Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:24084
2026-08-28
Bestuursrecht
SGR 24/8829
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Intrekking exploitatievergunning. Beroep gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom niet, conform het handhavingsbeleid van verweerder, met een tijdelijke intrekking kon worden volstaan.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2023:166 Raad van State 18-01-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.147 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.A. Bakkum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van de exploitatievergunning voor de horeca-inrichting van eiser.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 22 juli 2020 (het primaire besluit) -voor zover hier van belang- de exploitatievergunning ingetrokken. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de intrekking van de exploitatievergunning heeft in stand gelaten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Voorts zijn aan de zijde van verweerder mr. R. den ouden en mr. R.M. de Vletter verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Aan eiser zijn vergunningen verleend voor de exploitatie van de alcoholhoudende horeca-inrichting (café) in het perceel [perceel], te [plaats]. Door een omwonende is verzocht handhavend op te treden en zijn de vergunningen ingetrokken wegens slecht levensgedrag. In beroep en hoger beroep is door de bestuursrechter geoordeeld dat verweerder ten onrechte slecht levensgedrag aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag voor de intrekking gewijzigd. Het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt volgens verweerder nadelig door de aanwezigheid van de horeca-inrichting beïnvloed. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verschillende omwonenden sinds 2015 hebben geklaagd over aanhoudende geluidhinder. Voorts heeft de Omgevingsdienst Haaglanden 32 overschrijdingen van de geluidsnormen geconstateerd, in de periode van mei 2015 tot en met 2 februari 2020. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat al meerdere keren tegen de geluidhinder is opgetreden. Zo zijn aan eiser in 2015, 2016 en 2018 lasten onder dwangsom opgelegd en verbeurd met een totaalbedrag van € 42.000,-. Ook is eiser op 12 november 2018 en 30 januari 2020 onherroepelijk door de economische politierechter veroordeeld voor het veroorzaken van onrechtmatige geluidhinder. Voorts is op 3 juni 2019 aan eiser een maatwerkbesluit opgelegd, inhoudende dat hij vanaf dat moment bij de exploitatie van de horeca-inrichting alleen van een begrensde geluidsinstallatie gebruik mag maken en is op 23 november 2019 de geluidsinstallatie in beslag genomen. Ook daarna zijn overtredingen van de geluidsnormen geconstateerd.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemeen plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV), zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, staat dat de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed.
In het Handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers (hierna: Handhavingsbeleid) is in de handhavingsmatrix opgenomen dat bij overlast eerst twee keer een waarschuwing wordt gegeven. Bij een derde incident kan de horeca-inrichting voor drie maanden worden gesloten. Bij een vierde incident kan worden overgegaan tot sluiting voor onbepaalde tijd en intrekking van de exploitatievergunning.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat hij van het merendeel van de geluidsmetingen niet meteen op de hoogte is gesteld, waardoor hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om direct na de meting een contra-expertise of zelf een geluidmeting uit te voeren. Een aantal metingen zijn zelfs pas in de bezwaarfase kenbaar gemaakt. Deze metingen dienen daarom buiten beschouwing te blijven. Voorts wijst eiser erop dat de overtreding van de geluidsnormen gering zijn, soms zelfs maar met 4, 5 of 6 dB, in de vooravond en van korte duur. Ook heeft verweerder niet gewezen op de gevolgen van het bij voortduring overschrijden van de geluidsnormen. Bovendien heeft eiser vanaf het maatwerkbesluit van 3 juni 2019 alleen gebruik gemaakt van een begrensde geluidsinstallatie, wat ook blijkt uit de geluidsmetingrapporten. Zijn reguliere installatie is in beslag genomen. Verder stelt eiser dat verweerder niet heeft onderbouwd dat verschillende omwonenden sinds 2015 hebben geklaagd over geluidshinder. Het gaat maar om één omwonende die in de woning boven de horeca-inrichting woont. Eiser betoogt ook dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel en het verbod tot willekeur, omdat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn eigen handhavingsmatrix, maar diverse meer ingrijpende en afwijkende maatregelen aan eiser heeft opgelegd. Eiser stelt dat er ruim 30 jaar een horecabedrijf met muziek op deze locatie actief is geweest en dat dit juist het woon- en leefklimaat positief heeft beïnvloed. Dit blijkt ook uit het feit dat de hele buurt met eiser meeleeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden.
