitgesproken.
De Raad geeft aan dat er door de korte tijdspanne van het onderzoek nog veel onduidelijk is over de wenselijkheid van het gezag van de vader, maar dat er ook onvoldoende gronden zijn om nu al een wijziging van het gezag te adviseren. Volgens de Raad is een ondertoezichtstelling wel noodzakelijk als de vader met het gezag belast blijft omdat de vader, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, niet in staat wordt geacht om zonder sturing en begeleiding in het kader van een ondertoezichtstelling de juiste beslissingen te nemen voor [de minderjarige] . Verder adviseert de Raad de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van negen maanden, zodat er in deze periode door middel van de ondertoezichtstelling meer zicht kan worden gecreëerd op onder meer de opvoedvaardigheden van de vader, zijn rol en de rol van de familie van de moeder in het leven van [de minderjarige] en de relatie tussen [de minderjarige] en de vader.
Actuele situatie
Op 2 juni 2026 heeft de advocaat van de moeder de rechtbank in deze procedure geïnformeerd over het overlijden van de moeder op [datum] 2026. Uit de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat [de minderjarige] bij zijn grootouders moederszijde heeft verbleven in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De rechtbank heeft op de zitting van 30 juni 2026 mondeling uitspraak gedaan en daarbij de ondertoezichtstelling verlengd tot 2 juli 2027 en de machtiging uithuisplaatsing tot 2 januari 2027, met aanhouding van het overige verzochte deel.
Gezag
In deze procedure zijn er namens de moeder verzoeken ingediend ten aanzien van het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder deze verzoeken toegelicht en aangegeven dat zij deze verzoeken niet kan handhaven namens de moeder, omdat zij is overleden. Daarom heeft zij de Raad verzocht om het verzoek om het gezag van de vader te beëindigen over te nemen, zodat de grootouders met de voogdij over [de minderjarige] zouden kunnen worden belast. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dit verzoek op dit moment niet over te zullen nemen.
De rechtbank stelt vast dat het oorspronkelijke primaire verzoek van de moeder strekte tot toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de moeder en dat de later ingediende aanvullende verzoeken daarmee samenhangen, althans uitgaan van de situatie waarin de moeder het eenhoofdig gezag zou hebben. Omdat de moeder is overleden, oefent de vader nu van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [de minderjarige] . De grootouders moederzijde kunnen daarom niet meer als voogd worden benoemd naast de moeder. De rechtbank zal dit verzoek van de grootouders moederzijde daarom afwijzen. Het subsidiaire verzoek om in de beschikking vast te leggen dat op grond van artikel 1:253g lid 3 BW het belang van [de minderjarige] zich bij overlijden van de moeder verzet tegen toewijzing van het gezag aan de vader zal de rechtbank ook afwijzen aangezien de vader al is belast met het gezag.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats
Naar de rechtbank begrijpt heeft de vader heeft zijn oorspronkelijke verzoek om een zorgregeling vast te stellen ingetrokken, in die zin dat het verzoek is gewijzigd naar het verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen. Ter onderbouwing van dit verzoek voert de vader aan dat hij op dit moment de enige ouder met gezag is, dat hij daarmee verantwoordelijk is voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en dat hij bereid en beschikbaar is om de opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Verder stelt de vader dat de betrokken instanties geen veiligheidsrisico’s voor [de minderjarige] bij de vader hebben vastgesteld, dat het contactverlies van de afgelopen maanden niet aan de vader te wijten is en dat hij zal meewerken aan hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling nodig wordt bevonden.
De moeder verzocht de rechtbank tijdens haar leven om de vader het recht op omgang met [de minderjarige] te ontzeggen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de moeder gesteld dat het met het oog op het verleden van huiselijk geweld en intieme terreur, de veroordeling van de vader en het toentertijd geldende contactverbod van de vader niet van haar kon worden gevergd om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te ondersteunen. Daarnaast meende zij dat het contact niet in het belang van [de minderjarige] is.
