Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24136
2026-08-26
Civiel recht
702638
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidenteel vonnis. Bevoegdheidsincident afgewezen in verband met stilzwijgende aanvaarding bevoegdheid.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.395 tekens)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/702638 / HA ZA 26-347
Vonnis in incident van 26 augustus 2026
in de zaak van
1 [partij A sub 1] te [woonplaats] ,
2. [partij A sub 2] te [woonplaats] ,
eisers in vrijwaring,
verweerders in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,,
tegen
1AGB BOUW B.V. te Stolwijk,
gedaagde in vrijwaring,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. J.H. Bargeman te Rotterdam,
2. [partij B sub 2] B.V. te [plaats] ,
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. L.H. Hordijk te Capelle aan den IJssel.
Eisers in vrijwaring worden hierna samen [partij A] c.s. genoemd en ieder afzonderlijk [partij A sub 1] en [partij A sub 2] . Gedaagden in vrijwaring worden hierna AGB Bouw en [partij B sub 2] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding in vrijwaring van 30 maart 2026, met producties 1 tot en met 8;
de incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring van AGB Bouw van 8 april 2026 met producties 1 tot en met 3;
de incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring van [partij B sub 2] van 22 april 2026 met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord van [partij A] c.s. in het door AGB Bouw opgeworpen (onder)vrijwaringsincident van 22 april 2026;
de conclusie van antwoord van [partij A] c.s. in het door [partij B sub 2] opgeworpen (onder)vrijwaringsincident van 6 mei 2026;
het vonnis in incident van 3 juni 2026, waarbij de rechtbank toestaat dat AGB Bouw Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Achmea’) in (onder)vrijwaring doet dagvaarden en dat [partij B sub 2] AGB Bouw in (onder)vrijwaring doet dagvaarden;
de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [partij B sub 2] van 15 juli 2026, met producties 3 en 4;
de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid van AGB Bouw van 15 juli 2026, met productie 4;
de incidentele conclusie van antwoord van [partij A] c.s. van 29 juli 2026, met productie 9.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in de hoofdzaak en in het incident
2.1.
[partij A] c.s., AGB Bouw en [partij B sub 2] zijn door [naam] (hierna: ‘ [naam] ’) gedagvaard in de hoofdzaak, waarin hij een schadevergoeding vordert, bestaande uit € 800.138,56 en nog niet bekende schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. [naam] legt aan zijn vordering ten grondslag dat werkzaamheden in opdracht van zijn buren, [partij A] c.s., door AGB Bouw als aannemer en [partij B sub 2] als onderaannemer, onzorgvuldig zijn verricht, waardoor [naam] schade heeft geleden aan zijn opstallen, waaronder zijn monumentale boerderij. [partij A] c.s. heeft AGB Bouw en [partij B sub 2] in vrijwaring opgeroepen. Voor het geval [partij A] c.s. in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan [naam] (een gedeelte van) het door hem gevorderde bedrag te betalen, vordert [partij A] c.s. van AGB Bouw en [partij B sub 2] dat zij [partij A] c.s. ter zake zullen vrijwaren, met veroordeling van AGB Bouw en [partij B sub 2] in de proceskosten. Bij vonnis van 3 juni 2026 heeft de rechtbank toegestaan dat AGB Bouw Achmea in (onder)vrijwaring doet dagvaarden en dat [partij B sub 2] AGB Bouw in (onder)vrijwaring doet dagvaarden.
2.2.
AGB Bouw vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart in de vrijwaringszaak. Partijen zijn in de tussen AGB Bouw en [partij A sub 1] gesloten aannemingsovereenkomst (hierna: ‘de Aannemingsovereenkomst’) onder meer het volgende overeengekomen:
“9. Geschillenbeslechting
9.1
De beslechting van eventuele geschillen vindt in afwijking van de Metaalunievoorwaarden plaats door de Raad van Arbitrage van de Bouw overeenkomstig het laatst geldende reglement van de Raad.