6. Verweerder heeft aan de intrekking van de exploitatievergunning ten grondslag gelegd dat er vanaf het jaar 2015 door de Omgevingsdienst Haaglanden, naar aanleiding van klachten van omwonenden, verschillende overschrijdingen van de geluidsnormen zijn geconstateerd. Verweerder heeft daarbij gewezen op 32 rapportages in het tijdsbestek van 22 mei 2015 tot en met 2 februari 2020, waarbij overschrijdingen van de geluidsnormen van tussen de 4 en 38 dB zijn geconstateerd. Een geluidsrapportage van de Omgevingsdienst wordt aangemerkt als een deskundigenadvies, waarop verweerder mag afgaan. Verweerder moet wel nagaan of de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Hieraan heeft verweerder in zijn verweerschrift voldaan. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat verweerder niet van de geluidsrapportages heeft mogen uitgaan. De stelling van eiser dat hij na het maatwerkbesluit alleen gebruik heeft gemaakt van de begrensde geluidsinstallatie, strookt niet met de omstandigheid dat de geluidsinstallatie daarna in verband met overschrijding van de geluidsnormen in beslag is genomen. De omstandigheid dat eiser niet meteen op de hoogte is gebracht van de uitvoering van de geluidsmetingen en daardoor niet in de gelegenheid is gesteld gelijktijdig zelf metingen te (laten) verrichten, is ook onvoldoende voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de geluidsrapportages heeft mogen uitgaan. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser alle rapportages, met uitzondering van de laatste vijf, uiterlijk in de hoger beroepsprocedure heeft ontvangen. Bovendien heeft eiser een deel van de rapportages ook al bij de oplegging van de lasten onder dwangsom en de invorderingsbesluiten ontvangen. Eiser heeft voldoende tijd gehad deze rapportages door middel van een contra-expertise gemotiveerd te betwisten. Eiser heeft overigens ter zitting verklaard de rapportages, met uitzondering van de laatste vijf, niet te betwisten. De laatste vijf rapportages heeft eiser in de bezwaarfase na de uitspraak van de hoogste bestuursrechter ontvangen en zien op overtredingen van de geluidsnormen nadat de geluidsinstallatie van eiser in beslag was genomen. Eiser heeft, naar hij stelt, daarna alleen nog gebruik gemaakt van silent disco sets en akoestische livemuziek. Er heeft volgens eiser toen geen versterkte livemuziek meer plaatsgevonden. Hiermee heeft eiser onvoldoende de geconstateerde overtredingen van de geluidsnormen betwist. Anders dan eiser heeft gesteld gaat het niet om de vraag of er sprake was van versterkte of akoestische livemuziek, maar om de vraag of met die muziek de geluidsnormen zijn overschreden.
7. Gelet op de herhaaldelijke overschrijdingen van de geluidsnormen gedurende een langere tijd, ook na opgelegde herstelsancties, veroordelingen door de economische politierechter en het maatwerkbesluit, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door diens aanwezigheid nadelig wordt beïnvloed. Ook indien de laatste vijf rapportages niet worden meegenomen, heeft verweerder tot dit oordeel kunnen komen. Verweerder heeft er daarbij ter zitting op gewezen dat achter elke geluidsmeting en rapportage van de Omgevingsdienst minstens één klacht zit. Dit wordt ook bevestigd door de rapportages zelf. Anders dan een klachtbrief van 8 september 2017, die door meerdere omwonenden is ondertekend, is uit de stukken niet te herleiden om hoeveel verschillende klagers het gaat. Dit is voor de vaststelling van de overtredingen echter ook niet relevant.