De rechtbank stelt vast dat de vader dat wat de moeder stelt over het huiselijk geweld en de intieme terreur tijdens de relatie, met uitzondering van het incident waarvoor hij is veroordeeld, ontkent. De Raad heeft aangegeven dat deze verschillende verklaringen over het verleden de Raad zorgen baren en dat onderzoek naar de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] noodzakelijk is voordat tot contactherstel kan worden overgegaan. Ook los daarvan bestaan er zorgen die (mede) betrekking hebben op het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. Zo is het leven van [de minderjarige] in de afgelopen periode ingrijpend veranderd door het overlijden van zijn moeder en is hij daarvoor getuige geweest van het geweldsincident waarvoor de vader is veroordeeld. Gebleken is dat de vader nog geen hulpverlening heeft ontvangen vanuit de Waag omdat hij zelf nog geen (passende) hulpvraag heeft geformuleerd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeer zorgelijk omdat de strafrechter de vader in het kader van zijn veroordeling wel heeft verplicht tot behandeling en er zorgen zijn over de emotieregulatie van de vader. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is overwogen, acht de rechtbank het tegen deze achtergrond van groot belang dat er in het kader van de lopende ondertoezichtstelling wordt bezien of en, zo ja, op welke manier contactherstel mogelijk is. Daarvoor heeft de rechtbank in de schriftelijke uitwerking van de beschikking van 30 juni 2026 ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing de volgende voorwaarden geformuleerd:
Er is hulpverlening voor de vader, al dan niet bij de Waag;
Er is hulpverlening voor [de minderjarige] ;
Het contactherstel vindt plaats onder begeleiding van een door de gecertificeerde instelling te bepalen organisatie;
Het contactherstel vindt plaats onder regie van de gecertificeerde instelling.
Omdat nog moet worden bezien of en, zo ja, op welke wijze en met welke frequentie contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader mogelijk is, zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van de zorgregeling aanhouden.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. In de voornoemde beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing verlengd voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat na deze zes maanden moet worden bezien welke voortgang er is met betrekking tot het contactherstel en de hulpverlening die (mede) daarmee verband houdt. Gelet op de samenhang tussen het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, de verleende machtiging uithuisplaatsing en eventuele verlenging daarvan na zes maanden en het gegeven dat het contactherstel (en de daarvoor vereiste hulpverlening) nog op gang moet komen, zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats ook pro forma aanhouden tot 2 januari 2027.
Informatie- en consultatieregeling
De moeder verzocht de rechtbank te bepalen dat zij niet verplicht is om de vader te informeren over [de minderjarige] en hem te consulteren bij belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . Door het overlijden van de moeder is deze verplichting niet meer aan de orde. Daarom zal de rechtbank op het daarop gerichte verzoek niet beslissen.
Bijzondere curator en BEM-rekening
De advocaat van de moeder stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:250 BW gehouden is om ambtshalve een bijzondere curator te benoemen om de vermogensrechtelijke belangen van [de minderjarige] te behartigen bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder. Daarnaast stelt de advocaat van de moeder dat moet worden bepaald dat het erfdeel van [de minderjarige] op een BEM-rekening wordt gestort zodra dit vrijkomt.
Omdat deze onderwerpen niet als verzoek in deze procedure zijn voorgelegd, zal de rechtbank in deze beschikking geen beslissing nemen over de benoeming van de bijzondere curator en het openen van een BEM-rekening. Wel vermeldt de rechtbank uitdrukkelijk dat zij deze verzoeken van de advocaat van de moeder heeft doorgestuurd naar de sectie Kanton van de rechtbank Den Haag, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegezegd. De sectie Kanton heeft aangegeven deze verzoeken verder te zullen afhandelen.
Beslissing
De rechtbank:
*
houdt de beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats aan tot 2 januari 2027 pro forma;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 juli 2026.
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9407
Zaaknummer: C/09/696032
Datum beschikking: 28 juli 2026
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 11 december 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Als informanten worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
de gecertificeerde instelling,
en
[grootouder 1] en [grootouder 2] ,
de grootouders moederszijde.
