Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24137
2026-08-11
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.30654 en NL26.30655
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublinverordening - De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. - Beroep gegrond, besluit vernietigd
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:3305 Raad van State 23-07-2025
- ECLI:EU:C:2019:218
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.602 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.30654 en NL26.30655
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.30655) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op
6 januari 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in België asiel heeft aangevraagd. België is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht geen claimverzoek indienen bij de Belgische autoriteiten, omdat eiser in België geen toegang zal krijgen tot opvangvoorzieningen. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 23 juli 2025 volgt dat verweerder niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België vanwege de structurele problemen rondom de opvang van alleenstaande mannen. Dat het Belgische Fedasil op
5 februari 2026 in een brief heeft omschreven dat er verbeteringen zijn in de situatie, maakt niet dat nu wel weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan. In eisers geval komt hier nog bij dat hij in België een herhaalde asielaanvraag zou doen en daarom geen aanspraak zal kunnen maken op de opvangvoorzieningen. Verweerder mag niet van eiser verwachten dat hij in afwachting van de eerste processtappen op straat slaapt en mag niet verwijzen naar algemene daklozenvoorzieningen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
5. In de uitspraak van 23 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder stelt dat sinds die uitspraak de situatie in België voor kwetsbare alleenstaande mannen is verbeterd, zodat hij nu wel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten hebben inmiddels weer feitelijk toegang tot een (nood)opvangplaats in België. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder gewezen op informatie van de Belgische autoriteiten. Op
5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer feitelijk opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke noodopvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang. Verweerder heeft daarnaast gewezen op de verslagen van de ‘Contactvergaderingen Internationale Bescherming,’ een terugkerende vergadering waarin Belgische overheidsinstanties, non-gouvernementele organisaties en internationale organisaties informatie uitwisselen over de ontwikkelingen rond internationale bescherming. Uit het verslag van de contactvergadering van maart 2026 blijkt dat Fedasil de inhoud van de brief van 5 februari 2026 nog eens heeft bevestigd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5.2.
Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt: op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000.
5.3.
Volgens de brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen. De verslagen van de Contactvergaderingen Internationale Bescherming van maart en mei 2026 maken dit niet anders, nu hier geen (wezenlijk) andere informatie uit blijkt dan uit de brief van Fedasil. Ook het AIDA-rapport (update 2025) schetst hetzelfde beeld als hiervoor omschreven.
5.4.
Gelet op wat onder 5.3. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu (in afwijking van de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025) te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op de voornoemde Afdelingsuitspraak had het op de weg van verweerder gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.
5.5.
Daar komt bij dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat de beschikbaarheid van (reguliere) opvangplaatsen niet de enige reden is voor het oordeel dat niet uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België. De Afdeling ziet namelijk ook tekortkomingen wat betreft de toegang tot een effectief rechtsmiddel en de houding van de Belgische autoriteiten. De rechtbank ziet ook op die punten geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Uit de Afdelingsuitspraak volgt ten eerste dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Er is immers niet gebleken dat rechterlijke uitspraken nu wel worden nagekomen of dat dwangsommen worden betaald. Dit is ook geen onderwerp van de brief van 5 februari 2026 van Fedasil. Ten tweede volgt uit de Afdelingsuitspraak dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Ook op dit punt is de rechtbank niet gebleken van een veranderde situatie. Het betoog van verweerder dat uit de afname van de omvang van de doorstroomlijst op zichzelf volgt dat er geen sprake is van onverschilligheid van de kant van de autoriteiten, slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak immers ook gewezen op het gebrek aan inzet om nieuwe opvangplekken te creëren, de ontradingscampagne die erop is gericht om asielzoekers te ontmoedigen om naar België te komen, en verschillende mogelijke oplossingen die België niet heeft ingezet om het opvangtekort tegen te gaan. Ook is hier weer van belang dat er geen informatie beschikbaar is waaruit blijkt van een veranderde houding wat betreft de naleving van rechterlijke uitspraken en het betalen van dwangsommen.
6. Gelet op het voorgaande kon verweerder niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het arrest Jawo. Ook mocht verweerder er niet van uitgaan dat er voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Verweerder mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiser.
8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2026;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen;
- veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vw 2000 (oud).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305).
