Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24336
2026-08-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.60642 en NL25.60643
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de intrekking van verblijfsvergunning voor verblijf bij ex-partner en verzoek om voorlopige voorziening (vovo), beroep ongegrond, vovo niet-ontvankelijk. Daadwerkelijk huwelijksleven – artikel 8 EVRM – hoorplicht.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2019:974 Raad van State 28-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:974 Raad van State 28-03-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.328 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60642 en NL25.60643
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T.Y. Tsang),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning met het besluit van 16 april 2025 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser R. Sarican en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn ex-partner, [referente] (referente).
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag ingetrokken, omdat op 2 november 2022 een meldingsformulier is ontvangen waaruit blijkt dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken. Naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen van AVIM en de hoorzitting is geconcludeerd dat eiser en referente na de melding niet als huwelijkspartners samenleven en er daarom geen sprake is van een werkelijk huwelijksleven. De intrekking is ook niet in strijd met eisers recht op familieleven, omdat er tussen eiser en referente en eiser en referentes zoon geen sprake is van beschermenswaardig familieleven. Verder is de intrekking niet in strijd met eisers recht op privéleven, omdat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiser. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om eiser te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Ten tweede is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat verweerder vrijwel volledig heeft voortgebouwd op het AVIM-rapport. Ten slotte heeft verweerder artikel 8 van het EVRM onvoldoende gewogen. Tijdens de zitting is verduidelijkt dat verweerder volgens eiser niet alle belangen heeft gewogen omdat de tijd die eiser in Nederland heeft verbleven niet is betrokken in de belangenafweging van zijn privéleven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Daadwerkelijk huwelijksleven
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er tussen eiser en referente geen sprake was van een daadwerkelijk huwelijksleven. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat op 2 november 2022 een meldingsformulier is ontvangen, inhoudende dat de gezinsband was verbroken. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van AVIM niet dat eiser en referente als werkelijke huwelijkspartners samenleefden. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen, omdat het op ambtseed is opgemaakt en is ondertekend. Uit de bevindingen blijkt dat referente niet wist waar eiser werkte, slechts een poststuk gericht aan zijn BRP adres kon tonen, geen gezamenlijke rekening had, alle lasten droeg, niet samen met eiser in een kamer sliep, niet gezamenlijk met eiser at, en behalve een paar schoenen geen kleding van eiser kon tonen. Verder hebben eiser en referente tijdens de hoorzitting na het voornemen wisselend verklaard over de dag van hun huwelijk, de broers en zussen van eiser, het sporten van eiser, de plek waar eiser sliep, de zoon van referente, en de activiteiten van het weekend. De stellingen van eiser dat de verklaringen van de zoon weinig waarde moeten hebben en dat dat referente verwarrend heeft verklaard en moe was en dat er bij eiser en referente sprake was van stress en emoties, leiden niet tot een andere conclusie.
Artikel 8 van het EVRM
6. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat er bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een schending van eisers recht op gezinsleven. Hierbij is van belang dat er, zoals eerder is overwogen, geen sprake is van daadwerkelijk huwelijksleven tussen eiser en referente.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een schending van eisers recht op privéleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante omstandigheden en belangen van eiser kenbaar afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Zo heeft verweerder het economische belang van de Nederlandse overheid zwaar mogen laten wegen. Ook heeft verweerder geen doorslaggevende waarde hoeven hechten aan het feit dat eiser werkt. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser meer banden heeft met Egypte dan met Nederland. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de duur van zijn verblijf in Nederland niet heeft meegewogen. Verweerder heeft namelijk betrokken dat eiser sinds 2022 met een verblijfsvergunning in Nederland woont.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat van schending van de hoorplicht in bezwaar geen sprake is. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Eiser heeft, zoals de rechtbank al heeft overwogen, de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente niet aannemelijk gemaakt. De bezwaargronden bevatten enkel een herhaling van wat eiser bij de aanvraag heeft aangevoerd. Er zijn geen verdere onderbouwende stukken aangeleverd. Ten slotte heeft eiser ook niet aangevoerd wat hij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat het besluit anders had kunnen maken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60642 en NL25.60643
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T.Y. Tsang),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning met het besluit van 16 april 2025 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 14 november 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser R. Sarican en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn ex-partner, [referente] (referente).
