Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24351

2026-08-25 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.26100
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
NL24.26100
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiseres – een christelijke vrouw van 67 jaar – in Aleppo geen gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade, omdat zij christen of een vrouw is. De rechtbank is van oordeel dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. Hoewel de door verweerder in het bestreden besluit verrichte beoordeling van de gradatie van het willekeurige geweld niet volledig was, heeft verweerder in beroep voldoende gemotiveerd dat er in Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres met de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Aleppo een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (57.883 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Zwolle



Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.26100


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Kennis).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 juni 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Wel heeft verweerder aan eiseres voorlopig uitstel van vertrek verleend totdat op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw is beslist.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.

Bij brief van 28 mei 2025 heeft de rechtbank aan verweerder verzocht om aan
te geven wat de actuele situatie in Syrië/ [plaats] betekent voor de besluitvorming in deze zaak.




2.3.
Vervolgens heeft verweerder op 4 juni 2025 de rechtbank verzocht om aanhouding van deze zaak in afwachting van aanvullend onderzoek en een aanvullend besluit.



2.4.
Verweerder heeft daarna op 2 januari 2026 een aanvullend besluit genomen.



2.5.
Op 4 februari 2026 heeft eiseres op dit besluit gereageerd.



2.6.
Verweerder heeft op 23 februari 2026 een verweerschrift ingediend.



2.7.
Eiseres heeft op 4 maart 2026 op dit verweerschrift gereageerd.



2.8.
De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de heer Z. Hanina als tolk en de gemachtigde van verweerder. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.



2.9.
Bij brief van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en deze zaak naar de meervoudige kamer verwezen.



2.10.
Op 11 mei 2026 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.



2.11.
In reactie op dit verweerschrift heeft eiseres op 12 mei 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.



2.12.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de heer A. Jafar als tolk en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank



Het asielrelaas



3. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1959. Zij komt uit de stad [plaats] . Eiseres heeft Syrië verlaten vanwege het gebrek aan veiligheid, stabiliteit en de basisbehoeften om te leven. Eiseres heeft medische problemen, waaronder mobiliteitsproblemen. Haar netwerk is, vanwege het vertrek van haar kinderen naar het buitenland, heel klein geworden. Eiseres stelt dat zij niet kan terugkeren naar Syrië, omdat ze christen is en vanwege de onveilige situatie in Syrië. Ook vreest eiseres bij terugkeer te moeten voldoen aan de islamitische leefregels van het huidige regime. Eiseres meent dat zij – gelet op het vorenstaande – bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt.



De besluitvorming





Het bestreden besluit van 5 juni 2024


4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder het volgende relevante element:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres.

5. In het besluit van 5 juni 2024 heeft verweerder overwogen dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege haar christelijke geloof. In het beleid zijn christenen namelijk niet opgenomen als een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep en eiseres heeft geen persoonlijke problemen ondervonden met betrekking tot haar christelijke achtergrond. Ook de door eiseres aangevoerde slechte levensomstandigheden en het ontbreken van een sociaal netwerk zijn – hoewel vervelend – geen redenen om aan eiseres een asielvergunning toe te kennen. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiseres in 2016 en 2021 naar Armenië is geweest voor familiebezoek en beide keren (vrijwillig) naar Syrië is teruggekeerd. Om deze reden behoort eiseres volgens verweerder tot de uitzondering op de presumptie dat terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade oplevert. Ook heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar langdurig verblijf in het buitenland en het indienen van een asielaanvraag in Nederland een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder concludeert daarom dat haar asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.



Het ‘aanvullende besluit’ van 2 januari 2026


6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het asielbeleid ten aanzien van Syrië niet volgt dat christenen in Syrië worden aangemerkt als risicoprofiel dan wel vallen onder groepsvervolging. Ook uit de persoonlijke verklaringen van eiseres en de beschikbare landeninformatie blijkt volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging vanwege haar christelijke geloof. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij te vrezen heeft voor vervolging, omdat zij de islamitische leefregels niet volgt. Daarnaast is verweerder van mening dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij haar vrijheid als vrouw zal verliezen bij terugkeer. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder neemt namelijk voor heel Syrië, dus ook voor [plaats] (de voormalige woon- en verblijfplaats van eiseres), een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, omdat zij geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht.



Is er sprake van een aanvullend besluit?


7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wanneer de rechtsgevolgen van een besluit met de nadere motivering niet zijn gewijzigd. Verweerder heeft op 2 januari 2026, naar aanleiding van de gewijzigde (veiligheids)situatie in Syrië na de val van het regime van Assad, het bestreden besluit van 5 juni 2024 aangevuld. De rechtbank stelt vast dat deze aanvulling geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen, in die zin dat er geen verandering in de rechtspositie van eiseres is gebracht. Verweerder is namelijk bij de afwijzing van de asielaanvraag gebleven onder aanvulling van de motivering. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanvulling van 2 januari 2026 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, maar moet worden beschouwd als een aanvullende motivering van het bestreden besluit. De rechtbank zal deze aanvullende motivering betrekken bij haar beoordeling.



