Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24348

2026-08-26 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/09/707749 KG ZA 26-699
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/707749 KG ZA 26-699
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding; conservatoir beslag op en/of rekening; voor de vraag of een derde zich kan verhalen op het saldo van de en/of rekening is de interne relatie van de rekeninghouders beslissend. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de aanspraken van ieder van de rekeninghouders bestaat geen aanleiding voor opheffing van het beslag.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.172 tekens)
RECHTBANK Den Haag


Team handel - voorzieningenrechter



Zaaknummer: C/09/707749 / KG ZA 26-699




Vonnis in kort geding van 26 augustus 2026




in de zaak van





[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J. Thiele,



tegen




MR. ADRIAAN TJAKKE DE PUTTER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V.), te Ede,
gedaagde,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. R. Davans.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 juli 2026, met producties en aanvullende productie.
- de conclusie van antwoord, met producties.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026, in aanwezigheid van [naam] (hierna: [naam] ), de beslagene, zodat materieel is voldaan aan het vereiste van artikel 705 lid 3 in verbinding met 438 lid 6 Rv dat de beslagene van het opheffingskortgeding op de hoogte moet zijn gesteld. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier. Ter zitting heeft [eiseres] het gevorderde met betrekking tot Bankrekening 3 (de vorderingen 3 en 4) ingetrokken.



1.3.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zaak aangehouden tot 8 augustus 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. Bij bericht van 10 en 11 augustus 2026 hebben partijen de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen. Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.






2De feiten


2.1.

[eiseres] is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [naam] .


2.2.

[naam] is bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ).



2.3.
Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 2 april 2024 is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator als zodanig.



2.4.
De curator heeft het boedeltekort in het faillissement becijferd op ten minste € 1.083.315,78. De curator heeft [naam] aansprakelijk gesteld voor het volledige faillissementstekort op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad.



2.5.
Op 27 maart 2026 heeft de curator met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van [naam] conservatoir derdenbeslag gelegd onder Rabobank. Dit beslag strekt tot zekerheid van verhaal van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid.



2.6.
Bij brief van 13 april 2026 heeft Rabobank aan de curator meegedeeld dat er ten tijde van de beslaglegging tussen Rabobank en [naam] rechtsverhoudingen bestonden uit hoofde waarvan [naam] iets van Rabobank te vorderen had of kon krijgen. Rabobank heeft daarbij melding gemaakt van drie en/of-rekeningen op naam van [eiseres] en/of [naam] . Dit gaat om de volgende bankrekeningen met daarop de volgende saldo’s:



[bankrekening 1] (TijdslotSparen): € 50.929,96 (hierna: bankrekening 1)



[bankrekening 2] (Spaarrekening): €79.072,79 (hierna: bankrekening 2)



[bankrekening 3] (betaalrekening): € 3.909,39 (hierna: bankrekening 3).





2.7.
Bij brief van 29 april 2026 heeft de advocaat van [naam] de curator verzocht om het beslag op te heffen. Aan dit verzoek heeft hij, onder overlegging van de huwelijkse voorwaarden en bankafschriften, ten grondslag gelegd dat het beslag is gelegd op het vermogen van [eiseres] en niet op dat van [naam] . Bij e-mail van 4 mei 2026 heeft de curator dit verzoek afgewezen.



2.8.
Op 30 april 2026 heeft de curator de eis in de hoofdzaak tegen [naam] aanhangig gemaakt.






3Het geschil


3.1.

Na vermindering van eis vordert [eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
1. opheffing van de ten laste van [eiseres] gelegde beslagen op de bankrekening 1 tot een bedrag van € 79.072,79 en bankrekening 2 tot een bedrag van € 50.929,96, dan wel tot door de voorzieningenrechter te bepalen bedragen;
2. de curator te veroordelen mededeling te doen van de opheffing van de beslagen, voor zover dit is toegewezen;
met veroordeling van curator in de proceskosten.




3.2.


[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

[eiseres] is geen partij in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. Zij heeft geen schulden aan de faillissementsboedel en zij staat in geen enkele juridische of economische betrekking tot [bedrijfsnaam] . Het saldo op de beslagen bankrekeningen betreft het privévermogen van [eiseres] , omdat uit de bijschrijvingen op en het verloop van die rekeningen blijkt dat saldo niet of slechts zeer beperkt aan [naam] toe te rekenen is. [eiseres] heeft de bankrekening uitsluitend voor een praktisch doel omgezet in en/of-rekeningen, namelijk om mogelijk te maken dat [naam] in haar afwezigheid betalingen kan verrichten. Het saldo kan dus niet of slechts zeer beperkt ten behoeve van de crediteuren worden uitgewonnen. Aangezien [eiseres] wegens gezondheidsproblemen niet meer werkt en zij voor haar inkomen is aangewezen op haar spaarrekeningen, heeft zij bij haar vordering tot gedeeltelijke opheffing van de beslagen een groot (spoedeisend) belang.




