Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24082

2026-08-20 Bestuursrecht SGR 25/5268
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-20
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
SGR 25/5268
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Paspoortaanvraag buiten behandeling gesteld. Grootouderbepaling van artikel 3, derde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.329 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 25/5268


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiser], uit [land], eiser
(gemachtigde: mr. F. Kilic-Arslan),


en




de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.



1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2022 (het primaire besluit) buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de buiten behandelingstelling van de aanvraag gebleven.



1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.3.
Eiser heeft nadere stukken overgelegd.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via videoverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Verder is Ü. Bürgü, tolk, (via afzonderlijke videoverbinding) verschenen. Aan de zijde van eiser zijn verder [naam 1], zijn moeder (via dezelfde videoverbinding als eiser) en [naam 2], zijn nicht, (via afzonderlijke videoverbinding) verschenen, en aan de zijde van verweerder [naam 3].





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats], [geboorteland]. De vader en moeder van eiser hebben beiden de Turkse nationaliteit. De moeder van eiser heeft op 19 maart 2003 geopteerd voor het Nederlanderschap en had sindsdien ook de Nederlandse identiteit. Eiser heeft daardoor bij geboorte de Turkse en Nederlandse nationaliteit verkregen.

3. Op 17 november 2021 heeft de moeder van eiser voor eiser een Nederlands paspoort aangevraagd. Eiser was op dat moment nog minderjarig. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser op 28 december 2020 van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren. De moeder van eiser verloor op die datum het Nederlanderschap, omdat zij meer dan tien onafgebroken jaren buiten Nederland en buiten een van de landen van de Europese Unie had gewoond. In die periode heeft zij geen Nederlands reisdocument aangevraagd, dan wel anderszins de tienjaarstermijn gestuit. Eiser heeft, als minderjarige, gedeeld in dit verlies van het Nederlanderschap.Wat zijn de regels?

4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.



Wat vindt eiser?



5. Eiser betoogt dat hij ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf had in Nederland en daardoor, net als zijn broer en zus, als derde generatie het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van artikel 3, derde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).


5.1
Eiser stelt verder dat het beëindigen van het Nederlanderschap onevenredig is en dat verweerder zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen. Om het gezin bij elkaar te houden heeft de moeder van eiser zich noodgedwongen in Turkije gevestigd. Het is echter altijd de verwachting geweest dat de toekomst van eiser in Nederland ligt. Hij wil in Nederland een MBO-opleiding volgen, heeft daar de afgelopen jaren contacten voor gelegd en is bezig de taal te leren. Ook heeft hij in Nederland veel familie wonen. Hij heeft dan ook sterke banden met Nederland. Zijn broer en zus hebben wel de Nederlandse nationaliteit verkregen en zijn daardoor in de gelegenheid om in het buitenland te studeren. Eiser woont in Turkije in een afgelegen dorp, waar geen opleidingsmogelijkheden zijn.



Wat is het oordeel van de rechtbank?



6. In artikel 3, derde lid, van de RWN (het zogenoemde grootouderartikel) is kortgezegd bepaald dat het kind van een vader of moeder (de ouder) die ten tijde van de geboorte zijn of haar hoofdverblijf in het Koninkrijk Nederland had en zelf ook is geboren als kind van een vader of moeder (de grootouder) die ten tijde van de geboorte (van de ouder) in Nederland hoofdverblijf had, Nederlander is.