Waar gaat het in deze zaak om?





De duiding van de besluitvorming


8. Desgevraagd heeft verweerder op de zitting van 21 mei 2026 bevestigd dat de overwegingen over de vrees van eiseres voor vervolging en ernstige schade in de aanvullende motivering van 2 januari 2026 niet zozeer een aanvulling zijn op de overwegingen ten aanzien van deze punten in het bestreden besluit van 5 juni 2024, maar deze overwegingen vervangen. Wat in het bestreden besluit van 5 juni 2024 is overwogen over de individuele omstandigheden van eiseres wordt door verweerder wel gehandhaafd.



De duiding van de beroepsgronden


9. De rechtbank stelt, op grond van wat op dezelfde zitting is besproken, vast dat de beroepsgronden van eiseres op hoofdlijnen zien op de volgende onderwerpen:
- de vrees van eiseres voor vervolging, omdat zij christen is;
- de vrees van eiseres voor ernstige schade op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
- de vrees van eiseres voor willekeurig geweld op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.



Loopt eiseres bij terugkeer naar Syrië een risico op vervolging?





Wat is het betoog van eiseres?


10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat christenen wel degelijk moeten worden aangemerkt als risicoprofiel. Volgens eiseres zijn de christelijke gemeenschap, christelijke kerken en wijken doelwit van diverse terroristische en sektarische aanslagen, waaronder het in brand steken van kerken, vernielingen van christelijke huizen en moorden op geestelijken.
Ter onderbouwing hiervan wijst eiseres voornamelijk op berichten van de SOHR. Daarnaast verwijst eiseres naar de “Ranglijst christenvervolging: Syria” van Open Doors van 2025 en 2026 , waaruit volgt dat Syrië voor het eerst sinds 2017 weer in de top 10 van de ranglijst staat, dat de situatie na de machtsovername door HTS dramatisch is verslechterd en dat de maatschappij islamiseert. In aanvulling hierop heeft eiseres op de zitting van 21 mei 2026 aangevoerd dat op 13 mei 2026 een bomaanslag bij een Syrische kerk in [plaats] is verijdeld en dat op 20 mei 2026 in een christelijke wijk van Damascus een aanslag is gepleegd. Volgens eiseres is er – anders dan verweerder stelt – dan ook geen sprake van enkel incidenten. Verder meent eiseres dat zij haar vrees voldoende individueel heeft gemaakt. In dit verband voert eiseres aan dat zij als christelijke vrouw extra risico op vervolging loopt, voornamelijk van de zijde van de plaatselijke groeperingen die niet tot de overgangsregering behoren. Zij zal bij terugkeer als vrouw worden onderdrukt en moeten voldoen aan de islamitische kleding- en leefregels. Ook loopt zij als vrouw het risico te worden verkracht, mishandeld of vermoord. Volgens eiseres moet verweerder al deze factoren in samenhang bezien. Eiseres meent – onder verwijzing naar diverse bronnen – dat de overgangsregering niet als betrouwbare actor van bescherming kan worden aangemerkt.



Wat is het oordeel van de rechtbank?


11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft.


11.1.

De rechtbank vindt daarbij allereerst van belang dat uit de beschikbare landeninformatie niet volgt dat er sprake is van systematische vervolging van christenen in Syrië. Daarbij heeft verweerder terecht verwezen naar het AAB over Syrië van mei 2025. Hoewel dit ambtsbericht melding maakt van incidenten van geweld tegen christenen, volgt de rechtbank verweerder in zijn betoog dat uit de beschikbare landeninformatie niet het beeld naar voren komt dat het geweld een structurele vorm aanneemt. Bovendien hebben de in dit ambtsbericht genoemde incidenten geen betrekking op [plaats] . De door eiseres aangehaalde bronnen leiden niet tot een ander oordeel, aangezien ook hieruit blijkt dat het geweld tegen christenen incidenteel van aard is en niet structureel is.
Verder volgt uit het AAB van mei 2025 dat kerken geopend waren in de verslagperiode, dat christelijke feestdagen openlijk gevierd mochten worden en dat de overgangsregering HTS aan heeft gegeven dat zij verschillende bevolkingsgroepen, waaronder christenen, wil beschermen en hun rechten wil waarborgen. Ook waren er verschillende ontmoetingen tussen christelijke geestelijke leiders en vertegenwoordigers van de overgangsregering.
In het verweerschrift van 11 mei 2026 heeft verweerder terecht betoogd dat uit het AAB van januari 2026 geen wezenlijk ander beeld naar voren komt. Uit dit ambtsbericht volgt ook nog dat in het controlegebied van de overgangsregering enkele christenen vertegenwoordigd waren in de hoogste politiek-bestuurlijke functies en dat tijdens feestdagen en in geval van een aanslagdreiging veiligheidstroepen kerkgebouwen en christelijke wijken bewaakten.
Daarnaast wijst de rechtbank op het EUAA-rapport van december 2025, waarin is vermeld dat daden van vervolging tegen christenen zelden voorkomen en een gegronde vrees voor vervolging alleen in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd is.
De rechtbank ziet op basis van de hiervoor genoemde informatie geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder christenen in Syrië moest aanmerken als risicoprofiel.




