Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24355
2026-08-25
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.47727
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzetmeniet, vovo, toegewezen
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20132 Rechtbank Den Haag 17-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.907 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.47727
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1982, van Nigeriaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Op 17 juli 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door verzoeker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en verzocht om op een zitting te worden gehoord. Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen aan Franrijk totdat op het verzet is beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 21 augustus 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de overdracht te verbieden tot op het verzet is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker naar Frankrijk over te dragen totdat op het verzet is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening 604/2013 die op 12 juni 2026 is ingetrokken op grond van artikel 83, eerste volzin, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV). Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van verzoeker om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
ECLI:NL:RBDHA:2026:20132.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.47727
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1982, van Nigeriaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Op 17 juli 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door verzoeker daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.2.
Verzoeker heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en verzocht om op een zitting te worden gehoord. Verzoeker heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen aan Franrijk totdat op het verzet is beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 21 augustus 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de overdracht te verbieden tot op het verzet is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker naar Frankrijk over te dragen totdat op het verzet is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening 604/2013 die op 12 juni 2026 is ingetrokken op grond van artikel 83, eerste volzin, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV). Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van verzoeker om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
ECLI:NL:RBDHA:2026:20132.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit proceskosten bestuursrecht.