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag ingetrokken, omdat op 2 november 2022 een meldingsformulier is ontvangen waaruit blijkt dat de gezinsband tussen eiser en referente is verbroken. Naar aanleiding van het proces-verbaal van bevindingen van AVIM en de hoorzitting is geconcludeerd dat eiser en referente na de melding niet als huwelijkspartners samenleven en er daarom geen sprake is van een werkelijk huwelijksleven. De intrekking is ook niet in strijd met eisers recht op familieleven, omdat er tussen eiser en referente en eiser en referentes zoon geen sprake is van beschermenswaardig familieleven. Verder is de intrekking niet in strijd met eisers recht op privéleven, omdat de belangenafweging uitvalt in het nadeel van eiser. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om eiser te horen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar. Ten tweede is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, omdat verweerder vrijwel volledig heeft voortgebouwd op het AVIM-rapport. Ten slotte heeft verweerder artikel 8 van het EVRM onvoldoende gewogen. Tijdens de zitting is verduidelijkt dat verweerder volgens eiser niet alle belangen heeft gewogen omdat de tijd die eiser in Nederland heeft verbleven niet is betrokken in de belangenafweging van zijn privéleven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Daadwerkelijk huwelijksleven
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat er tussen eiser en referente geen sprake was van een daadwerkelijk huwelijksleven. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat op 2 november 2022 een meldingsformulier is ontvangen, inhoudende dat de gezinsband was verbroken. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van AVIM niet dat eiser en referente als werkelijke huwelijkspartners samenleefden. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen, omdat het op ambtseed is opgemaakt en is ondertekend. Uit de bevindingen blijkt dat referente niet wist waar eiser werkte, slechts een poststuk gericht aan zijn BRP adres kon tonen, geen gezamenlijke rekening had, alle lasten droeg, niet samen met eiser in een kamer sliep, niet gezamenlijk met eiser at, en behalve een paar schoenen geen kleding van eiser kon tonen. Verder hebben eiser en referente tijdens de hoorzitting na het voornemen wisselend verklaard over de dag van hun huwelijk, de broers en zussen van eiser, het sporten van eiser, de plek waar eiser sliep, de zoon van referente, en de activiteiten van het weekend. De stellingen van eiser dat de verklaringen van de zoon weinig waarde moeten hebben en dat dat referente verwarrend heeft verklaard en moe was en dat er bij eiser en referente sprake was van stress en emoties, leiden niet tot een andere conclusie.
Artikel 8 van het EVRM
6. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de hoogste bestuursrechter volgt dat er bij aanvragen op grond van artikel 8 van het EVRM een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een schending van eisers recht op gezinsleven. Hierbij is van belang dat er, zoals eerder is overwogen, geen sprake is van daadwerkelijk huwelijksleven tussen eiser en referente.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een schending van eisers recht op privéleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante omstandigheden en belangen van eiser kenbaar afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Zo heeft verweerder het economische belang van de Nederlandse overheid zwaar mogen laten wegen. Ook heeft verweerder geen doorslaggevende waarde hoeven hechten aan het feit dat eiser werkt. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat eiser meer banden heeft met Egypte dan met Nederland. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de duur van zijn verblijf in Nederland niet heeft meegewogen. Verweerder heeft namelijk betrokken dat eiser sinds 2022 met een verblijfsvergunning in Nederland woont.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat van schending van de hoorplicht in bezwaar geen sprake is. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verweerder heeft zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een dergelijke twijfel geen sprake was. Eiser heeft, zoals de rechtbank al heeft overwogen, de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente niet aannemelijk gemaakt. De bezwaargronden bevatten enkel een herhaling van wat eiser bij de aanvraag heeft aangevoerd. Er zijn geen verdere onderbouwende stukken aangeleverd. Ten slotte heeft eiser ook niet aangevoerd wat hij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat het besluit anders had kunnen maken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.