8. Gelet op voorgaande was verweerder bevoegd om de exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV in te trekken.
Is de intrekking van de vergunning evenredig?
9. Verweerder heeft zijn bevoegdheid om de exploitatievergunning in te trekken ingevuld met Handhavingsbeleid. In de handhavingsmatrix staat bij overlast dat eerst twee keer een waarschuwing wordt gegeven alvorens over te gaan tot eerst een tijdelijke sluiting en daarna een sluiting voor onbepaalde tijd en intrekking van de vergunning. Verweerder heeft erkend dat aan eiser geen formele waarschuwingen zijn gegeven. Verweerder heeft er evenwel terecht op gewezen dat in de toelichting bij het Handhavingsbeleid is opgenomen dat de handhavingsmatrix als uitgangspunt dient voor de te treffen maatregelen, maar dat verweerder daarbij een inherente afwijkingsbevoegdheid heeft en dat moet worden uitgegaan van maatwerk. Zo kan bijvoorbeeld van de matrix worden afgeweken als verweerder geen vertrouwen meer heeft in de ondernemer. Ook heeft verweerder toegelicht dat de matrix erop is gericht dat een ondernemer wordt gewaarschuwd vóórdat de exploitatievergunning wordt ingetrokken, zodat dit niet onverwacht gebeurt en de ondernemer een laatste gelegenheid heeft de bedrijfsvoering aan te passen.
10. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de aan eiser opgelegde lasten onder dwangsom één op één gelijk te stellen zijn met waarschuwingen als bedoeld in de matrix. De rechtbank is wel van oordeel dat eiser gelet op deze herstelsancties, in combinatie met het maatwerkbesluit en de veroordelingen door de economische politierechter, geconfronteerd is met het feit dat hij herhaaldelijk de geluidsnormen heeft overtreden. Het is voorts duidelijk en voorzienbaar, zeker voor een horecaondernemer, dat geluidhinder invloed heeft op de woon- en leefomgeving en dat een horecaondernemer hierin een verantwoordelijkheid heeft. Ook in de exploitatievergunning zelf staat dat de vergunning in zo’n geval al dan niet tijdelijk kan worden ingetrokken. Eiser wordt daarom geacht bekend te zijn met de mogelijke consequenties van het herhaaldelijk overschrijden van de geluidsnormen. Verweerder mocht eiser in zoverre aanmerken als een gewaarschuwd mens en heeft in redelijkheid kunnen afzien van het geven van een formele waarschuwing.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter onvoldoende gemotiveerd waarom meteen is overgegaan tot intrekking van de exploitatievergunning, in plaats van een tijdelijke sluiting van bijvoorbeeld drie maanden, zoals in de handhavingsmatrix is opgenomen. De stelling van verweerder ter zitting dat een tijdelijke sluiting ook het karakter van een waarschuwing heeft en dit geen zin meer had, volgt de rechtbank niet. Van een tijdelijke sluiting gaat een andere impuls uit dan van een formele waarschuwing. Wanneer na een tijdelijke sluiting opnieuw overtredingen van de geluidsnormen zouden zijn geconstateerd, had verweerder alsnog kunnen overgaan tot intrekking van de exploitatievergunning. Dit klemt te meer nu verweerder na de laatste meting nog geruime tijd heeft gewacht met de intrekking. Dat de besluitvorming door cornona werd bemoeilijkt is begrijpelijk maar verklaart niet de keuze voor intrekking in plaats van een tijdelijke sluiting.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd als bepaald in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de exploitatievergunning. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder voor dat deel een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. De proceskosten in bezwaar zijn reeds in het bestreden besluit vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 september 2024, voor zover dat ziet op de intrekking van de exploitatievergunning;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2:28, zesde lid, onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV).