9.2
Indien Opdrachtgever een natuurlijk persoon is, niet handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, heeft Opdrachtgever na melding van Aannemer (waaruit blijkt dat Aannemer een procedure wil starten) 30 dagen de tijd om een keuze te maken tussen de Raad van Arbitrage of de gewone rechter. Als Opdrachtgever zelf een procedure wil starten is hij altijd gerechtigd om de keuze te maken tussen de Raad van Arbitrage en de gewone rechter.”
2.3.
AGB Bouw stelt zich op het standpunt dat [partij A sub 1] handelt in de uitoefening van zijn bedrijf, omdat vast staat dat de overeenkomst is aangegaan in het kader van de realisatie van een jongveestal voor de bedrijfsuitoefening van de veehouderij en natuurboerderij van [partij A sub 1] , zodat artikel 9.1 van de Aannemingsovereenkomst van toepassing is. Op grond daarvan is de Raad van Arbitrage van de Bouw exclusief bevoegd om van de vorderingen in de vrijwaringszaak kennis te nemen. Artikel 216 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) doorbreekt volgens AGB Bouw niet de absolute bevoegdheid van de rechter.
2.4.
[partij A] c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident en voert daartoe aan dat vrijwaring op grond van artikel 216 Rv in beginsel competentie schept omdat dit artikel bepaalt dat in de vrijwaringszaak moet worden geprocedeerd voor de rechter in de hoofdzaak. Voorts is [partij A sub 2] geen partij bij de Aannemingsovereenkomst, waardoor AGB Bouw zich jegens haar niet kan beroepen op artikel 9 van die overeenkomst. Volgens [partij A] c.s. is de rechtbank op grond van artikel 216 Rv absoluut en relatief bevoegd om van de vorderingen jegens [partij A sub 2] kennis te nemen. Voor wat betreft de vorderingen ten aanzien van [partij A sub 1] geldt dat deze zodanig samenhangen met de vorderingen jegens [partij A sub 2] , dat de rechtbank op grond van artikel 7 en 107 Rv eveneens bevoegd is van de jegens hem ingestelde vorderingen kennis te nemen.
3De beoordeling in het incident
3.1.
In dit incident moet worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. Op grond van artikel 11 Rv moet het verweer dat de rechtbank onbevoegd is worden gevoerd ‘vóór alle weren’. Dit betekent dat gedaagde de onbevoegdheid moet inroepen in de eerste door haar genomen schriftelijke conclusie. Het is daarbij niet nodig dat in de conclusie de exceptie letterlijk als eerste, voor de overige weren, is opgenomen. Het is voldoende wanneer het eerste processtuk het beroep op de exceptie bevat. Indien de exceptie van onbevoegdheid niet tijdig wordt opgeworpen, is sprake van een stilzwijgende forumkeuze als bedoeld in artikel 9 aanhef en onder a Rv en komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe indien aan de voorwaarden van artikel 9 aanhef en onder a is voldaan.
3.2.
Vast staat dat AGB Bouw op 8 april 2026 een incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring heeft genomen, waarna deze rechtbank haar bij vonnis van 3 juni 2026 heeft toegestaan Achmea in (onder)vrijwaring te doen dagvaarden. AGB Bouw heeft vervolgens op 15 juli 2026 een tweede schriftelijk processtuk ingediend, waarbij zij onderhavig bevoegdheidsincident heeft opgeworpen. Gelet op het bepaalde in artikel 11 Rv in samenhang met artikel 9 aanhef en onder a Rv is dit te laat. Met het indienen van de conclusie tot oproeping van Achmea in vrijwaring heeft AGB Bouw stilzwijgend gekozen voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Er is immers sprake van een rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat en het is niet zo dat voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen redelijk belang aanwezig is.
3.3.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat de incidentele vordering van AGB Bouw moet worden afgewezen.
3.4.
AGB Bouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [partij A] c.s. in het incident worden door de rechtbank begroot op € 653 (1 punt x tarief II).
