Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24132
2026-08-12
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.62135
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - Jemen - Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wat betreft artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Verweerder heeft namelijk de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in zijn beoordeling onvoldoende in kaart gebracht. - Beroep gegrond, besluit vernietigd
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7269 Rechtbank Den Haag 02-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3452 Raad van State 25-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9143 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.948 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62135
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 1 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag eerst op 22 oktober 2024 afgewezen. De rechtbank heeft met de uitspraak van 2 april 2025 dat besluit vernietigd en aan verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. In hoger beroep is die uitspraak bevestigd. Dat betekent dat verweerder inderdaad opnieuw moest beslissen op de aanvraag van eiser.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 5 december 2025 opnieuw in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Over dat besluit gaat het huidige beroep.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Nazanini als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij komt uit [plaats] en heeft tussen 2013 en 2022 in India verbleven. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij kan niet terugkeren naar Jemen vanwege de oorlog. Omdat hij hoogopgeleid is, loopt hij risico om gerekruteerd te worden door de Houthi’s. In India heeft hij daarnaast als tolk gewerkt voor gewonde militairen uit Jemen. De Houthi’s waren het niet eens met zijn werkzaamheden en hebben eiser daarom via zijn vader bedreigd.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden als tolk.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit eerst beoordeeld of eisers asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn problemen vanwege zijn werkzaamheden niet. Verweerder verwijst hierbij naar de eerdere rechtbankuitspraak, waaruit volgt dat verweerder dat asielmotief niet geloofwaardig hoefde te vinden. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Jemen. Volgens verweerder is dat niet het geval. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser door de Houthi’s zal worden gerekruteerd of beschuldigd van spionage. Ook is niet aannemelijk dat hij problemen zal krijgen bij terugkeer omdat hij in India en in het westen heeft verbleven. Verweerder neemt aan dat (onder andere) in de herkomstregio van eiser een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is. Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is hij ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld nieuwe stukken in te dienen nadat het vorige besluit is vernietigd. Daarnaast heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser geen verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in [plaats]. Verweerder heeft onvoldoende meegenomen dat het voor eiser na jarenlange afwezigheid moeilijker zal zijn zich opnieuw te vestigen. Ook wordt eisers vader vastgehouden door de Houthi’s en is zijn broer doodgeschoten door de Houthi’s. Het is niet rechtmatig dat verweerder verwacht dat eiser dit asielmotief verder aantoont, omdat dit niet mogelijk is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procedureverloop na eerdere vernietiging
7. De grond dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om nieuwe stukken in te dienen nadat het vorige besluit was vernietigd, slaagt niet. Eiser had (via zijn gemachtigde) na de vernietiging van het vorige besluit op ieder moment de gelegenheid om uit eigen beweging verdere stukken in te dienen of relevante aspecten aan te voeren. Verweerder was in dit geval ook niet gehouden om opnieuw een voornemen uit te brengen zodat eiser daar met een zienswijze op kon reageren. De gemachtigde van eiser heeft niet kunnen wijzen op een regel waaruit blijkt dat verweerder wel opnieuw een voornemen moest uitbrengen. Eiser heeft daarbij niet concreet gemaakt wat hij nog had willen aanvoeren in een zienswijze dat tot een ander besluit had kunnen leiden.
Eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden als tolk
8. Waar eiser is opgekomen tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder heeft gemaakt over zijn problemen met de Houthi’s, heeft verweerder er terecht op gewezen dat die beoordeling in de eerdere procedure in rechte vast is komen te staan. In de huidige procedure is niets naar voren gekomen dat daaraan afdoet.
De situatie van willekeurig geweld in Jemen
9. In de besluitvorming en in de beroepsgronden hebben partijen verwezen naar de Kwalificatierichtlijn. De Kwalificatierichtlijn is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De rechtbank zal daarom verwijzen naar de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom dezelfde uitleg worden gegeven.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wat betreft artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Verweerder heeft namelijk de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in zijn beoordeling onvoldoende in kaart gebracht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Houthi’s de oorlog bewust gebruiken om de humanitaire situatie verslechteren. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe dit wordt meegewogen in zijn beoordeling en hoe groot het aandeel is van de Houthi’s dan wel van andere strijdende partijen in de huidige humanitaire situatie. In dit verband acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat eiser afkomstig is uit [plaats], dat bijna geheel onder controle staat van de Houthi’s. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar de uitspraak van haar meervoudige kamer. Omdat verweerder in deze procedure opnieuw heeft gesuggereerd dat een algemene of oppervlakkige beoordeling van de relevante omstandigheden volstaat, wijst de rechtbank in het bijzonder op rechtsoverweging 21.2 van de uitspraak van de meervoudige kamer.
11. Omdat het beroep al vanwege het bovenstaande gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag voor eiser individuele omstandigheden (moeten) gelden die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 12 juni 2025;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
ECLI:NL:RBDHA:2025:7269.
ECLI:NL:RVS:2025:3452.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 (oud).
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (oud).
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (oud).
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad.