7. Van belang is dus allereerst wat het hoofdverblijf van de ouders van eiser was ten tijde van zijn geboorte. Volgens de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap wordt vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland in ieder geval aangenomen als een persoon meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de periode van zes maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader van eiser ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf had in Nederland. Alleen het hoofdverblijf van de moeder van eiser is in geschil. 8.1. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de moeder van eiser op 1 april 2003 in Turkije is aangekomen en op 16 december 2003, acht en half maand later, weer naar Nederland is gegaan. Zij heeft dus langer dan zes maanden buiten Nederland verbleven. Niet is aannemelijk geworden dat sprake was van buiten haar schuld om gelegen omstandigheden voor deze langere duur. In dat verband overweegt de rechtbank dat eiseres toen nog niet zwanger was van eiser. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de moeder van eiser daarmee haar hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Zij heeft vervolgens twee maanden in Nederland verbleven en is op 25 februari 2004 weer naar Turkije gereisd. Die twee maanden zijn niet genoeg om haar hoofdverblijf terug in Nederland te vestigen. Na wederom ruim acht maanden verblijf in Turkije, is eiser op 2 november 2024 in Turkije geboren. 8.2. Verweerder heeft zich gelet op 8.1 naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de moeder van eiser ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf had in Nederland. Daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 3, derde lid, van de RWN en heeft eiser niet op die grond het Nederlanderschap verkregen. De omstandigheid dat eiser op 27 juni 2005 in de BRP is ingeschreven, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat hij als kind een tijd bij zijn oma heeft verbleven en daarmee hoofdverblijf in Nederland had. Het gaat immers om het hoofdverblijf van zijn moeder ten tijde van zijn geboorte.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder van eiser op 28 december 2020 het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en dat eiser als minderjarige in dat verlies heeft gedeeld.



Is het verlies van het Nederlanderschap evenredig?



10. Het is vaste rechtspraak dat bij het verlies van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap altijd een Unierechtelijke evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd. Die Unierechtelijke evenredigheidstoets vergt een volledige beoordeling van de individuele situatie van een betrokkene en in voorkomend geval van zijn gezin. Bij het in kaart brengen van de gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Zo moeten de bevoegde (rechterlijke) autoriteiten zich ervan vergewissen dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde grondrechten, waaronder het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven (punt 45 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, Tjebbes, ECLI:EU:C:2019:189). Een ander mee te wegen relevant gevolg is een situatie waarin een betrokkene bijzondere moeilijkheden ondervindt om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven, teneinde daadwerkelijke en regelmatige banden met gezinsleden te onderhouden, dan wel om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of daarvoor de noodzakelijke stappen te ondernemen (punt 46 van het Tjebbes-arrest). Ontbreken bijzondere moeilijkheden, dan brengt dat mee dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet is geschonden.

11. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het moment van het verlies van het Nederlanderschap moet dienen als toetsingsmoment voor de evenredigheid. Niet alleen de gevolgen die zich op dat moment reeds hebben voorgedaan moeten bij de toetsing betrokken worden, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Hypothetische gevolgen hoeven hierbij niet betrokken te worden. Het is aan de betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij haar met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen zou gaan uitoefenen. Al de gevolgen moeten worden afgewogen tegenover het belang van de staat dat artikelen 15 en 16 van de RWN beogen te dienen, dat een effectieve band tussen de onderdaan en de staat veronderstelt.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de adviezen van de IND van 21 juli 2022 en 20 juni 2025 aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. De adviezen zijn zorgvuldig tot stand gekomen en de IND is op alle door eiser aangevoerde aspecten ingegaan. Zo wordt er in de adviezen op gewezen dat eiser niet concreet heeft onderbouwd dat het, ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap, voorzienbaar was dat hij in Nederland of elders in de EU zou gaan studeren. Ook de omstandigheden waaronder het Nederlanderschap verloren is gegaan, hoe vervelend ook, maken niet dat dit verlies onevenredig is, nu eiser geen Unierechtelijke gevolgen danwel redelijk voorzienbare Unierechtelijke gevolgen heeft ondervonden. Verder staat in de adviezen dat de eenheid van nationaliteit in het gezin niet in het geding is, ondanks dat de broer en zus van eiser wel de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Zij hebben allemaal (ook) de Turkse nationaliteit. Ook is niet gebleken van uitoefening van familieleven met de in Nederland wonende familieleden. Eiser heeft niet specifiek aangegeven welke familiebanden hij heeft met in Nederland wonende familieleden die de normale banden overstijgen. Verder wordt er in de adviezen terecht op gewezen dat aan de stelling dat eiser in Turkije niet in de gelegenheid is om een opleiding te volgen, doordat hij ver weg woont van de grote steden, geen gewicht kan toekomen, omdat dit niet op het Unierecht betrekking heeft. Verweerder heeft op basis van deze adviezen terecht geconcludeerd dat eiser op het moment dat hij zijn Nederlanderschap verloor geen gebruikmaakte van zijn Unierechten.