Uitspraak van 18 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2023:166, ro. 10.1 e.v.
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.A. Bakkum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van de exploitatievergunning voor de horeca-inrichting van eiser.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 22 juli 2020 (het primaire besluit) -voor zover hier van belang- de exploitatievergunning ingetrokken. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de intrekking van de exploitatievergunning heeft in stand gelaten.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Voorts zijn aan de zijde van verweerder mr. R. den ouden en mr. R.M. de Vletter verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Aan eiser zijn vergunningen verleend voor de exploitatie van de alcoholhoudende horeca-inrichting (café) in het perceel [perceel], te [plaats]. Door een omwonende is verzocht handhavend op te treden en zijn de vergunningen ingetrokken wegens slecht levensgedrag. In beroep en hoger beroep is door de bestuursrechter geoordeeld dat verweerder ten onrechte slecht levensgedrag aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder de grondslag voor de intrekking gewijzigd. Het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt volgens verweerder nadelig door de aanwezigheid van de horeca-inrichting beïnvloed. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verschillende omwonenden sinds 2015 hebben geklaagd over aanhoudende geluidhinder. Voorts heeft de Omgevingsdienst Haaglanden 32 overschrijdingen van de geluidsnormen geconstateerd, in de periode van mei 2015 tot en met 2 februari 2020. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat al meerdere keren tegen de geluidhinder is opgetreden. Zo zijn aan eiser in 2015, 2016 en 2018 lasten onder dwangsom opgelegd en verbeurd met een totaalbedrag van € 42.000,-. Ook is eiser op 12 november 2018 en 30 januari 2020 onherroepelijk door de economische politierechter veroordeeld voor het veroorzaken van onrechtmatige geluidhinder. Voorts is op 3 juni 2019 aan eiser een maatwerkbesluit opgelegd, inhoudende dat hij vanaf dat moment bij de exploitatie van de horeca-inrichting alleen van een begrensde geluidsinstallatie gebruik mag maken en is op 23 november 2019 de geluidsinstallatie in beslag genomen. Ook daarna zijn overtredingen van de geluidsnormen geconstateerd.
Wat zijn de regels?
4. In artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de Algemeen plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV), zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit, staat dat de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed.
In het Handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers (hierna: Handhavingsbeleid) is in de handhavingsmatrix opgenomen dat bij overlast eerst twee keer een waarschuwing wordt gegeven. Bij een derde incident kan de horeca-inrichting voor drie maanden worden gesloten. Bij een vierde incident kan worden overgegaan tot sluiting voor onbepaalde tijd en intrekking van de exploitatievergunning.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat hij van het merendeel van de geluidsmetingen niet meteen op de hoogte is gesteld, waardoor hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om direct na de meting een contra-expertise of zelf een geluidmeting uit te voeren. Een aantal metingen zijn zelfs pas in de bezwaarfase kenbaar gemaakt. Deze metingen dienen daarom buiten beschouwing te blijven. Voorts wijst eiser erop dat de overtreding van de geluidsnormen gering zijn, soms zelfs maar met 4, 5 of 6 dB, in de vooravond en van korte duur. Ook heeft verweerder niet gewezen op de gevolgen van het bij voortduring overschrijden van de geluidsnormen. Bovendien heeft eiser vanaf het maatwerkbesluit van 3 juni 2019 alleen gebruik gemaakt van een begrensde geluidsinstallatie, wat ook blijkt uit de geluidsmetingrapporten. Zijn reguliere installatie is in beslag genomen. Verder stelt eiser dat verweerder niet heeft onderbouwd dat verschillende omwonenden sinds 2015 hebben geklaagd over geluidshinder. Het gaat maar om één omwonende die in de woning boven de horeca-inrichting woont. Eiser betoogt ook dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel en het verbod tot willekeur, omdat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn eigen handhavingsmatrix, maar diverse meer ingrijpende en afwijkende maatregelen aan eiser heeft opgelegd. Eiser stelt dat er ruim 30 jaar een horecabedrijf met muziek op deze locatie actief is geweest en dat dit juist het woon- en leefklimaat positief heeft beïnvloed. Dit blijkt ook uit het feit dat de hele buurt met eiser meeleeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden.