11.2.

Wat betreft de positie van vrouwen in Syrië heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie voor vrouwen – hoewel deze niet optimaal is – sinds de val van het regime van Assad niet is veranderd. Daarbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat uit het AAB van mei 2025 volgt dat vrouwen mogen werken en studeren en er een (christelijke) vrouw in de overgangsregering zit. Hoewel er extremistische
personen en groepen zijn die islamitische leefregels proberen op te leggen, volgt uit het AAB van mei 2025 niet dat de overgangsregering strenge islamitische kleding- en leefregels (voor vrouwen) heeft geïntroduceerd en dat ook niet anderszins van bestraffing of andere vormen van vervolging in Syrië is gebleken vanwege het niet praktiseren van een geloofsovertuiging. Daarnaast hadden vrouwen en meisjes weliswaar te maken met (gender- en eergerelateerd) geweld, maar dergelijk geweld vond voornamelijk plaats door de eigen familieleden of mensen uit hun eigen gemeenschap, én betrof vooral jonge en alleenstaande vrouwen. Deze informatie wordt bevestigd door het EUAA-rapport van december 2025. In het AAB van januari 2026 wordt – zoals verweerder terecht stelt – geen wezenlijk ander beeld dan in het AAB van mei 2025 geschetst. Gelet hierop, heeft verweerder vrouwen in Syrië ook niet hoeven aanmerken als risicoprofiel.




11.3.
Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres haar vrees voor vervolging niet heeft geïndividualiseerd. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij in het verleden geen persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege haar christelijke achtergrond. Ook zijn er – zoals verweerder terecht stelt – geen concrete aanwijzingen dat eiseres persoonlijk bij terugkeer problemen heeft te verwachten. De algemene informatie waarop eiseres heeft gewezen, is daartoe niet voldoende. Daarnaast volgt uit wat hiervoor is overwogen dat eiseres haar geloof bij terugkeer in [plaats] zonder problemen kan belijden. Daarbij heeft verweerder ook terecht betrokken dat de echtgenoot en dochter van eiseres geen problemen vanwege hun geloof hebben ondervonden na de val van het regime. De stelling van eiseres dat zij als vrouw extra risico loopt, volgt de rechtbank niet. Uit de hiervoor genoemde bronnen blijkt namelijk niet dat de huidige machthebbers het niet accepteren als eiseres geen bedekkende kleding zal dragen. Ook heeft eiseres anderszins niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk bij terugkeer zal worden onderdrukt, omdat zij een vrouw is. Daar komt bij dat eiseres geen alleenstaande en/of jongvolwassen vrouw is. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres met de door haar aangevoerde omstandigheden – ook in samenhang bezien – haar vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt.



Loopt eiseres een risico op foltering, een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn?





Wat is het betoog van eiseres?


12. Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat zij als vrouw behoort tot een sociale groep en dat dit in combinatie met het zijn van een christen een reëel risico op ernstige schade oplevert. Daarbij verwijst eiseres naar wat zij eerder in het kader van haar vrees voor vervolging – zoals weergegeven onder rechtsoverweging 10 – heeft aangevoerd.



Wat is het oordeel van de rechtbank?


13. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn vanwege het feit dat zij een christelijke vrouw is. Daartoe verwijst de rechtbank naar wat zij in rechtsoverweging 11 over de door eiseres aangevoerde omstandigheden in het kader van haar vrees voor vervolging heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.



Loopt eiseres bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?





Wat is het betoog van eiseres?


14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië, en specifiek in [plaats] , op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Zij verwijst daarbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025 waarin is geoordeeld dat verweerder niet alle relevante omstandigheden – waaronder de informatie in de 15c- bijlage behorend bij de Nota landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 over de ontplofbare oorlogsresten en de humanitaire situatie in Syrië – kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld. Eiseres voert verder aan, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak, dat de veiligheidssituatie en veiligheidsstructuur in Syrië fragiel en diffuus is. Er ontbreekt namelijk een stabiele machtsstructuur en er is sprake van buitenlandse militaire inmenging en onderrapportage vanuit Syrië over de situatie. Ook is volgens eiseres de verslagperiode van het AAB over Syrië van mei 2025 te kort om het niveau van willekeurig geweld te beoordelen.



Wat is het standpunt van verweerder in de aanvullende motivering van 2 januari 2026?