Zie www.myria.be/nl/contactvergaderingen-internationale-bescherming.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.30654 en NL26.30655
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.30655) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op
6 januari 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in België asiel heeft aangevraagd. België is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht geen claimverzoek indienen bij de Belgische autoriteiten, omdat eiser in België geen toegang zal krijgen tot opvangvoorzieningen. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 23 juli 2025 volgt dat verweerder niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België vanwege de structurele problemen rondom de opvang van alleenstaande mannen. Dat het Belgische Fedasil op
5 februari 2026 in een brief heeft omschreven dat er verbeteringen zijn in de situatie, maakt niet dat nu wel weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan. In eisers geval komt hier nog bij dat hij in België een herhaalde asielaanvraag zou doen en daarom geen aanspraak zal kunnen maken op de opvangvoorzieningen. Verweerder mag niet van eiser verwachten dat hij in afwachting van de eerste processtappen op straat slaapt en mag niet verwijzen naar algemene daklozenvoorzieningen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
5. In de uitspraak van 23 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder stelt dat sinds die uitspraak de situatie in België voor kwetsbare alleenstaande mannen is verbeterd, zodat hij nu wel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten hebben inmiddels weer feitelijk toegang tot een (nood)opvangplaats in België. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder gewezen op informatie van de Belgische autoriteiten. Op
5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer feitelijk opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke noodopvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang. Verweerder heeft daarnaast gewezen op de verslagen van de ‘Contactvergaderingen Internationale Bescherming,’ een terugkerende vergadering waarin Belgische overheidsinstanties, non-gouvernementele organisaties en internationale organisaties informatie uitwisselen over de ontwikkelingen rond internationale bescherming. Uit het verslag van de contactvergadering van maart 2026 blijkt dat Fedasil de inhoud van de brief van 5 februari 2026 nog eens heeft bevestigd.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5.2.
Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt: op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000.
5.3.
Volgens de brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen. De verslagen van de Contactvergaderingen Internationale Bescherming van maart en mei 2026 maken dit niet anders, nu hier geen (wezenlijk) andere informatie uit blijkt dan uit de brief van Fedasil. Ook het AIDA-rapport (update 2025) schetst hetzelfde beeld als hiervoor omschreven.
5.4.
Gelet op wat onder 5.3. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu (in afwijking van de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025) te oordelen dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op de voornoemde Afdelingsuitspraak had het op de weg van verweerder gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment.
5.5.
Daar komt bij dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat de beschikbaarheid van (reguliere) opvangplaatsen niet de enige reden is voor het oordeel dat niet uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België. De Afdeling ziet namelijk ook tekortkomingen wat betreft de toegang tot een effectief rechtsmiddel en de houding van de Belgische autoriteiten. De rechtbank ziet ook op die punten geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Uit de Afdelingsuitspraak volgt ten eerste dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Er is immers niet gebleken dat rechterlijke uitspraken nu wel worden nagekomen of dat dwangsommen worden betaald. Dit is ook geen onderwerp van de brief van 5 februari 2026 van Fedasil. Ten tweede volgt uit de Afdelingsuitspraak dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Ook op dit punt is de rechtbank niet gebleken van een veranderde situatie. Het betoog van verweerder dat uit de afname van de omvang van de doorstroomlijst op zichzelf volgt dat er geen sprake is van onverschilligheid van de kant van de autoriteiten, slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak immers ook gewezen op het gebrek aan inzet om nieuwe opvangplekken te creëren, de ontradingscampagne die erop is gericht om asielzoekers te ontmoedigen om naar België te komen, en verschillende mogelijke oplossingen die België niet heeft ingezet om het opvangtekort tegen te gaan. Ook is hier weer van belang dat er geen informatie beschikbaar is waaruit blijkt van een veranderde houding wat betreft de naleving van rechterlijke uitspraken en het betalen van dwangsommen.
6. Gelet op het voorgaande kon verweerder niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het arrest Jawo. Ook mocht verweerder er niet van uitgaan dat er voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. Verweerder mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiser.
8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2026;
- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen;
- veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 30, eerste lid van de Vw 2000 (oud).
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305).
Zie www.myria.be/nl/contactvergaderingen-internationale-bescherming.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.