Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24338
2026-09-07
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25_200
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst. Eiseres voldoet niet aan leeftijdsvoorwaarde. Niet is gebleken dat toepassing van die voowaarde onredelijk bezwarend uitpakt. Geen discrimintatie.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2026:359 Centrale Raad van Beroep 09-04-2026
- ECLI:NL:CRVB:2026:765 Centrale Raad van Beroep 11-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.290 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/200
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigden: mr. K. Verbeek en mr. S. Venema van de Sociale Verzekeringsbank).
Inleiding
Bij besluit van 6 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH) afgewezen.
Bij besluit van 28 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar dochter [naam] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1.1.
Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1948, heeft op 21 april 2013 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend. Op deze aanvraag heeft zij vermeld dat zij van 30 november 1963 tot en met 31 juli 1965 in Suriname, in de periode van 1 augustus 1965 tot en met 6 maart 1976 in Nederland en van 7 maart 1976 tot en met 5 februari 1979 in Suriname heeft gewoond en dat zij vanaf 6 februari 1979 zij weer in Nederland woont.
1.2.
Bij besluit van 29 april 2013 heeft verweerder aan eiseres per 30 november 2013 een AOW-pensioen toegekend. Bij besluit van 17 maart 2023 heeft verweerder AOW-uitkering per september 2023 aangepast in de vorm van een korting van 8% omdat eiseres in de perioden van 30 november 1963 tot en met 31 juli 1965 en van 7 maart 1976 tot en met 5 februari 1979 geen AOW heeft opgebouwd.
2. Eiseres heeft op 31 augustus 2024 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat eiseres op 1 augustus 1965 in Nederland is komen wonen en dat zij op dat moment nog geen 18 jaar of ouder was. Daarmee voldoet zij niet aan één van de voorwaarden om in aanmerking te komen van de tegemoetkoming op grond van het TBSH.
4. Eiseres voert aan dat verweerder het 18-jaars criterium verkeerd toepast. Zij heeft er op gewezen dat zij op 16 jarige leeftijd actief door de Nederlandse staat is geworven om in de zorg te werken. Zij heeft toen twee jaar in Nederland gestudeerd en gewerkt. Zij heeft zich in deze periode niet uitgeschreven in Suriname. In 1967, op 18-jarige leeftijd, is zij teruggegaan naar Suriname en heeft zich daar, in verband met haar aanstaande huwelijk, ingeschreven. In 1968, als volwassene van 19 jaar, heeft zij vervolgens de bewuste beslissing gemaakt om zich duurzaam in Nederland te vestigen. Daarom heeft zij zich op 11 maart 1968, 19 jaar oud, uitgeschreven uit de bevolkingsadministratie van Suriname. Deze datum blijkt ook uit haar paspoort. Omdat zij toen als 19-jarige de bewuste keuze maakte om zich in Nederland te vestigen voldoet zij aan de voorwaarden van het TBSH.
Haar verblijf in Nederland in de periode 1965-1967 is volgens eiseres niet relevant voor toepassing van het TBSH nu het daarin ging om stage/studie en geen relatie heeft met een domiciliekeuze in verband met de Toescheidingsovereenkomst.
5. Ingevolge artikel 3 van het TBSH heeft een persoon recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 9 april 2026 heeft geoordeeld dat de leeftijdsvoorwaarde, als bedoeld in voornoemde bepaling, dwingendrechtelijk is geformuleerd. Bij toetsing van zo’n dwingendrechtelijke bepaling past een zeer terughoudende rechterlijke toetsing. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 11 juni 2026 geoordeeld dat de regelgever, door te bepalen dat de leeftijd van 18 jaar een moment is waarop iemand welbewust de keuze voor Nederland of Suriname kan maken, een objectieve maatstaf heeft aangelegd die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst en dat de keuze voor deze leeftijdsvoorwaarde de genoemde zeer terughoudende rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan.
6.2.
Vast staat dat eiseres op 31 juli 1965 naar Nederland is gekomen. Eiseres was op dat moment geen 18 jaar oud. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden om voor het eenmalig bedrag op grond van de TBSH in aanmerking te komen.
6.3.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in de situatie van eiseres onredelijk bezwarend uitpakt. De omstandigheid dat eiseres destijds in 1965 uitsluitend naar Nederland is gekomen voor het volgen van een leeropleiding in de zorg en dat de werkgever haar toen heeft ingeschreven in Nederland maakt niet dat er sprake is van een zodanige bijzondere omstandigheid dat moet worden afgeweken van de gestelde leeftijdsvoorwaarde. Ook de omstandigheid dat eiseres geconfronteerd wordt met een pensioengat vanwege niet verzekerde perioden maakt niet dat zij zich onderscheidt van andere aanvragers van de TBSH-tegemoetkoming.