15. Verweerder heeft zich – onder verwijzing naar het landgebonden beleid over Syrië – op het standpunt gesteld dat voor geheel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder wijst daarbij op het AAB van mei 2025, waaruit blijkt dat er sprake is van geweldsuitbarstingen en gevechten die van incidentele aard zijn. Ook blijkt hieruit dat het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld relatief laag is. Hoewel er burgerslachtoffers zijn gevallen bij geweldsescalaties en incidenten, blijkt uit het AAB dat hierbij veelal sprake was van gericht geweld, bijvoorbeeld als gevolg van wraakacties. Hoewel het voor de overgangsregering een uitdaging is om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen en de veiligheidssituatie daarom fragiel is, is er slechts in lage mate sprake van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Volgens verweerder is ook in de voormalige woonomgeving van eiseres, de stad en het district [plaats] , geen sprake van een situatie waarin iedere aanwezige een reëel risico op ernstige schade loopt. Allereerst blijkt dat de overgangsregering de controle heeft over [plaats] . Verder keerden er ontheemden uit zowel binnen als buiten Syrië terug naar [plaats] . Daarnaast zijn er tussen 1 juni en 26 september 2025 in [plaats] 187 veiligheidsincidenten gerapporteerd en is het aantal burgerslachtoffers in [plaats] sinds de machtsovername stabiel en laag. Hoewel de humanitaire situatie fragiel is, leidt dit volgens verweerder – gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 – niet tot een ander oordeel aangaande het risico op willekeurig geweld.



Wat is het standpunt van verweerder in de verweerschriften van 23 februari 2026 en 11 mei 2026?


16. Verweerder heeft in de verweerschriften het standpunt ingenomen dat de ontwikkelingen van na de aanvullende motivering van 2 januari 2026 geen aanleiding geven om van de conclusie af te wijken dat in Syrië, en specifiek in [plaats] , sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarover heeft verweerder het volgende overwogen.



16.1.
Het grootste deel van Syrië, waaronder de stad [plaats] en het grootste deel van de provincie [provincie] , staat momenteel onder controle van de overgangsregering. Verder stelt verweerder dat uit het AAB over Syrië van januari 2026 volgt dat in de verslagperiode (van mei 2025 tot en met december 2025) geen sprake is van één specifiek gewapend conflict. De geweldsincidenten die plaatsvinden worden hoofdzakelijk veroorzaakt door lokale milities, met name overblijfselen van het voormalige regime en ISIS. Verweerder concludeert uit het hiervoor genoemde ambtsbericht dat het aantal geweldsincidenten in Syrië sterk is gedaald en ook het aantal burgerslachtoffers is afgenomen. Volgens verweerder volgt ook uit de berichten van Syria Weekly van 15 april 2026 en 29 april 2026 dat het dodelijk geweld significant is gedaald. Verder heeft verweerder erop gewezen dat uit het eerdergenoemde EUAA-rapport van december 2025 blijkt dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers ook in [plaats] sterk is afgenomen sinds de overeenkomst tussen de overgangsregering en de SDF in maart 2025. Als gevolg van deze ontwikkelingen concludeert de EUAA dat in de provincie [provincie] weliswaar willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau.



16.2.
Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het aantal slachtoffers als gevolg van ontplofbare oorlogsresten in heel Syrië gestaag afneemt. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat tussen 1 mei 2025 en 15 oktober 2025 in totaal 40 incidenten met ontplofbare oorlogsresten in [plaats] werden geregistreerd. Om het aantal willekeurige slachtoffers als gevolg van ontplofbare oorlogsresten te voorkomen wordt er geruimd en voorlichting gegeven. Volgens verweerder is niet gebleken dat sinds de machtsovername (substantiële aantallen) nieuwe explosieven zijn geplaatst in [plaats] .



16.3.
Verder stelt verweerder dat in de verslagperiode van het AAB van januari 2026 in heel Syrië sprake was van ontheemding, maar dat er ook ontheemden van buiten en binnen Syrië terugkeerden naar hun voormalig woongebieden in Syrië. De meeste terugkeer van binnenlands ontheemden vond plaats in de provincie [provincie] .



16.4.
Volgens verweerder is bij de beoordeling van de gradatie van willekeurig geweld kenbaar betrokken dat sprake is van een volatiele veiligheidssituatie. Daarbij verwijst verweerder naar de brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 en de nota bij deze brief. Verweerder stelt echter dat de geweldsuitbarstingen incidenteel van aard zijn en dat veel slachtoffers daarvan het gevolg zijn van gericht geweld. Daarom meent verweerder dat hij voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld heeft kunnen aannemen.



16.5.
Verweerder is in beide verweerschriften ingegaan op de door eiseres aangevoerde humanitaire omstandigheden. Verweerder stelt zich daarin allereerst op het standpunt dat de (rechtspraak van het Hof over de) Kwalificatierichtlijn geen grondslag biedt om indirecte gevolgen van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade (zonder meer) binnen de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te laten vallen. Verweerder volgt het oordeel van de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 daarom niet. In de tweede plaats overweegt verweerder dat de humanitaire omstandigheden het gevolg moeten zijn van een gewapend conflict dat op dit moment aan de gang is. Verweerder meent dat de slechte humanitaire situatie in Syrië niet of slechts in (zeer) beperkte mate te wijten is aan een thans lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering Assad, die inmiddels geen actor meer is binnen het gewapende conflict.



Wat is de reactie van eiseres op de verweerschriften?