4De beslissing
De rechtbank:
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt AGB Bouw in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] c.s. tot op heden begroot op € 653;
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/702638 / HA ZA 26-347
Vonnis in incident van 26 augustus 2026
in de zaak van
1 [partij A sub 1] te [woonplaats] ,
2. [partij A sub 2] te [woonplaats] ,
eisers in vrijwaring,
verweerders in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,,
tegen
1AGB BOUW B.V. te Stolwijk,
gedaagde in vrijwaring,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. J.H. Bargeman te Rotterdam,
2. [partij B sub 2] B.V. te [plaats] ,
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. L.H. Hordijk te Capelle aan den IJssel.
Eisers in vrijwaring worden hierna samen [partij A] c.s. genoemd en ieder afzonderlijk [partij A sub 1] en [partij A sub 2] . Gedaagden in vrijwaring worden hierna AGB Bouw en [partij B sub 2] genoemd.
1De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding in vrijwaring van 30 maart 2026, met producties 1 tot en met 8;
de incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring van AGB Bouw van 8 april 2026 met producties 1 tot en met 3;
de incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring van [partij B sub 2] van 22 april 2026 met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord van [partij A] c.s. in het door AGB Bouw opgeworpen (onder)vrijwaringsincident van 22 april 2026;
de conclusie van antwoord van [partij A] c.s. in het door [partij B sub 2] opgeworpen (onder)vrijwaringsincident van 6 mei 2026;
het vonnis in incident van 3 juni 2026, waarbij de rechtbank toestaat dat AGB Bouw Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ‘Achmea’) in (onder)vrijwaring doet dagvaarden en dat [partij B sub 2] AGB Bouw in (onder)vrijwaring doet dagvaarden;
de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [partij B sub 2] van 15 juli 2026, met producties 3 en 4;
de incidentele conclusie inhoudende exceptie van onbevoegdheid van AGB Bouw van 15 juli 2026, met productie 4;
de incidentele conclusie van antwoord van [partij A] c.s. van 29 juli 2026, met productie 9.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil in de hoofdzaak en in het incident
2.1.
[partij A] c.s., AGB Bouw en [partij B sub 2] zijn door [naam] (hierna: ‘ [naam] ’) gedagvaard in de hoofdzaak, waarin hij een schadevergoeding vordert, bestaande uit € 800.138,56 en nog niet bekende schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. [naam] legt aan zijn vordering ten grondslag dat werkzaamheden in opdracht van zijn buren, [partij A] c.s., door AGB Bouw als aannemer en [partij B sub 2] als onderaannemer, onzorgvuldig zijn verricht, waardoor [naam] schade heeft geleden aan zijn opstallen, waaronder zijn monumentale boerderij. [partij A] c.s. heeft AGB Bouw en [partij B sub 2] in vrijwaring opgeroepen. Voor het geval [partij A] c.s. in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan [naam] (een gedeelte van) het door hem gevorderde bedrag te betalen, vordert [partij A] c.s. van AGB Bouw en [partij B sub 2] dat zij [partij A] c.s. ter zake zullen vrijwaren, met veroordeling van AGB Bouw en [partij B sub 2] in de proceskosten. Bij vonnis van 3 juni 2026 heeft de rechtbank toegestaan dat AGB Bouw Achmea in (onder)vrijwaring doet dagvaarden en dat [partij B sub 2] AGB Bouw in (onder)vrijwaring doet dagvaarden.
2.2.
AGB Bouw vordert in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart in de vrijwaringszaak. Partijen zijn in de tussen AGB Bouw en [partij A sub 1] gesloten aannemingsovereenkomst (hierna: ‘de Aannemingsovereenkomst’) onder meer het volgende overeengekomen:
“9. Geschillenbeslechting
9.1
De beslechting van eventuele geschillen vindt in afwijking van de Metaalunievoorwaarden plaats door de Raad van Arbitrage van de Bouw overeenkomstig het laatst geldende reglement van de Raad.