3.3.
De curator voert verweer. De curator concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.



4.2.
Iedere belanghebbende kan opheffing van een beslag vorderen, dus ook een andere partij, dan de partij ten laste van wie het beslag is gelegd. De curator heeft de vordering van [eiseres] ook zo begrepen, zodat de voorzieningenrechter geen acht zal slaan op zijn verweer dat de vordering feitelijke grondslag mist, omdat er geen beslag ten laste van [eiseres] is gelegd.



4.3.
Op grond van artikel 3:276 BW mag een schuldeiser zich verhalen op het gehele vermogen van zijn schuldenaar. De curator heeft voor de vordering op [naam] conservatoir derdenbeslag gelegd op drie en/of-rekeningen op naam van [eiseres] en [naam] . In dit kort geding gaat het erom of het saldo op bankrekening 1 en 2 uitwinbaar is voor de vordering van de boedel van de gefailleerde vennootschap. Indien aannemelijk is dat het saldo op die bankrekeningen niet tot het vermogen van [naam] behoort, dan biedt dat saldo geen verhaal voor de vordering van de curator en moet het beslag worden opgeheven.



4.4.
Bij een en/of-rekening zijn beide rekeninghouders bij een positief saldo ten opzichte van de bank gerechtigd tot dat saldo. Hoewel er (literatuur en) jurisprudentie is die de andere kant op lijkt te wijzen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de rechtspositie ten opzichte van de bank niet beslissend voor de vraag wie de rechthebbende is op dat saldo en of (c.q. in hoeverre) schuldeisers van één van de rekeninghouders zich op dat saldo kunnen verhalen. Het kan zijn zo zijn dat de vordering op de bank gemeenschappelijk is, maar het kan ook zo zijn dat in de interne relatie van de rekeninghouders slechts één van hen rechthebbende is. In dat laatste geval bestaat er geen gemeenschappelijk vorderingsrecht op de bank. Op grond van artikel 6:16 BW kan de bank – ongeacht de interne relatie van de rekeninghouders – aan beide rekeninghouders bevrijdend betalen. Deze bepaling creëert een verbintenisrechtelijke relatie tussen de rekeninghouders en de bank, maar is niet van invloed op de goederenrechtelijke aanspraken van de rekeninghouders onderling op het saldo. Voor de vraag of een derde zich kan verhalen op het saldo, is de interne relatie van de rekeninghouders beslissend. Dat [naam] jegens de bank het gehele saldo kan vorderen, is dus niet doorslaggevend voor de vraag of en zo ja welk deel van dat saldo tot zijn (verhaals)vermogen behoort.



4.5.
Het feit dat bankrekeningen zijn opgenomen in de aangifte Inkomstenbelasting 2024 van [naam] is evenmin doorslaggevend. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat [naam] en zij fiscale partners zijn. Fiscaal partnerschap zegt niets over de gerechtigdheid tot het saldo op de opgegeven bankrekeningen en betekent ook niet dat er gemeenschap van goederen is ontstaan.



4.6.
Voor beantwoording van de vraag of het saldo op bankrekening 1 en/of 2 tot het vermogen van [naam] behoort is nader onderzoek nodig naar de afspraken tussen [eiseres] en [naam] en/of de mate waarin ieder van hen de en/of rekening heeft ‘gevoed’. Dit kort geding leent zich daarvoor niet. Voor dit onderzoek is een bodemprocedure aangewezen. De stellingen van [eiseres] en de door haar overgelegde kasstroomanalyse zijn niet dermate overtuigend dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is dat [naam] in zo marginale mate aanspraak kan maken op het saldo als [eiseres] aanvoert. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de aanspraken van ieder van de rekeninghouders bestaat geen grond voor (al dan niet gedeeltelijke) opheffing van het beslag. Dit kan alleen anders worden indien partijen overeenstemming bereiken over door [eiseres] te stellen vervangende zekerheid of [eiseres] en [naam] de curator alsnog weten te overtuigen van de mate waarin [naam] tot de saldo’s gerechtigd is.



4.7.
Zoals ter zitting aan de orde is gekomen, zal de bodemprocedure tussen de curator en [naam] geen uitsluitsel bieden over de verhaalsmogelijkheden van de curator. Bij een toewijzend vonnis kan de curator zich dus niet zonder meer verhalen op het gehele saldo van de beslagen bankrekeningen. Ter voorkoming van executiegeschillen doen partijen er daarom goed aan om (proces)afspraken te maken over op welke wijze kan worden vastgesteld of, en zo ja voor welk deel, het saldo op de beslagen bankrekeningen toebehoort aan [naam] .



4.8.
De slotsom is dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:










- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.707,00











4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:




5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;



5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

WJ









Zie onder meer Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:204, Parket bij de Hoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX5636, Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6525, Rechtbank Amsterdam 1 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2982.