17. Eiseres handhaaft haar standpunt dat verweerder niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in Syrië. In dit verband voert eiseres – samengevat en onder verwijzing naar diverse bronnen – aan dat verweerder de relevante landeninformatie, de veiligheidsstructuur, de diffuse machtsverhoudingen, de fragiele terugkeercontext, het blijvende risico door ontplofbare oorlogsresten, nieuwe gewapende confrontaties in [plaats] in januari 2026 en de humanitaire omstandigheden niet of onvoldoende kenbaar heeft betrokken. Ook handhaaft eiseres haar standpunt dat verweerder – gelet op de korte verslagperiode van het AAB van mei 2025 en de fragiele veiligheidssituatie in Syrië – niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom al een relatief lager niveau van willekeurig geweld kan worden aangenomen. Eiseres meent dat verweerder met de motivering in het verweerschrift van 11 mei 2026 dit gebrek niet herstelt, omdat verweerder vooral de voor hem gunstige passages heeft geselecteerd en de hiervoor genoemde omstandigheden nog altijd niet integraal heeft gewogen. Verder betoogt eiseres dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van het willekeurige geweld. Dat deze omstandigheden deels zijn ontstaan tijdens het regime van Assad betekent volgens eiseres niet dat zij nu geen rol meer spelen. Eiseres vindt hierbij met name relevant dat het gewapende conflict in Syrië sinds 2011 voortduurt. Eiseres verzoekt daarom de beantwoording van de prejudiciële vraag die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, op 29 december 2025 heeft gesteld over de betekenis van humanitaire omstandigheden bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn af te wachten en de zaak aan te houden.



Wat is de rechtspraak van het Hof en de Afdeling en het beleid van verweerder over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?


18. Het Hof heeft in het arrest X en Y de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn nader uitgelegd. Het Hof heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, een algemener risico op ernstige schade betreft dan de risico’s die zijn genoemd in de onderdelen a en b van dat artikel. Volgens het Hof gaat het in onderdeel c in ruimere zin over een ‘bedreiging van het leven of de persoon van een burger’ en dus niet om bepaalde gewelddadigheden. In onderdeel c gaat het over de situatie waarin een gewapend conflict willekeurig geweld meebrengt, waarin de mate van geweld dermate hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op ernstige schade zou lopen ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie (meest uitzonderlijke situatie). Vervolgens is het Hof ingegaan op andere, minder uitzonderlijke situaties. In deze situaties kunnen elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wel relevant zijn. Hoe meer de vreemdeling in die situatie het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (glijdende schaal).



18.1.

Als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, is verweerder voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw verschillende gradaties gaan aannemen van willekeurig geweld.
In de eerste gradatie is de mate van willekeurig geweld zo hoog, dat iedere burger die terugkeert naar het betrokken land of gebied, alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt op ernstige schade (‘risico door loutere aanwezigheid’, voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’).
De tweede gradatie is de situatie waarbij de mate van willekeurig geweld een relatief hoog niveau bereikt, maar niet hoog genoeg is om op basis van de loutere aanwezigheid van de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade aan te nemen (‘relatief hoger niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘minder uitzonderlijke situatie’). In deze situatie zal een beoordeling van de individuele (risicoverhogende) omstandigheden gemaakt moeten worden.
De derde gradatie is de situatie waarin er wel sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, maar bereikt de mate van het willekeurige geweld volgens verweerder een relatief lager niveau (‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘geen of onvoldoende uitzonderlijke situatie’). In deze situatie moet ook een individuele beoordeling plaatsvinden.




18.2.
In de eerdergenoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest CF en DN, feiten en omstandigheden (hierna: factoren) besproken die relevant zijn voor de (globale) beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn:
- de algemene veiligheidssituatie;
- regionale spreiding van het geweld;
- gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;
- veiligheidsstructuur;
- gebied van terugkeer;
- ontheemden;
- humanitaire omstandigheden.



Is de door verweerder in het bestreden besluit verrichte beoordeling van de gradatie van het willekeurige geweld volledig?


19. De rechtbank overweegt dat verweerder in de eerdergenoemde brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 (inclusief de Nota Landenbeleid Syrië van 4 juni 2025 en de daarbij horende 15c-bijlage) heeft aangegeven dat naar aanleiding van het AAB van mei 2025 nieuw beleid voor Syrië is ingericht, waarin – kort samengevat – is bepaald dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit beleid is neergelegd in paragraaf C7/33.4.2. van de Vc. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit beleid ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit. In geschil is de vraag of de in het bestreden besluit door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld volledig is geweest.

20. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of en, zo ja, in welke mate humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarna zal de rechtbank de overige door eiseres aangevoerde factoren, die volgens haar ten onrechte niet bij deze beoordeling zijn betrokken, bespreken.






De mate van causaal verband tussen de humanitaire omstandigheden en het willekeurige geweld, en de betekenis van humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door een eerdere actor


21. De rechtbank is, evenals deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 19 mei 2026, van oordeel dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Daarvan kan sprake zijn als de humanitaire omstandigheden in overwegende mate voortvloeien uit het willekeurige geweld zelf of uit de wijze waarop het gewapend conflict wordt gevoerd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer strijdende partijen civiele infrastructuur vernietigen, humanitaire hulp blokkeren of de toegang tot voedsel, water of medische zorg belemmeren. Als dat het geval is, hebben humanitaire omstandigheden, ook als zij het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn betekenis. Of sprake is van een voldoende causaal verband zal steeds aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld.



