Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24369
2026-08-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.46290
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaring artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. Beroep gegrond, verzoek om schadevergoeding toegewezen. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt op geen enkele manier waarop het redelijk vermoeden van illegaal verblijf voorafgaand aan de staandehouding zou kunnen zijn gebaseerd. Eiser is daarom niet rechtmatig staande gehouden. De maatregel is bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2007:BB5258 Raad van State 28-09-2007
- ECLI:NL:RVS:2007:BB5258 Raad van State 28-09-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.668 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46290
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Toes als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Daarbij is verweerder in de gelegenheid gesteld om het ontbrekende proces-verbaal over de omstandigheden waaronder eiser is staande gehouden over te leggen.
1.4.
Verweerder heeft de rechtbank laten weten dat een dergelijk proces-verbaal abusievelijk niet is opgemaakt. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een risico op onderduiken bestaat.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder een lichter middel had kunnen toepassen. Eiser heeft namelijk nooit de intentie gehad om hier illegaal te verblijven en wil juist meewerken aan zijn terugkeer naar Colombia. Ook heeft eiser een vriendin in Nederland en is hij bezig met de aanvraag van een verblijfsvergunning in Spanje. Ten tweede verzoekt eiser aan de rechtbank om te beoordelen of het ontbreken van het proces-verbaal over de omstandigheden waaronder hij is aangehouden een onrechtmatigheid oplevert. Ten slotte verzoekt eiser om te beoordelen of de termijn van de ophouding is overschreden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Was de staandehouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk?
4. Eiser is op 12 augustus 2026 staande gehouden. In het daarvan op ambtseed opgemaakte proces-verbaal is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Op 12-08-2026 te [adres] te 's-Gravenhage, om 08:24 uur, bevond ik mij in uniform gekleed, op de [straatnaam 1] te 's-Gravenhage alwaar een eenheid van bureau verkeer een persoon controleerden naar aanleiding van de wegenverkeerswet. Deze persoon bleek in het bezit van een Colombiaanse paspoort met een inreisstempel uit 2025.
1a. VREEMDELINGRECHTELIJKE AANLEIDING
Op 12-08-2026 te [adres] te 's-Gravenhage, ter hoogte van de kruising [straatnaam 1] met de [straatnaam 2], om 08:24 uur, hield ik deze persoon staande op grond van artikel 50, eerste lid, Vw en vorderde ik de inzage van diens identiteitsdocument op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, gebaseerd op:
De collega's ter plaatse overhandigden ons het op zijn naam gesteld geldig Colombiaanse paspoort […]. In het paspoort stonden meerdere inreisstempels. De laatste inreisstempel bleek een inreisstempel van Boekarest (Roemenie) d.d 09-06-25. Ik verbalisant […] sprak middels een Spaanse tolk met de betrokkene die bleek te zijn […]. Ik deelde hem mede dat hij zijn vrije termijn is verstreken en hij op dit moment onrechtmatig in Nederland is.
Betrokkene reageerde hierop niet bevestigend of ontkennend op.”
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden.
4.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 september 2007 is de rechtbank van oordeel dat het in rechtsoverweging 4 vermelde proces-verbaal onvoldoende inzichtelijk maakt of het verzoek aan eiser om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan in het kader van de uitoefening van de politietaak of een andere niet-vreemdelingenrechtelijke bevoegdheid, dan wel dat in feite sprake is geweest van een controle in het kader van het vreemdelingentoezicht. De enkele verwijzing in het proces-verbaal naar een controle in het kader van de Wegenverkeerswet is, zonder een nadere en concrete weergave van de feiten en omstandigheden waaronder de staandehouding plaastvond, hiertoe onvoldoende. Evenmin heeft verweerder een afzonderlijk proces-verbaal overgelegd waaruit dit blijkt. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Zodanige controle kan plaatsvinden als er sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt op geen enkele manier waarop het redelijk vermoeden van illegaal verblijf voorafgaand aan de staandehouding zou kunnen zijn gebaseerd. Eiser is daarom niet rechtmatig staande gehouden.
4.3.
Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen, maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, als aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De staatssecretaris heeft geen belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. De omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het met de inbewaringstelling gemoeide belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat, geven daar evenmin blijk van. Gelet hierop en de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.
5. Nu de rechtbank het beroep gelet op het voorgaande al gegrond verklaart, hoeven de andere beroepsgronden niet meer te worden besproken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de rechtbank beveelt de onmiddelijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.
7. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe vanaf 12 augustus 2026 tot aan 24 augustus 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1440,-;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
M105 Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht als bedoeld in artikel 50 dan wel artikel 50a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van 12 augustus 2026 (proces-verbaal van staandehouding).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5258,
ECLI:NL:RVS:2007:BB5258.
Zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw.
Uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46290
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Toes als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Daarbij is verweerder in de gelegenheid gesteld om het ontbrekende proces-verbaal over de omstandigheden waaronder eiser is staande gehouden over te leggen.
1.4.
Verweerder heeft de rechtbank laten weten dat een dergelijk proces-verbaal abusievelijk niet is opgemaakt. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een risico op onderduiken bestaat.
2.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Eiser voert allereerst aan dat verweerder een lichter middel had kunnen toepassen. Eiser heeft namelijk nooit de intentie gehad om hier illegaal te verblijven en wil juist meewerken aan zijn terugkeer naar Colombia. Ook heeft eiser een vriendin in Nederland en is hij bezig met de aanvraag van een verblijfsvergunning in Spanje. Ten tweede verzoekt eiser aan de rechtbank om te beoordelen of het ontbreken van het proces-verbaal over de omstandigheden waaronder hij is aangehouden een onrechtmatigheid oplevert. Ten slotte verzoekt eiser om te beoordelen of de termijn van de ophouding is overschreden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Was de staandehouding van eiser verkapt vreemdelingenrechtelijk?
4. Eiser is op 12 augustus 2026 staande gehouden. In het daarvan op ambtseed opgemaakte proces-verbaal is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Op 12-08-2026 te [adres] te 's-Gravenhage, om 08:24 uur, bevond ik mij in uniform gekleed, op de [straatnaam 1] te 's-Gravenhage alwaar een eenheid van bureau verkeer een persoon controleerden naar aanleiding van de wegenverkeerswet. Deze persoon bleek in het bezit van een Colombiaanse paspoort met een inreisstempel uit 2025.
1a. VREEMDELINGRECHTELIJKE AANLEIDING
Op 12-08-2026 te [adres] te 's-Gravenhage, ter hoogte van de kruising [straatnaam 1] met de [straatnaam 2], om 08:24 uur, hield ik deze persoon staande op grond van artikel 50, eerste lid, Vw en vorderde ik de inzage van diens identiteitsdocument op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, gebaseerd op:
De collega's ter plaatse overhandigden ons het op zijn naam gesteld geldig Colombiaanse paspoort […]. In het paspoort stonden meerdere inreisstempels. De laatste inreisstempel bleek een inreisstempel van Boekarest (Roemenie) d.d 09-06-25. Ik verbalisant […] sprak middels een Spaanse tolk met de betrokkene die bleek te zijn […]. Ik deelde hem mede dat hij zijn vrije termijn is verstreken en hij op dit moment onrechtmatig in Nederland is.
Betrokkene reageerde hierop niet bevestigend of ontkennend op.”
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden.
4.2.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 28 september 2007 is de rechtbank van oordeel dat het in rechtsoverweging 4 vermelde proces-verbaal onvoldoende inzichtelijk maakt of het verzoek aan eiser om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan in het kader van de uitoefening van de politietaak of een andere niet-vreemdelingenrechtelijke bevoegdheid, dan wel dat in feite sprake is geweest van een controle in het kader van het vreemdelingentoezicht. De enkele verwijzing in het proces-verbaal naar een controle in het kader van de Wegenverkeerswet is, zonder een nadere en concrete weergave van de feiten en omstandigheden waaronder de staandehouding plaastvond, hiertoe onvoldoende. Evenmin heeft verweerder een afzonderlijk proces-verbaal overgelegd waaruit dit blijkt. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de controle op de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Zodanige controle kan plaatsvinden als er sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt op geen enkele manier waarop het redelijk vermoeden van illegaal verblijf voorafgaand aan de staandehouding zou kunnen zijn gebaseerd. Eiser is daarom niet rechtmatig staande gehouden.
4.3.
Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen, maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, als aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De staatssecretaris heeft geen belangen gesteld op grond waarvan het niet nakomen van de uit artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende verplichting niet aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg staat. De omstandigheden die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan het met de inbewaringstelling gemoeide belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat, geven daar evenmin blijk van. Gelet hierop en de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt, is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.
5. Nu de rechtbank het beroep gelet op het voorgaande al gegrond verklaart, hoeven de andere beroepsgronden niet meer te worden besproken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond en de rechtbank beveelt de onmiddelijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel.
7. De rechtbank kent eiser een schadevergoeding toe vanaf 12 augustus 2026 tot aan 24 augustus 2026. Het bedrag aan schadevergoeding komt dus neer op 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1440,-;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
M105 Proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht als bedoeld in artikel 50 dan wel artikel 50a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van 12 augustus 2026 (proces-verbaal van staandehouding).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5258,
ECLI:NL:RVS:2007:BB5258.
Zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw.
Uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.