7.1.
Eiseres voert voorts aan dat de afwijzing van haar aanvraag in strijd is met artikel 1 van de Grondwet wegens discriminatie op leeftijd en dat het leeftijdscriterium geen enkel relevantie heeft voor het te beschermen belang. Uit het verslag van het kamerdebat van 29 juni 2023 over het TBSH blijkt dat de enige reden om de 18-jaarsgrens te hanteren is gelegen in de juridische risico’s en niet om een gebaar van erkenning te maken. Volgens eiseres is er geen enkel materieel verschil tussen haar situatie en de personen die wel compensatie kregen. De Grondwet kent geen uitzonderingsparagraaf.
7.2.
De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Doel van het TBSH is om als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toe te kennen. Daarvoor zijn criteria opgenomen in het TBSH die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming. Dit is een politiek bestuurlijke afweging. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die daar niet aan voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Van discriminatie is geen sprake.
8.1.
Eiseres voert voorts aan dat de afwijzing op grond van handelingsonbekwaamheid in verband met de leeftijd tot het vermoeden leidt dat de Nederlandse Staat in 1965 handelde in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (verbod op mensenhandel). De Nederlandse staat heeft in de jaren ’60 willens en wetens minderjarigen geworven voor werk in Nederland, terwijl de Staat wist of had moeten weten dat deze niet in staat waren de eigen wil te bepalen. Dit leidt tot de conclusie dat de Nederlandse Staat zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van minderjarigen.
8.2.
In deze procedure staat uitsluitend ter toetsing het bestreden besluit. Het betoog van eiseres gaat buiten de omvang van het bestreden besluit en kan reeds daarom naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Indien, zoals eiseres stelt, de Nederlandse Staat zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, kan zij hiervoor aangifte doen dan wel mogelijk een procedure te starten bij de civiele rechter.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor de eenmalige tegemoetkoming op grond van het TBSH heeft afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2026:359
ECLI:NL:CRVB:2026:765
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/200
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigden: mr. K. Verbeek en mr. S. Venema van de Sociale Verzekeringsbank).
Inleiding
Bij besluit van 6 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de vorm van een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (TBSH) afgewezen.
Bij besluit van 28 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar dochter [naam] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1.1.
Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1948, heeft op 21 april 2013 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend. Op deze aanvraag heeft zij vermeld dat zij van 30 november 1963 tot en met 31 juli 1965 in Suriname, in de periode van 1 augustus 1965 tot en met 6 maart 1976 in Nederland en van 7 maart 1976 tot en met 5 februari 1979 in Suriname heeft gewoond en dat zij vanaf 6 februari 1979 zij weer in Nederland woont.
1.2.
Bij besluit van 29 april 2013 heeft verweerder aan eiseres per 30 november 2013 een AOW-pensioen toegekend. Bij besluit van 17 maart 2023 heeft verweerder AOW-uitkering per september 2023 aangepast in de vorm van een korting van 8% omdat eiseres in de perioden van 30 november 1963 tot en met 31 juli 1965 en van 7 maart 1976 tot en met 5 februari 1979 geen AOW heeft opgebouwd.
2. Eiseres heeft op 31 augustus 2024 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van het TBSH. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat eiseres op 1 augustus 1965 in Nederland is komen wonen en dat zij op dat moment nog geen 18 jaar of ouder was. Daarmee voldoet zij niet aan één van de voorwaarden om in aanmerking te komen van de tegemoetkoming op grond van het TBSH.
4. Eiseres voert aan dat verweerder het 18-jaars criterium verkeerd toepast. Zij heeft er op gewezen dat zij op 16 jarige leeftijd actief door de Nederlandse staat is geworven om in de zorg te werken. Zij heeft toen twee jaar in Nederland gestudeerd en gewerkt. Zij heeft zich in deze periode niet uitgeschreven in Suriname. In 1967, op 18-jarige leeftijd, is zij teruggegaan naar Suriname en heeft zich daar, in verband met haar aanstaande huwelijk, ingeschreven. In 1968, als volwassene van 19 jaar, heeft zij vervolgens de bewuste beslissing gemaakt om zich duurzaam in Nederland te vestigen. Daarom heeft zij zich op 11 maart 1968, 19 jaar oud, uitgeschreven uit de bevolkingsadministratie van Suriname. Deze datum blijkt ook uit haar paspoort. Omdat zij toen als 19-jarige de bewuste keuze maakte om zich in Nederland te vestigen voldoet zij aan de voorwaarden van het TBSH.
