Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24373

2026-08-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Nl26.46306
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
Nl26.46306
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen. Aanhouding niet verkapt vreemdelingenrechtelijk – onzorgvuldigheid leidt niet tot onrechtmatigheid maatregel – M105 formulier ontbreekt niet – voldoende voortvarend gehandeld – ambtshalve toetsing.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.340 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.46306


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),


en


de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).




Procesverloop


1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 17 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 18 augustus 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 20 augustus 2026 het onderzoek gesloten.





Overwegingen



De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring




2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een risico op onderduiken bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.



2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.



Wat voert eiser aan in beroep?



3. Allereerst voert eiser aan dat er gelet op de omstandigheden ten tijde van de staandehouding sprake is van verkapt vreemdelingentoezicht. Ten tweede voert eiser aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat in het model M101A ten onrechte staat dat eisers paspoort niet meer geldig is. Ten derde ontbreekt het M105-formulier in het dossier. Bij gebrek hieraan moet er volgens eiser van worden uitgegaan dat de grondslag van zijn ophouding onjuist is, dat hem ten onrechte handboeien zijn omgedaan, dat zijn telefoon ten onrechte is uitgelezen, dat aan hem zijn rechten ten onrechte niet zijn medegedeeld en dat zijn ophouding langer dan zes uur heeft geduurd. Ten vierde heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld. Ten slotte verzoekt eiser de rechtbank om de maatregel verder ambtshalve te toetsen.



Was de aanhouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk?


4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de aanhouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk was. Verweerder wijst er terecht op dat uit het proces-verbaal van aanhouding van een voldoende strafrechtelijke aanleiding blijkt om eiser naar zijn legitimatiebewijs te vragen en hem vervolgens aan te houden. Hieruit blijkt namelijk dat eiser aanvankelijk is staande gehouden in verband met een algemene verkeerscontrole, omdat het de verbalisant opviel dat eiser harder fietste dan op een elektrische fiets is toegestaan. Omdat de rechtbank in deze procedure alleen oordeelt over het gebruik van bevoegdheden toegekend bij of krachtens de Vw 2000, mag zij niet oordelen over de vraag of de vordering om een legitimatiebewijs te tonen of de daaropvolgende aanhouding wegens overtreding van artikel 447e van het Sr rechtmatig was.



Leidt de onzorgvuldigheid in het model M101A tot onrechtmatigheid van de maatregel?


5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het feit dat in het model M101A ten onrechte staat dat eisers paspoort niet meer geldig is, niet leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Eiser heeft niet gesteld en verder is ook niet gebleken dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Uit de overige stukken in het dossier blijkt duidelijk dat verweerder er vanuit is gegaan dat eiser wel in het bezit is van een geldig paspoort.



Ontbreekt het M105 formulier?


6. De rechtbank stelt vast dat verweerder het M105-formulier aan het dossier heeft toegevoegd. Nu daaruit niet volgt dat de door eiser genoemde omstandigheden aan de orde zijn gaat de rechtbank hier verder niet op in.




Handelt verweerder voldoende voortvarend?


7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser. Hierbij is van belang dat verweerder op 17 augustus 2026 een vertrekgesprek heeft gehouden en op 18 augustus 2026 een vlucht heeft aangevraagd.



Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?


8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.





Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2400, r.o. 1.


Vergelijk de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.