9.2
Indien Opdrachtgever een natuurlijk persoon is, niet handelend in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, heeft Opdrachtgever na melding van Aannemer (waaruit blijkt dat Aannemer een procedure wil starten) 30 dagen de tijd om een keuze te maken tussen de Raad van Arbitrage of de gewone rechter. Als Opdrachtgever zelf een procedure wil starten is hij altijd gerechtigd om de keuze te maken tussen de Raad van Arbitrage en de gewone rechter.”
2.3.
AGB Bouw stelt zich op het standpunt dat [partij A sub 1] handelt in de uitoefening van zijn bedrijf, omdat vast staat dat de overeenkomst is aangegaan in het kader van de realisatie van een jongveestal voor de bedrijfsuitoefening van de veehouderij en natuurboerderij van [partij A sub 1] , zodat artikel 9.1 van de Aannemingsovereenkomst van toepassing is. Op grond daarvan is de Raad van Arbitrage van de Bouw exclusief bevoegd om van de vorderingen in de vrijwaringszaak kennis te nemen. Artikel 216 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) doorbreekt volgens AGB Bouw niet de absolute bevoegdheid van de rechter.
2.4.
[partij A] c.s. concludeert tot afwijzing van de vordering in het incident en voert daartoe aan dat vrijwaring op grond van artikel 216 Rv in beginsel competentie schept omdat dit artikel bepaalt dat in de vrijwaringszaak moet worden geprocedeerd voor de rechter in de hoofdzaak. Voorts is [partij A sub 2] geen partij bij de Aannemingsovereenkomst, waardoor AGB Bouw zich jegens haar niet kan beroepen op artikel 9 van die overeenkomst. Volgens [partij A] c.s. is de rechtbank op grond van artikel 216 Rv absoluut en relatief bevoegd om van de vorderingen jegens [partij A sub 2] kennis te nemen. Voor wat betreft de vorderingen ten aanzien van [partij A sub 1] geldt dat deze zodanig samenhangen met de vorderingen jegens [partij A sub 2] , dat de rechtbank op grond van artikel 7 en 107 Rv eveneens bevoegd is van de jegens hem ingestelde vorderingen kennis te nemen.
3De beoordeling in het incident
3.1.
In dit incident moet worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. Op grond van artikel 11 Rv moet het verweer dat de rechtbank onbevoegd is worden gevoerd ‘vóór alle weren’. Dit betekent dat gedaagde de onbevoegdheid moet inroepen in de eerste door haar genomen schriftelijke conclusie. Het is daarbij niet nodig dat in de conclusie de exceptie letterlijk als eerste, voor de overige weren, is opgenomen. Het is voldoende wanneer het eerste processtuk het beroep op de exceptie bevat. Indien de exceptie van onbevoegdheid niet tijdig wordt opgeworpen, is sprake van een stilzwijgende forumkeuze als bedoeld in artikel 9 aanhef en onder a Rv en komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe indien aan de voorwaarden van artikel 9 aanhef en onder a is voldaan.
3.2.
Vast staat dat AGB Bouw op 8 april 2026 een incidentele conclusie tot oproeping in (onder)vrijwaring heeft genomen, waarna deze rechtbank haar bij vonnis van 3 juni 2026 heeft toegestaan Achmea in (onder)vrijwaring te doen dagvaarden. AGB Bouw heeft vervolgens op 15 juli 2026 een tweede schriftelijk processtuk ingediend, waarbij zij onderhavig bevoegdheidsincident heeft opgeworpen. Gelet op het bepaalde in artikel 11 Rv in samenhang met artikel 9 aanhef en onder a Rv is dit te laat. Met het indienen van de conclusie tot oproeping van Achmea in vrijwaring heeft AGB Bouw stilzwijgend gekozen voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Er is immers sprake van een rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat en het is niet zo dat voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter geen redelijk belang aanwezig is.
3.3.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat de incidentele vordering van AGB Bouw moet worden afgewezen.
3.4.
AGB Bouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [partij A] c.s. in het incident worden door de rechtbank begroot op € 653 (1 punt x tarief II).
4De beslissing
De rechtbank:
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt AGB Bouw in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] c.s. tot op heden begroot op € 653;
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 oktober 2026 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.