21.1.
Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, af te wachten. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende in zijn beleid en besluitvorming heeft betrokken.



Heeft verweerder de humanitaire omstandigheden voldoende betrokken?




21.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn beleid niet is ingegaan op humanitaire omstandigheden. Maar de rechtbank is van oordeel dat daartoe ook onvoldoende aanleiding bestond. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 21 is overwogen, hoeven humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurige geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor niet te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van het geweld. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het regime van Assad, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt – zoals verweerder terecht in het verweerschrift stelt – dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden niet of nauwelijks worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder economisch wanbeleid, internationale economische sancties tegen het regime van Assad, de nalatigheid van dit regime om voor haar bevolking te zorgen (bijvoorbeeld het aanvallen van gezondheidsvoorzieningen en het tegenhouden van basisvoorzieningen) en het wegvallen van internationale noodhulp. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.



21.3.
Gelet op het vorenstaande, heeft verweerder de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van willekeurig geweld en is het beleid in zoverre niet onvolledig.



Heeft verweerder de overige factoren voldoende in het beleid betrokken?

22. Over de factor ‘algemene veiligheidssituatie’ overweegt de rechtbank als volgt. Het AAB van mei 2025, dat gaat over de eerste periode na de val van het regime van Assad, beslaat de periode van 27 november 2024 tot en met april 2025. Dit betreft een (zeer) korte verslagperiode. Gedurende deze gehele periode wordt de veiligheidssituatie in Syrië beschreven als ‘volatiel’ en ook uit de door eiseres aangehaalde openbare bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie na de val van het regime van Assad fragiel en onduidelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze mate van onduidelijkheid en onzekerheid rondom de veiligheidssituatie in Syrië niet (kenbaar) betrokken bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurige geweld. In de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 wordt weliswaar een opmerking gemaakt met de strekking dat zal moeten worden bezien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen, maar niet is gebleken dat verweerder de ‘onzekerheidsfactor’ daadwerkelijk heeft betrokken bij de vaststelling dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.




22.1.
Wat betreft de factor ‘gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers’ overweegt de rechtbank dat uit het AAB van mei 2025 volgt dat burgers blijvend gevaar lopen door landmijnen, niet-ontplofte granaten en munitie. In de 15c-bijlage is vermeld dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers vormen. Hoewel verweerder dus heeft onderkend dat hierin een groot veiligheidsrisico is gelegen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze informatie daadwerkelijk is betrokken bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.



22.2.
Verder overweegt de rechtbank dat in de 15c-bijlage weliswaar per regio een kolom is opgenomen waarin de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd kunnen worden vermeld, maar dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt dat bij de in deze kolom vermelde cijfers daadwerkelijk de aantallen ontheemden per regio zijn betrokken. Daar komt bij dat de genoemde cijfers alleen betrekking lijken te hebben op het aantal doden per regio. Bovendien lijken de in de 15c-bijlage genoemde cijfers niet aan te sluiten bij de – veel hogere – cijfers over ontheemden zoals die blijken uit het AAB van mei 2025.



22.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de door verweerder verrichte beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in de aanvullende motivering van 2 januari 2026 niet volledig is geweest. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Wel ziet de rechtbank – gelet op de aanvullende motivering van verweerder in de verweerschriften – aanleiding om te onderzoeken of de rechtgevolgen van het bestreden besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.



Heeft verweerder voor [plaats] een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?

23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering in de verweerschriften voldoende heeft gemotiveerd dat in in [plaats] , sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank nog het volgende.




23.1.
Verweerder heeft uit het meest recente AAB van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Het beschreven geweld betreft voornamelijk gericht geweld. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten gestaag is afgenomen. Daarnaast worden er maatregelen genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten en het geven van voorlichting. Ook blijkt uit de door verweerder aangehaalde bronnen dat veel ontheemden uit het buiten- en binnenland van Syrië terugkeerden.



23.2.
Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats] te zien is. Uit het AAB van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [provincie] onder controle staat van de overgangsregering. Tussen 1 mei 2025 en 31 december 2025 registreerde ACLED 439 geweldsincidenten in [plaats] . In 102 gevallen ging het om gevechten, in 154 gevallen om explosies/geweld op afstand en in 183 gevallen om geweld tegen burgers. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats] . Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal burgerslachtoffers in verhouding tot de bevolkingsomvang relatief laag is en is gedaald in vergelijking met de voorgaande verslagperiode. Verder waren er in [plaats] meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats] , maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad [plaats] tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats] .



