Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24209

2026-09-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 26/5788
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 26/5788
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo bijstand. In bezwaar dient verzoeker gedane stortingen nader onderbouwen. Echter, het belang van verzoeker weegt zwaarder dan het belang van verweerder. Toewijzing.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.946 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 26/5788


uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),


en


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Ameziane).




Procesverloop


Bij besluit van 26 juni 2026 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.



Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de voorzieningenrechter


1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.



2.1.
Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld is onder meer sprake wanneer betrokkene in acute financiële nood verkeert.



2.2.
Verzoeker voert aan dat hij en zijn partner sinds december 2025 geen bron van inkomsten hebben. Zij hebben hoge schulden opgebouwd bij de verhuurder, zorgverzekeraar en energieleverancier. Er is sprake van een huurachterstand van 5 maanden. Indien er geen betalingsregeling wordt getroffen met de verhuurder, zal zijn woning worden ontruimd. Verder dreigt het gezin afgesloten te worden van water en elektriciteit.



2.3.
De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig. Niet is gebleken dat verzoeker enige inkomsten heeft. Verder heeft verzoeker onderbouwd dat er sprake is van een betalingsachterstand bij de verhuurder en zorgverzekeraar van in totaal € 6.000,- en hij zijn woning dreigt te verliezen.

3. Verzoeker heeft op 17 april 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij tot en met 31 oktober 2025 loon heeft ontvangen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, op de grond dat verzoeker onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4. In het rapport van een medewerker van de afdeling inkomensverstrekking van de gemeente (medewerker) van 5 juni 2026 dat ten grondslag ligt aan het besluit en dat is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag, staat onder meer het volgende. Verzoeker heeft gewerkt vanaf 1 juni 2025 en zijn WW-aanvraag is afgewezen. Op het moment van de onderwerpelijke aanvraag hadden verzoeker en partner schulden bij de gemeente ter hoogte van ruim € 63.000 en ruim € 11.000. De medewerker heeft gekeken naar een ambtelijk rapport van 7 juni 2017. Volgens dat rapport hebben verzoeker en partner in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2015 vermogens- en/of inkomensbestanddelen verzwegen. Ook was destijds vastgesteld dat verzoeker en partner beschikten over een niet gemelde bankrekening in Marokko.
De medewerker stelt (nu) vast dat regelmatig geld is gestort op de bankrekening van verzoeker en partner en dat bewijs over de daadwerkelijke herkomst daarvan ontbreekt. Daarbij gaat het om de volgende stortingen: een bedrag van € 3.000,- op 21 december 2025, een bedrag van € 1.000,- op 22 december 2025 en een bedrag van € 2.000,- op 26 februari 2026. Daarnaast hebben er regelmatig bijschrijvingen op verzoekers bankrekening plaatsgevonden die afkomstig zijn van de rekening van de minderjarige zoon [minderjarige] . De herkomst van de gelden is niet duidelijk geworden. De verklaring van de meerderjarige zoon [meerderjarige 1] komt niet overeen met de overboekingen vanaf de rekening van de minderjarige zoon [minderjarige] . Voorts is er volgens verweerder geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat de buitenlandse bankrekening, waarvan het bestaan in het verleden was gebleken, is opgeheven of niet langer tot het vermogen behoort.

5. Verzoeker voert aan niet meer over een buitenlandse bankrekening te beschikken. Deze is al in 2015 opgeheven. Hij heeft na het bestreden besluit contact opgenomen met de Nederlandse vestiging van de Chaabi bank om een bevestiging hiervan te krijgen. Deze bank heeft echter schriftelijk laten weten de gevraagde informatie niet te kunnen verstrekken vanuit het Nederlandse filiaal. Voor de verkrijging van een bewijs van opheffing dient hij persoonlijk af te reizen naar de vestiging in Marokko te gaan, zo is hem mondeling medegedeeld. Hij heeft daarvoor echter niet de financiële middelen.
Wat betreft de stortingen voert verzoeker aan dat zijn zoons [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] zijn gezin financieel hebben ondersteund in de kosten van levensonderhoud. Verzoeker heeft verklaringen van deze zoons ter onderbouwing overgelegd. Over overboekingen van en naar de minderjarige zoon [minderjarige] voert verzoeker aan dat hij geld naar de bankrekening van [minderjarige] overmaakt om te voorkomen dat er geld op zijn rekening staat want dat kan dan via automatische incasso worden geïncasseerd door schuldeisers. Via de bankrekening van [minderjarige] probeert hij grip te houden op zijn financiën.



6.1.
De te beoordelen periode loopt van 17 april 2026, de datum waarop verzoeker een bijstandsaanvraag heeft ingediend, tot en met 26 juni 2026, de datum van het primaire besluit.



6.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.



Buitenlandse rekening





6.3
Behalve dat verzoeker in de jaren voor 2016 over een bankrekening in het buitenland beschikte heeft verweerder op dit moment geen aanwijzing dat verzoeker en/of zijn partner in de te beoordelen periode over zo’n bankrekening beschikt. Daarom gaat de voorzieningenrechter in deze spoedprocedure daaraan voorbij.



Stortingen en overboekingen




6.4.1.
Volgens verzoeker hebben zijn zoons [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] hem geld gegeven dat hij vervolgens heeft gestort op zijn bankrekening. Verzoeker heeft ter onderbouwing van de gedane stortingen twee verklaringen van zijn zoons [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] overgelegd waarin kort gezegd wordt verklaard dat zij hun ouders financieel ondersteunen. Met verweerder vindt de voorzieningenrechter deze verklaringen weinig specifiek en zij ondersteunen niet volledig het betoog van verzoeker. In bezwaar kan verzoeker dit nader onderbouwen.



6.4.2.
De overboekingen van en naar de bankrekening van de minderjarige zoon [minderjarige] acht de voorzieningenrechter met de verklaring van verzoeker vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt.



Belangenafweging






6.5.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het belang van verweerder is gelegen in een goede en doelmatige besteding van gemeenschapsgeld. Hiertegenover staat het belang van verzoeker en zijn gezin. Voldoende aannemelijk is dat de financiële situatie van het gezin nijpend is. Er is een huurachterstand van vijf maanden. Bij afweging van de betrokken belangen dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment het belang van verzoeker zwaarder te wegen.



Conclusie



7. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, en te bepalen dat verweerder aan verzoeker met ingang van 22 juli 2026 (de datum van ontvangst van het verzoek) een bijstandsuitkering verstrekt tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden.
Ook krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.





Beslissing


De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat verweerder verzoeker met ingang van 22 juli 2026 (de datum van het verzoek om een voorlopige voorziening) bijstand verstrekt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:CRVB:2025:364