Procedure
Bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2026 is een beslissing ter zake van het gezag, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de informatie- en consultatieregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
- de brief van 27 mei 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- het rapport en advies van de Raad van [datum] 2026 met kenmerk [kenmerk] ;
- het bericht van 2 juni 2026 van de advocaat van de moeder, inhoudende aanvullende verzoeken;
- het bericht van 17 juni 2026 van de Raad, inhoudende de melding van de klacht van de vader tegen de Raad;
- het bericht van 18 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlagen, inhoudende aanvullende verzoeken;
- het bericht van 19 juni 2026 van de vader, met bijlagen, inhoudende gewijzigde verzoeken;
de berichten van 24 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
het bericht van 26 juni 2026 van de vader, met bijlage;
de brief van 26 juni 2026 van de gecertificeerde instelling;
het bericht van 29 juni 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage.
Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting van deze rechtbank in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel onderhavig verzoek als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tot het verlenen van een machtiging voor uithuisplaatsing (C/09/706344 / JE RK 26-964) behandeld met gesloten deuren. Op die verzoeken is bij afzonderlijke beschikking van 30 juni 2026 beslist. De rechtbank heeft daarbij de ondertoezichtstelling verlengd tot 2 juli 2027 en de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 2 januari 2027, met aanhouding van het overige verzochte deel.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
de grootouders moederszijde;
[naam 1] namens de gecertificeerde instelling;
[naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Verzoek en verweer
De advocaat van de moeder heeft de verzoeken aangevuld met het verzoek om:
primair grootouders moederszijde samen met moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] op grond van artikel 1:253t BW, zodat zij na overlijden van moeder van rechtswege voogd worden;
subsidiair op grond van artikel 1:253g lid 3 BW in de beschikking vast te leggen dat het belang van [de minderjarige] zich bij overlijden van moeder verzet tegen toewijzing van het gezag aan vader.
De vader heeft verweer gevoerd en zijn verzoeken gewijzigd, in die zin dat hij zijn verzoeken ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de vakantieregeling heeft gewijzigd in een verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij mondelinge uitspraak is overwogen en beslist.
Raadsrapport
Uit het rapport van de Raad blijkt – samengevat weergegeven – dat de Raad op dit moment geen zorgen heeft over [de minderjarige] zelf, maar wel over verschillende aspecten van zijn opvoedingsomgeving.
Allereerst merkt de Raad op dat [de minderjarige] op zeer jonge leeftijd is geconfronteerd met een complexe ouderrelatie, waarin in elk geval eenmaal sprake is geweest van huiselijk geweld waarvan [de minderjarige] ook getuige is geweest en waarvoor de vader is veroordeeld. Dat er jarenlang sprake is geweest van emotionele en fysieke mishandeling, zoals de moeder stelt, ontkent de vader. De Raad maakt zich in dit verband zorgen over het feit dat de vader nog niet is gestart met de door de strafrechter verplichte behandeling bij de Waag, met name vanwege de emotieregulatie van de vader. Die zorgen komen voort uit de manier waarop de vader tijdens het raadsonderzoek contact heeft gezocht en onderhouden met de raadsonderzoekers.
Daarnaast maakt de Raad zich zorgen over de confrontatie van [de minderjarige] met het ziekbed en het recente overlijden van zijn moeder en welke gevolgen dit met zich mee zal brengen, nu [de minderjarige] daarmee zijn moeder en zijn bekende en vertrouwde leven met haar heeft verloren. De ouders waren het niets eens over het toekomstperspectief van [de minderjarige] en de Raad maakt zich zorgen dat zowel de vader, als de familie van de moeder onvoldoende zelfstandig in staat zullen zijn om elkaar structureel en constructief aanwezig te laten zijn in het leven van [de minderjarige] . De Raad heeft ook grote zorgen over de mate waarin de vader in staat zal zijn om het verdriet van [de minderjarige] door het overlijden van zijn moeder te onderkennen en daarop te anticiperen.
Vanwege de zorgen over [de minderjarige] heeft de Raad het gezag- en omgangsonderzoek ambtshalve uitgebreid naar een kinderbeschermingsonderzoek en heeft op 24 maart 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling verzocht, die ter zitting van 2 april 2026 is uitgesproken.