23.3.
De hiervoor genoemde informatie wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het al eerder genoemde rapport van de EUAA van december 2025. Hierin wordt – kort samengevat – overwogen dat de veiligheidssituatie in het gouvernement [plaats] is verbeterd en het aantal veiligheidsincidenten gestaag afneemt. Hoewel het totale aantal veiligheidsincidenten het hoogste is van alle provincies, is het gemiddelde aantal burgerslachtoffers per 100.000 inwoners relatief laag vanwege de grote bevolking van de provincie en is het aantal slachtoffers sinds maart 2025 sterk gedaald. De EUAA concludeert dan ook dat er in de provincie [plaats] willekeurig geweld plaatsvindt, maar niet op een hoog niveau.



23.4.
De door eiseres aangehaalde bronnen over de huidige situatie in [plaats] laten naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld zien dan in de hiervoor genoemde landeninformatie is weergegeven.



23.5.
Op grond van het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in [plaats] geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in het beleid vastgestelde gradatie. De door eiseres genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.



Loopt eiseres een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?

24. In het geval dat er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie, dan moet de beoordeling van het risico op ernstige schade worden gebaseerd op de individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. De vreemdeling dient deze omstandigheden aannemelijk te maken.




24.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder in de besluitvorming ten onrechte de algemene veiligheidssituatie in Syrië niet heeft gewogen in onderlinge samenhang met haar individuele omstandigheden. Deze individuele omstandigheden zijn volgens eiseres dat zij ernstige medische problemen heeft, een vrouw is, 67 jaar oud is en behoort tot een christelijke minderheidsgroep. Ook voert eiseres in dit verband aan dat haar woning is verwoest, dat haar dochter op dit moment ook buiten Syrië woont, haar echtgenoot nu alleen in Syrië is en dat zij verder geen sociaal netwerk heeft.



24.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in de zienswijze van 14 mei 2024 en de beroepsgronden van 23 juli 2024, dus vóór verweerders aanvullende motivering van 2 januari 2026, al heeft aangevoerd dat haar christelijke achtergrond, haar leeftijd, haar gezondheid en het gebrek aan een netwerk maken dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Door in de aanvullende motivering van 2 januari 2026 en het verweerschrift van 23 februari 2026 te overwegen dat eiseres geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, heeft verweerder de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet betrokken bij zijn beoordeling of eiseres vanwege haar persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft met zijn verwijzing op de zitting van 12 maart 2026 naar wat op de pagina’s 3 en 4 van het bestreden besluit van 5 juni 2024 is overwogen over het zijn van een christen, het ontbreken van een sociaal netwerk en de gezondheid van eiseres, dit gebrek niet hersteld. Verweerder heeft deze omstandigheden in het bestreden besluit van 5 juni 2024 namelijk alleen beoordeeld in het kader van de vraag of eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel of aan haar uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Hiermee kan verweerder – gelet op het arrest X en Y – niet volstaan.



24.3.
Op de zitting van 21 mei 2026 heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres met de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar [plaats] een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze motivering het hiervoor geconstateerde gebrek wel heeft hersteld.


24.3.1.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld de door de vreemdeling naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. De door eiseres aangevoerde omstandigheden – zoals hiervoor in rechtsoverweging 24.1 weergegeven – zijn daarvoor onvoldoende.



24.3.2.
Daartoe overweegt de rechtbank dat zij in de rechtsoverwegingen 11 en 13 al heeft geoordeeld dat eiseres haar vrees voor vervolging dan wel ernstige schade vanwege het zijn van een christen en vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is uit het dossier gebleken dat de echtgenoot van eiseres op dit moment in [plaats] in het huurhuis van hun dochter woont. Eiseres kan zich – zoals verweerder terecht stelt – na haar terugkeer bij haar echtgenoot voegen. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat haar leeftijd en medische situatie, en de gestelde gebrekkige mobiliteit als gevolg daarvan, maken dat zij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van de gemiddelde burger. Dat zij vanwege haar leeftijd en medische situatie niet in staat is om zichzelf in Syrië staande te houden, blijkt namelijk niet uit de door haar overgelegde medische stukken. Gelet op het vorenstaande, ook in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op basis van haar persoonlijke en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar [plaats] een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt.





Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is – gelet op wat hiervoor onder de rechtsoverwegingen 22 tot en met 22.3 en 24.2 is overwogen – gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2024, inclusief de aanvullende motivering van 2 januari 2026, vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat verweerder de gebreken in beroep heeft hersteld en ook de overige beroepsgronden niet slagen

26. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt die kosten vast met toepassing van het Besluit Proceskosten bestuursrecht. Het bedrag is als volgt opgebouwd. Voor het beroepschrift krijgt eiseres 1 punt en voor de twee zittingen 2 punten. Voor de aanvullende gronden die eiseres op 4 februari 2026 naar aanleiding van de aanvullende motivering van 2 januari 2026 heeft ingediend wordt 0,5 punt toegekend. De waarde per punt is 934,- en de wegingsfactor is 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 3.269,-




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2024, inclusief de aanvullende motivering van 2 januari 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eiseres.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.M. van Veelen en mr. T.M. Weeda, leden, in aanwezigheid van mr.K.I. Legendal-Moesker, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Vreemdelingenwet 2000.


Algemene wet bestuursrecht.


