Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24330
2026-08-27
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.46253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tweede vervolgberoep buiten zitting; art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000; zicht op uitzetting naar Tunesië; voldoende voortvarend; art. 64 Vw 2000-aanvraag, in afwachting van BMA-advies; ongegrond.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21836 Rechtbank Den Haag 06-07-2026
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:NL:RVS:2026:329 Raad van State 23-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.158 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46253
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 22 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 6 juli 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 juli 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 31 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 28 juli 2026, rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend en ontbreekt zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet langer rechtmatig is, omdat de minister onvoldoende voortvarend handelt en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hiertoe voert eiser aan dat de reeds geplande afspraken bij zijn cardioloog bij het Radboud UMC en psycholoog bij IrisZorg door de inbewaringstelling zijn onderbroken. Hoewel aan hem is meegedeeld dat zijn cardiologische behandeling zou worden overgenomen door het Erasmus MC, heeft nog geen consult plaatsgevonden en is niet duidelijk wanneer dit zal gebeuren. Hierdoor bestaat volgens eiser geen duidelijkheid over zijn diagnose, de noodzakelijke medische behandeling, de arts die deze behandeling daadwerkelijk zal uitvoeren en de informatie die nodig is voor een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Volgens eiser ontbreekt daarmee een concreet perspectief op de voortgang van het uitzettingstraject. Eiser stelt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet is bedoeld om gedurende onbepaalde tijd medisch onderzoek af te wachten of medische diagnostiek en behandeling te organiseren. Nu niet inzichtelijk is gemaakt binnen welke concrete termijn de noodzakelijke medische duidelijkheid kan worden verkregen en vervolgens tot uitzetting kan worden overgegaan, kan volgens eiser niet worden aangenomen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat naar aanleiding van de door eiser ingediende artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag opnieuw wordt beoordeeld of uitzetting gelet op zijn gezondheidstoestand verantwoord is. Dat eiser nog oproepen ontvangt voor afspraken door zijn behandelaar in het Radboud UMC, roept mogelijk vragen op bij eiser, maar daaruit volgt niet dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. Uit de overgelegde verwijsbrief blijkt dat voor eiser op 18 september 2026 een afspraak bij het Erasmus MC staat gepland. Daarnaast blijkt uit de verwijsbrief dat eiser op 4 augustus 2026 nog in het detentiecentrum is gezien door de medische dienst en dat is vastgesteld dat zijn klachten op dat moment niet aan de orde waren. Dat sinds de beslissing op het vorige vervolgberoep nog geen BMA-advies is uitgebracht, rechtvaardigt niet de conclusie dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, betreft een verzoek om uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden een tijdelijk beletsel voor de uitzetting. Dit beletsel leidt niet zonder meer tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 17 augustus 2026 heeft verklaard dat hij behandeling voor zijn hartklachten ontvangt, dat zijn eerdere psychische problemen zijn verminderd en dat hij zich stabieler voelt. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de medische omstandigheden eraan in de weg staan dat het uitzettingstraject wordt voortgezet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21836.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 juli 2026, zaaknr. NL26.39628, niet gepubliceerd.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Aanvraag om uitstel van vertrek, vanwege medische redenen.
Verwijsbrief van 17 augustus 2026.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 juli 2026, zaaknr. NL26.39628, r.o. 5.1, niet gepubliceerd.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46253
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 22 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 6 juli 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 31 juli 2026.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 augustus 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 31 juli 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 28 juli 2026, rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend en ontbreekt zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet langer rechtmatig is, omdat de minister onvoldoende voortvarend handelt en zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hiertoe voert eiser aan dat de reeds geplande afspraken bij zijn cardioloog bij het Radboud UMC en psycholoog bij IrisZorg door de inbewaringstelling zijn onderbroken. Hoewel aan hem is meegedeeld dat zijn cardiologische behandeling zou worden overgenomen door het Erasmus MC, heeft nog geen consult plaatsgevonden en is niet duidelijk wanneer dit zal gebeuren. Hierdoor bestaat volgens eiser geen duidelijkheid over zijn diagnose, de noodzakelijke medische behandeling, de arts die deze behandeling daadwerkelijk zal uitvoeren en de informatie die nodig is voor een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Volgens eiser ontbreekt daarmee een concreet perspectief op de voortgang van het uitzettingstraject. Eiser stelt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet is bedoeld om gedurende onbepaalde tijd medisch onderzoek af te wachten of medische diagnostiek en behandeling te organiseren. Nu niet inzichtelijk is gemaakt binnen welke concrete termijn de noodzakelijke medische duidelijkheid kan worden verkregen en vervolgens tot uitzetting kan worden overgegaan, kan volgens eiser niet worden aangenomen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat naar aanleiding van de door eiser ingediende artikel 64 van de Vw 2000-aanvraag opnieuw wordt beoordeeld of uitzetting gelet op zijn gezondheidstoestand verantwoord is. Dat eiser nog oproepen ontvangt voor afspraken door zijn behandelaar in het Radboud UMC, roept mogelijk vragen op bij eiser, maar daaruit volgt niet dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen. Uit de overgelegde verwijsbrief blijkt dat voor eiser op 18 september 2026 een afspraak bij het Erasmus MC staat gepland. Daarnaast blijkt uit de verwijsbrief dat eiser op 4 augustus 2026 nog in het detentiecentrum is gezien door de medische dienst en dat is vastgesteld dat zijn klachten op dat moment niet aan de orde waren. Dat sinds de beslissing op het vorige vervolgberoep nog geen BMA-advies is uitgebracht, rechtvaardigt niet de conclusie dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, betreft een verzoek om uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden een tijdelijk beletsel voor de uitzetting. Dit beletsel leidt niet zonder meer tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser tijdens het vertrekgesprek van 17 augustus 2026 heeft verklaard dat hij behandeling voor zijn hartklachten ontvangt, dat zijn eerdere psychische problemen zijn verminderd en dat hij zich stabieler voelt. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de medische omstandigheden eraan in de weg staan dat het uitzettingstraject wordt voortgezet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het voortduren van de bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21836.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 juli 2026, zaaknr. NL26.39628, niet gepubliceerd.
Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
Aanvraag om uitstel van vertrek, vanwege medische redenen.
Verwijsbrief van 17 augustus 2026.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 31 juli 2026, zaaknr. NL26.39628, r.o. 5.1, niet gepubliceerd.
Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.