Zie uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62135
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 1 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag eerst op 22 oktober 2024 afgewezen. De rechtbank heeft met de uitspraak van 2 april 2025 dat besluit vernietigd en aan verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. In hoger beroep is die uitspraak bevestigd. Dat betekent dat verweerder inderdaad opnieuw moest beslissen op de aanvraag van eiser.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 5 december 2025 opnieuw in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Over dat besluit gaat het huidige beroep.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Nazanini als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij komt uit [plaats] en heeft tussen 2013 en 2022 in India verbleven. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij kan niet terugkeren naar Jemen vanwege de oorlog. Omdat hij hoogopgeleid is, loopt hij risico om gerekruteerd te worden door de Houthi’s. In India heeft hij daarnaast als tolk gewerkt voor gewonde militairen uit Jemen. De Houthi’s waren het niet eens met zijn werkzaamheden en hebben eiser daarom via zijn vader bedreigd.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden als tolk.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit eerst beoordeeld of eisers asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn problemen vanwege zijn werkzaamheden niet. Verweerder verwijst hierbij naar de eerdere rechtbankuitspraak, waaruit volgt dat verweerder dat asielmotief niet geloofwaardig hoefde te vinden. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Jemen. Volgens verweerder is dat niet het geval. Het is namelijk niet aannemelijk dat eiser door de Houthi’s zal worden gerekruteerd of beschuldigd van spionage. Ook is niet aannemelijk dat hij problemen zal krijgen bij terugkeer omdat hij in India en in het westen heeft verbleven. Verweerder neemt aan dat (onder andere) in de herkomstregio van eiser een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is. Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is hij ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld nieuwe stukken in te dienen nadat het vorige besluit is vernietigd. Daarnaast heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser geen verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in [plaats]. Verweerder heeft onvoldoende meegenomen dat het voor eiser na jarenlange afwezigheid moeilijker zal zijn zich opnieuw te vestigen. Ook wordt eisers vader vastgehouden door de Houthi’s en is zijn broer doodgeschoten door de Houthi’s. Het is niet rechtmatig dat verweerder verwacht dat eiser dit asielmotief verder aantoont, omdat dit niet mogelijk is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procedureverloop na eerdere vernietiging
7. De grond dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om nieuwe stukken in te dienen nadat het vorige besluit was vernietigd, slaagt niet. Eiser had (via zijn gemachtigde) na de vernietiging van het vorige besluit op ieder moment de gelegenheid om uit eigen beweging verdere stukken in te dienen of relevante aspecten aan te voeren. Verweerder was in dit geval ook niet gehouden om opnieuw een voornemen uit te brengen zodat eiser daar met een zienswijze op kon reageren. De gemachtigde van eiser heeft niet kunnen wijzen op een regel waaruit blijkt dat verweerder wel opnieuw een voornemen moest uitbrengen. Eiser heeft daarbij niet concreet gemaakt wat hij nog had willen aanvoeren in een zienswijze dat tot een ander besluit had kunnen leiden.
Eisers problemen vanwege zijn werkzaamheden als tolk
8. Waar eiser is opgekomen tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder heeft gemaakt over zijn problemen met de Houthi’s, heeft verweerder er terecht op gewezen dat die beoordeling in de eerdere procedure in rechte vast is komen te staan. In de huidige procedure is niets naar voren gekomen dat daaraan afdoet.
De situatie van willekeurig geweld in Jemen
9. In de besluitvorming en in de beroepsgronden hebben partijen verwezen naar de Kwalificatierichtlijn. De Kwalificatierichtlijn is met ingang van 12 juni 2026 ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De rechtbank zal daarom verwijzen naar de Kwalificatieverordening. Artikel 15 van de Kwalificatieverordening komt overeen met ditzelfde artikel in de Kwalificatierichtlijn en hieraan moet daarom dezelfde uitleg worden gegeven.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd wat betreft artikel 15c van de Kwalificatieverordening. Verweerder heeft namelijk de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in zijn beoordeling onvoldoende in kaart gebracht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Houthi’s de oorlog bewust gebruiken om de humanitaire situatie verslechteren. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe dit wordt meegewogen in zijn beoordeling en hoe groot het aandeel is van de Houthi’s dan wel van andere strijdende partijen in de huidige humanitaire situatie. In dit verband acht de rechtbank in het bijzonder van belang dat eiser afkomstig is uit [plaats], dat bijna geheel onder controle staat van de Houthi’s. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar de uitspraak van haar meervoudige kamer. Omdat verweerder in deze procedure opnieuw heeft gesuggereerd dat een algemene of oppervlakkige beoordeling van de relevante omstandigheden volstaat, wijst de rechtbank in het bijzonder op rechtsoverweging 21.2 van de uitspraak van de meervoudige kamer.
11. Omdat het beroep al vanwege het bovenstaande gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag voor eiser individuele omstandigheden (moeten) gelden die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
12.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 12 juni 2025;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag binnen acht weken na verzending van deze uitspraak, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)”, doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.
ECLI:NL:RBDHA:2025:7269.
ECLI:NL:RVS:2025:3452.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 (oud).
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (oud).
Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (oud).
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad.
Zie uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.