Na de val van het regime van Assad in december 2024.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie onder meer de uitspraak van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2529.


Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake
normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).


The Syrian Observatory for Human Rights, raadpleegbaar via: https://www.syriahr.com/en/.


Raadpleegbaar via: https://www.opendoors.nl/ranglijst/syrie/.


Hay'at Tahrir al-Sham.


Algemeen Ambtbericht.


Zie pagina 97 van het AAB van mei 2025.


Zie pagina 98 van het AAB van mei 2025.


Zie pagina 89 van het AAB van mei 2025.


Zie pagina 89 van het AAB van mei 2025.


Zie pagina 91 en de pagina’s 98-103 van het AAB van januari 2026.


Zie pagina 99 van het AAB van januari 2026.


Zie pagina 100 van het AAB van januari 2026.


European Union Agency for Asylum.


Het rapport “Country Guidance: Syria” van de EUAA van 2 december 2025, pagina 46, raadpleegbaar via https://www.euaa.europa.eu/publications/country-guidance-syria-3.


Zie pagina 107 van het AAB van mei 2025.


Zie pagina 16 van het AAB van mei 2025.


Zie de pagina’s 49 tot en met 51.


ECLI:NL:RVS:2025:23822.


Bijlage bij de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 10 juni 2025, Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3435.


Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vc.


Zie het rapport “Syria Country Focus, European Union Agency for Asylum” van de EUAA van maart 2025, pagina’s 102, 103 en 110.


Zie de Country of Origin Query Syria van 1 oktober 2025.


Zie het “COI Query Syria Major human rights, security, and socio-economic development” van de EUAA, pagina’s 19-24.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2025:3153.


De Islamitische Staat van Irak en Syrië.


ACLED registreerde in 2025 44% minder geweldsincidenten in vergelijking met de eerste 11 maanden van 2024.


Vanaf september 2025 daalde het dodelijk geweld tot ongeveer een derde van het niveau van de voorafgaande negen maanden.


Raadpleegbaar via:https://www.syriaweekly.com/p/syria-data-update-april-7-14-2026.


Raadpleegbaar via:https://www.syriaweekly.com/p/syria-data-update-april-14-28-2026.


Syrische Democratische Strijdkrachten.


In de periode van 1 juni 2025 tot 26 september 2025 ten opzichte van de periode van 9 december 2024 tot 31 mei 2025 is het aantal geweldincidenten afgenomen van 1048 (gemiddeld 42,4 per week) naar 187 (gemiddeld 10,8 per week). In diezelfde periode is het aantal burgerslachtoffers afgenomen van 444 (9 slachtoffers per 100.000 inwoners) naar 21 (minder dan 1 per 100.000 inwoners).


Zie onder meer pagina 33 van het AAB van januari 2026 en de website van het Rode Kruis: https://www.icrc.org/en/statement/international-mine-awareness-day-addressing-threat-explosive-ordnance-syria.


Zie de pagina’s 36, 90 en 138 van het AAB van januari 2026.


Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 10 juni 2025, Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3435, raadpleegbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/06/10/tk-landenbeleid-syrie.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


Verweerder verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van 10 juni 2021, in de zaak CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, punt 28 en van 17 februari 2009, in de zaak Elgafaji, ECLI:EU:C:2009:94, punten 35, 43 en 45.


ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.


Arrest van het Hof van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.


Punten 40 en 41.


Punt 42.


ECLI:NL:RVS:2024:2927.


Zie de brief van de Minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025/2 en de verwerking daarvan in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).


ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, rechtsoverwegingen 9 tot en met 9.2.


Zie de opsomming in punt 43, gelezen in samenhang met de punten 56 en 59 van de conclusie van de advocaat-generaal waarnaar in dat punt wordt verwezen, van het arrest CF en DN.


Zie punt 28 van het arrest CF en DN en de begripsbepaling van ‘subsidiaire bescherming’ in artikel 2, onderdeel f, van de Kwalificatierichtlijn.


Zie pagina 38.


Dit maakt de rechtbank op uit de toelichting in de 15C-bijlage bij de cijfers over de aantallen doden, gewonden en ontheemden in de regio’s ‘Hama’ en ‘Daraa, Quneitra, Suweida Tartous, Latakia’ (pagina’s 2 en 6).


Zie de pagina’s 76 tot en met 78.


Zoals omschreven in de rechtsoverwegingen 16 tot en met 16.4 van deze uitspraak.


Zie pagina 74 van het AAB van januari 2026.


Zie de pagina’s 78 en 79 van het AAB van januari 2026.


Zie pagina 80 van het AAB van januari 2026.


Zie pagina 80 van het AAB van januari 2026.


Zie punt 42 van het eerdergenoemde arrest X en Y, de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927 en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc.


Eiseres voert aan dat zij is geopereerd aan een goedaardige tumor bij haar ruggenwervel, blijvende rug- en pijnproblematiek heeft waarvoor TENS en medicatie worden gebruikt, ernstige gonartrose met invaliderende pijn en functionele beperkingen heeft en dat er een totale knieprothese is gepland met noodzakelijke revalidatie.