De Raad geeft aan dat er door de korte tijdspanne van het onderzoek nog veel onduidelijk is over de wenselijkheid van het gezag van de vader, maar dat er ook onvoldoende gronden zijn om nu al een wijziging van het gezag te adviseren. Volgens de Raad is een ondertoezichtstelling wel noodzakelijk als de vader met het gezag belast blijft omdat de vader, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, niet in staat wordt geacht om zonder sturing en begeleiding in het kader van een ondertoezichtstelling de juiste beslissingen te nemen voor [de minderjarige] . Verder adviseert de Raad de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van negen maanden, zodat er in deze periode door middel van de ondertoezichtstelling meer zicht kan worden gecreëerd op onder meer de opvoedvaardigheden van de vader, zijn rol en de rol van de familie van de moeder in het leven van [de minderjarige] en de relatie tussen [de minderjarige] en de vader.
Actuele situatie
Op 2 juni 2026 heeft de advocaat van de moeder de rechtbank in deze procedure geïnformeerd over het overlijden van de moeder op [datum] 2026. Uit de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is gebleken dat [de minderjarige] bij zijn grootouders moederszijde heeft verbleven in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De rechtbank heeft op de zitting van 30 juni 2026 mondeling uitspraak gedaan en daarbij de ondertoezichtstelling verlengd tot 2 juli 2027 en de machtiging uithuisplaatsing tot 2 januari 2027, met aanhouding van het overige verzochte deel.
Gezag
In deze procedure zijn er namens de moeder verzoeken ingediend ten aanzien van het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder deze verzoeken toegelicht en aangegeven dat zij deze verzoeken niet kan handhaven namens de moeder, omdat zij is overleden. Daarom heeft zij de Raad verzocht om het verzoek om het gezag van de vader te beëindigen over te nemen, zodat de grootouders met de voogdij over [de minderjarige] zouden kunnen worden belast. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dit verzoek op dit moment niet over te zullen nemen.
De rechtbank stelt vast dat het oorspronkelijke primaire verzoek van de moeder strekte tot toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de moeder en dat de later ingediende aanvullende verzoeken daarmee samenhangen, althans uitgaan van de situatie waarin de moeder het eenhoofdig gezag zou hebben. Omdat de moeder is overleden, oefent de vader nu van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [de minderjarige] . De grootouders moederzijde kunnen daarom niet meer als voogd worden benoemd naast de moeder. De rechtbank zal dit verzoek van de grootouders moederzijde daarom afwijzen. Het subsidiaire verzoek om in de beschikking vast te leggen dat op grond van artikel 1:253g lid 3 BW het belang van [de minderjarige] zich bij overlijden van de moeder verzet tegen toewijzing van het gezag aan de vader zal de rechtbank ook afwijzen aangezien de vader al is belast met het gezag.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats
Naar de rechtbank begrijpt heeft de vader heeft zijn oorspronkelijke verzoek om een zorgregeling vast te stellen ingetrokken, in die zin dat het verzoek is gewijzigd naar het verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen. Ter onderbouwing van dit verzoek voert de vader aan dat hij op dit moment de enige ouder met gezag is, dat hij daarmee verantwoordelijk is voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en dat hij bereid en beschikbaar is om de opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Verder stelt de vader dat de betrokken instanties geen veiligheidsrisico’s voor [de minderjarige] bij de vader hebben vastgesteld, dat het contactverlies van de afgelopen maanden niet aan de vader te wijten is en dat hij zal meewerken aan hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling nodig wordt bevonden.
De moeder verzocht de rechtbank tijdens haar leven om de vader het recht op omgang met [de minderjarige] te ontzeggen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de moeder gesteld dat het met het oog op het verleden van huiselijk geweld en intieme terreur, de veroordeling van de vader en het toentertijd geldende contactverbod van de vader niet van haar kon worden gevergd om het contact tussen [de minderjarige] en de vader te ondersteunen. Daarnaast meende zij dat het contact niet in het belang van [de minderjarige] is.