Haar verblijf in Nederland in de periode 1965-1967 is volgens eiseres niet relevant voor toepassing van het TBSH nu het daarin ging om stage/studie en geen relatie heeft met een domiciliekeuze in verband met de Toescheidingsovereenkomst.
5. Ingevolge artikel 3 van het TBSH heeft een persoon recht op een eenmalig bedrag, indien deze:
uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst;
voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde;
ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en
op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft gewoond.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 9 april 2026 heeft geoordeeld dat de leeftijdsvoorwaarde, als bedoeld in voornoemde bepaling, dwingendrechtelijk is geformuleerd. Bij toetsing van zo’n dwingendrechtelijke bepaling past een zeer terughoudende rechterlijke toetsing. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 11 juni 2026 geoordeeld dat de regelgever, door te bepalen dat de leeftijd van 18 jaar een moment is waarop iemand welbewust de keuze voor Nederland of Suriname kan maken, een objectieve maatstaf heeft aangelegd die aansluit bij de Toescheidingsovereenkomst en dat de keuze voor deze leeftijdsvoorwaarde de genoemde zeer terughoudende rechterlijke toetsing aan het evenredigheidsbeginsel kan doorstaan.
6.2.
Vast staat dat eiseres op 31 juli 1965 naar Nederland is gekomen. Eiseres was op dat moment geen 18 jaar oud. Daarmee voldoet zij niet aan de voorwaarden om voor het eenmalig bedrag op grond van de TBSH in aanmerking te komen.
6.3.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de toepassing van de leeftijdsvoorwaarde in de situatie van eiseres onredelijk bezwarend uitpakt. De omstandigheid dat eiseres destijds in 1965 uitsluitend naar Nederland is gekomen voor het volgen van een leeropleiding in de zorg en dat de werkgever haar toen heeft ingeschreven in Nederland maakt niet dat er sprake is van een zodanige bijzondere omstandigheid dat moet worden afgeweken van de gestelde leeftijdsvoorwaarde. Ook de omstandigheid dat eiseres geconfronteerd wordt met een pensioengat vanwege niet verzekerde perioden maakt niet dat zij zich onderscheidt van andere aanvragers van de TBSH-tegemoetkoming.
7.1.
Eiseres voert voorts aan dat de afwijzing van haar aanvraag in strijd is met artikel 1 van de Grondwet wegens discriminatie op leeftijd en dat het leeftijdscriterium geen enkel relevantie heeft voor het te beschermen belang. Uit het verslag van het kamerdebat van 29 juni 2023 over het TBSH blijkt dat de enige reden om de 18-jaarsgrens te hanteren is gelegen in de juridische risico’s en niet om een gebaar van erkenning te maken. Volgens eiseres is er geen enkel materieel verschil tussen haar situatie en de personen die wel compensatie kregen. De Grondwet kent geen uitzonderingsparagraaf.
7.2.
De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Doel van het TBSH is om als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toe te kennen. Daarvoor zijn criteria opgenomen in het TBSH die de grens bepalen tussen personen die wel, en personen die geen aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming. Dit is een politiek bestuurlijke afweging. Aan de leeftijdsvoorwaarde is onlosmakelijk verbonden dat degene die daar niet aan voldoet, niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Van discriminatie is geen sprake.
8.1.
Eiseres voert voorts aan dat de afwijzing op grond van handelingsonbekwaamheid in verband met de leeftijd tot het vermoeden leidt dat de Nederlandse Staat in 1965 handelde in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (verbod op mensenhandel). De Nederlandse staat heeft in de jaren ’60 willens en wetens minderjarigen geworven voor werk in Nederland, terwijl de Staat wist of had moeten weten dat deze niet in staat waren de eigen wil te bepalen. Dit leidt tot de conclusie dat de Nederlandse Staat zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van minderjarigen.
8.2.
In deze procedure staat uitsluitend ter toetsing het bestreden besluit. Het betoog van eiseres gaat buiten de omvang van het bestreden besluit en kan reeds daarom naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Indien, zoals eiseres stelt, de Nederlandse Staat zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, kan zij hiervoor aangifte doen dan wel mogelijk een procedure te starten bij de civiele rechter.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor de eenmalige tegemoetkoming op grond van het TBSH heeft afgewezen.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2026:359
ECLI:NL:CRVB:2026:765