6. Verweerder heeft aan de intrekking van de exploitatievergunning ten grondslag gelegd dat er vanaf het jaar 2015 door de Omgevingsdienst Haaglanden, naar aanleiding van klachten van omwonenden, verschillende overschrijdingen van de geluidsnormen zijn geconstateerd. Verweerder heeft daarbij gewezen op 32 rapportages in het tijdsbestek van 22 mei 2015 tot en met 2 februari 2020, waarbij overschrijdingen van de geluidsnormen van tussen de 4 en 38 dB zijn geconstateerd. Een geluidsrapportage van de Omgevingsdienst wordt aangemerkt als een deskundigenadvies, waarop verweerder mag afgaan. Verweerder moet wel nagaan of de rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Hieraan heeft verweerder in zijn verweerschrift voldaan. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat verweerder niet van de geluidsrapportages heeft mogen uitgaan. De stelling van eiser dat hij na het maatwerkbesluit alleen gebruik heeft gemaakt van de begrensde geluidsinstallatie, strookt niet met de omstandigheid dat de geluidsinstallatie daarna in verband met overschrijding van de geluidsnormen in beslag is genomen. De omstandigheid dat eiser niet meteen op de hoogte is gebracht van de uitvoering van de geluidsmetingen en daardoor niet in de gelegenheid is gesteld gelijktijdig zelf metingen te (laten) verrichten, is ook onvoldoende voor het oordeel dat verweerder niet van de juistheid van de geluidsrapportages heeft mogen uitgaan. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser alle rapportages, met uitzondering van de laatste vijf, uiterlijk in de hoger beroepsprocedure heeft ontvangen. Bovendien heeft eiser een deel van de rapportages ook al bij de oplegging van de lasten onder dwangsom en de invorderingsbesluiten ontvangen. Eiser heeft voldoende tijd gehad deze rapportages door middel van een contra-expertise gemotiveerd te betwisten. Eiser heeft overigens ter zitting verklaard de rapportages, met uitzondering van de laatste vijf, niet te betwisten. De laatste vijf rapportages heeft eiser in de bezwaarfase na de uitspraak van de hoogste bestuursrechter ontvangen en zien op overtredingen van de geluidsnormen nadat de geluidsinstallatie van eiser in beslag was genomen. Eiser heeft, naar hij stelt, daarna alleen nog gebruik gemaakt van silent disco sets en akoestische livemuziek. Er heeft volgens eiser toen geen versterkte livemuziek meer plaatsgevonden. Hiermee heeft eiser onvoldoende de geconstateerde overtredingen van de geluidsnormen betwist. Anders dan eiser heeft gesteld gaat het niet om de vraag of er sprake was van versterkte of akoestische livemuziek, maar om de vraag of met die muziek de geluidsnormen zijn overschreden.
7. Gelet op de herhaaldelijke overschrijdingen van de geluidsnormen gedurende een langere tijd, ook na opgelegde herstelsancties, veroordelingen door de economische politierechter en het maatwerkbesluit, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door diens aanwezigheid nadelig wordt beïnvloed. Ook indien de laatste vijf rapportages niet worden meegenomen, heeft verweerder tot dit oordeel kunnen komen. Verweerder heeft er daarbij ter zitting op gewezen dat achter elke geluidsmeting en rapportage van de Omgevingsdienst minstens één klacht zit. Dit wordt ook bevestigd door de rapportages zelf. Anders dan een klachtbrief van 8 september 2017, die door meerdere omwonenden is ondertekend, is uit de stukken niet te herleiden om hoeveel verschillende klagers het gaat. Dit is voor de vaststelling van de overtredingen echter ook niet relevant.