De rechtbank stelt vast dat de vader dat wat de moeder stelt over het huiselijk geweld en de intieme terreur tijdens de relatie, met uitzondering van het incident waarvoor hij is veroordeeld, ontkent. De Raad heeft aangegeven dat deze verschillende verklaringen over het verleden de Raad zorgen baren en dat onderzoek naar de rol van de vader in het leven van [de minderjarige] noodzakelijk is voordat tot contactherstel kan worden overgegaan. Ook los daarvan bestaan er zorgen die (mede) betrekking hebben op het contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. Zo is het leven van [de minderjarige] in de afgelopen periode ingrijpend veranderd door het overlijden van zijn moeder en is hij daarvoor getuige geweest van het geweldsincident waarvoor de vader is veroordeeld. Gebleken is dat de vader nog geen hulpverlening heeft ontvangen vanuit de Waag omdat hij zelf nog geen (passende) hulpvraag heeft geformuleerd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank zeer zorgelijk omdat de strafrechter de vader in het kader van zijn veroordeling wel heeft verplicht tot behandeling en er zorgen zijn over de emotieregulatie van de vader. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is overwogen, acht de rechtbank het tegen deze achtergrond van groot belang dat er in het kader van de lopende ondertoezichtstelling wordt bezien of en, zo ja, op welke manier contactherstel mogelijk is. Daarvoor heeft de rechtbank in de schriftelijke uitwerking van de beschikking van 30 juni 2026 ten aanzien van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing de volgende voorwaarden geformuleerd:
Er is hulpverlening voor de vader, al dan niet bij de Waag;
Er is hulpverlening voor [de minderjarige] ;
Het contactherstel vindt plaats onder begeleiding van een door de gecertificeerde instelling te bepalen organisatie;
Het contactherstel vindt plaats onder regie van de gecertificeerde instelling.
Omdat nog moet worden bezien of en, zo ja, op welke wijze en met welke frequentie contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader mogelijk is, zal de rechtbank het verzoek ten aanzien van de zorgregeling aanhouden.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] overweegt de rechtbank als volgt. In de voornoemde beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar en de machtiging uithuisplaatsing verlengd voor de duur van zes maanden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat na deze zes maanden moet worden bezien welke voortgang er is met betrekking tot het contactherstel en de hulpverlening die (mede) daarmee verband houdt. Gelet op de samenhang tussen het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen, de verleende machtiging uithuisplaatsing en eventuele verlenging daarvan na zes maanden en het gegeven dat het contactherstel (en de daarvoor vereiste hulpverlening) nog op gang moet komen, zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats ook pro forma aanhouden tot 2 januari 2027.
Informatie- en consultatieregeling
De moeder verzocht de rechtbank te bepalen dat zij niet verplicht is om de vader te informeren over [de minderjarige] en hem te consulteren bij belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . Door het overlijden van de moeder is deze verplichting niet meer aan de orde. Daarom zal de rechtbank op het daarop gerichte verzoek niet beslissen.
Bijzondere curator en BEM-rekening
De advocaat van de moeder stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:250 BW gehouden is om ambtshalve een bijzondere curator te benoemen om de vermogensrechtelijke belangen van [de minderjarige] te behartigen bij de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder. Daarnaast stelt de advocaat van de moeder dat moet worden bepaald dat het erfdeel van [de minderjarige] op een BEM-rekening wordt gestort zodra dit vrijkomt.
Omdat deze onderwerpen niet als verzoek in deze procedure zijn voorgelegd, zal de rechtbank in deze beschikking geen beslissing nemen over de benoeming van de bijzondere curator en het openen van een BEM-rekening. Wel vermeldt de rechtbank uitdrukkelijk dat zij deze verzoeken van de advocaat van de moeder heeft doorgestuurd naar de sectie Kanton van de rechtbank Den Haag, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegezegd. De sectie Kanton heeft aangegeven deze verzoeken verder te zullen afhandelen.
Beslissing
De rechtbank:
*
houdt de beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats aan tot 2 januari 2027 pro forma;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 28 juli 2026.