8. Gelet op voorgaande was verweerder bevoegd om de exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a, van de APV in te trekken.
Is de intrekking van de vergunning evenredig?
9. Verweerder heeft zijn bevoegdheid om de exploitatievergunning in te trekken ingevuld met Handhavingsbeleid. In de handhavingsmatrix staat bij overlast dat eerst twee keer een waarschuwing wordt gegeven alvorens over te gaan tot eerst een tijdelijke sluiting en daarna een sluiting voor onbepaalde tijd en intrekking van de vergunning. Verweerder heeft erkend dat aan eiser geen formele waarschuwingen zijn gegeven. Verweerder heeft er evenwel terecht op gewezen dat in de toelichting bij het Handhavingsbeleid is opgenomen dat de handhavingsmatrix als uitgangspunt dient voor de te treffen maatregelen, maar dat verweerder daarbij een inherente afwijkingsbevoegdheid heeft en dat moet worden uitgegaan van maatwerk. Zo kan bijvoorbeeld van de matrix worden afgeweken als verweerder geen vertrouwen meer heeft in de ondernemer. Ook heeft verweerder toegelicht dat de matrix erop is gericht dat een ondernemer wordt gewaarschuwd vóórdat de exploitatievergunning wordt ingetrokken, zodat dit niet onverwacht gebeurt en de ondernemer een laatste gelegenheid heeft de bedrijfsvoering aan te passen.
10. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de aan eiser opgelegde lasten onder dwangsom één op één gelijk te stellen zijn met waarschuwingen als bedoeld in de matrix. De rechtbank is wel van oordeel dat eiser gelet op deze herstelsancties, in combinatie met het maatwerkbesluit en de veroordelingen door de economische politierechter, geconfronteerd is met het feit dat hij herhaaldelijk de geluidsnormen heeft overtreden. Het is voorts duidelijk en voorzienbaar, zeker voor een horecaondernemer, dat geluidhinder invloed heeft op de woon- en leefomgeving en dat een horecaondernemer hierin een verantwoordelijkheid heeft. Ook in de exploitatievergunning zelf staat dat de vergunning in zo’n geval al dan niet tijdelijk kan worden ingetrokken. Eiser wordt daarom geacht bekend te zijn met de mogelijke consequenties van het herhaaldelijk overschrijden van de geluidsnormen. Verweerder mocht eiser in zoverre aanmerken als een gewaarschuwd mens en heeft in redelijkheid kunnen afzien van het geven van een formele waarschuwing.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter onvoldoende gemotiveerd waarom meteen is overgegaan tot intrekking van de exploitatievergunning, in plaats van een tijdelijke sluiting van bijvoorbeeld drie maanden, zoals in de handhavingsmatrix is opgenomen. De stelling van verweerder ter zitting dat een tijdelijke sluiting ook het karakter van een waarschuwing heeft en dit geen zin meer had, volgt de rechtbank niet. Van een tijdelijke sluiting gaat een andere impuls uit dan van een formele waarschuwing. Wanneer na een tijdelijke sluiting opnieuw overtredingen van de geluidsnormen zouden zijn geconstateerd, had verweerder alsnog kunnen overgaan tot intrekking van de exploitatievergunning. Dit klemt te meer nu verweerder na de laatste meting nog geruime tijd heeft gewacht met de intrekking. Dat de besluitvorming door cornona werd bemoeilijkt is begrijpelijk maar verklaart niet de keuze voor intrekking in plaats van een tijdelijke sluiting.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd als bepaald in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van de exploitatievergunning. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder voor dat deel een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. De proceskosten in bezwaar zijn reeds in het bestreden besluit vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 september 2024, voor zover dat ziet op de intrekking van de exploitatievergunning;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2:28, zesde lid, onder a, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV).
Uitspraak van 18 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2023:166, ro. 10.1 e.v.