Redelijke termijn



13. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden.

14. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. In dit geval is het bezwaarschrift op 5 september 2022 door verweerder ontvangen. Ten tijde van de uitspraak zijn er drie jaar, elf maanden en vijftien dagen verstreken. De termijn is daarmee in beginsel met één jaar, elf maanden en vijftien dagen overschreden.

15. De rechtbank heeft het beroepschrift op 20 juli 2025 ontvangen en op 20 augustus 2026 uitspraak gedaan. De behandeling van het beroep heeft daarmee minder dan anderhalf jaar geduurd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding in de bezwaarfase niet geheel aan haar is toe te rekenen, omdat hij lang op reacties van eiser heeft moeten wachten. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 17 november 2022 vragen aan eiser heeft gesteld en heeft gevraagd om een uittreksel uit het Turkse bevolkingsregister van de moeder van eiser. Eiser heeft hier bijna acht maanden later voor het eerst en bovendien niet volledig op gereageerd. Verweerder heeft daarna meerdere keren een herinnering gestuurd voor onder andere het gevraagde uittreksel uit het bevolkingsregister. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat het is voorgekomen dat e-mails haar niet hebben bereikt, overweegt de rechtbank dat bestendig e-mailcontact bestond tussen eiser en verweerder en dat het dossier geen indicatie geeft dat de e-mails van verweerder de gemachtigde van eiser niet zouden hebben bereikt. Eiser heeft uiteindelijk pas op 9 april 2024 gereageerd dat er geen verdere stukken zijn. Dit is één jaar en bijna 5 maanden na het oorspronkelijke verzoek van 17 november 2022.
Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 15 mei 2024 heeft verzocht om overlegging van een registratieoverzicht van de binnenkomsten in en vertrek uit Turkije, op te vragen bij de Turkse politie, met een vertaling daarvan. Verweerder heeft pas negen maanden later, op 11 februari 2025, een goed leesbare versie met een gelegaliseerde vertaling van eiser ontvangen.Verweerder heeft in totaal twee jaar en twee maanden op de gevraagde informatie en stukken moeten wachten.

16. Gelet op voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de termijnoverschrijding niet geheel aan verweerder is toe te rekenen. In het processuele gedrag van eiser ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot het verlengen van de redelijke termijn. De rechtbank acht een reactietermijn van drie maanden elk voor het overleggen van een uittreksel uit het bevolkingsregister en voor het overleggen van een registratieoverzicht van binnenkomsten en vertrek uit Turkije met een gelegaliseerde vertaling reëel, nu eiser daarbij onder andere afhankelijk is van buitenlandse instanties. De overige tijd die verweerder heeft moeten wachten op reactie van eiser behoort naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening van verweerder te komen. Het gaat dan nog om een periode van één jaar en acht maanden. De redelijke termijn wordt met die periode verlengd tot drie jaar en acht maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer drieënhalf maanden is overschreden.

16. De rechtbank zal daarom, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, de schadevergoeding voor eiser vaststellen op een bedrag van € 500,00, als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.





Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

18. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,00 (1 punt ter waarde van € 934,00 voor het verzoek, met een wegingsfactor 0,5, omdat het een verzoek van een zeer licht gewicht betreft) voor verleende rechtsbijstand.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 500,00 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,00 aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


BIJLAGE




Rijkswet op het Nederlanderschap


Artikel 3
(…)

3. Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.


Artikel 15, zoals dat luidde ten tijde van belang (ten tijde van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap)

1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…);
c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;

(…).
(…)

3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.


Artikel 16

1. Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren:
(…);
d. indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A;
(…).
2. Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:
(…);
d. indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Stb.268), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b;
(…).


Op grond van artikel 6, eerste lid en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals dat toen luidde.


Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.


Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:421.


Uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, r.o. 11.2.


Op 24 juli 2023, op 23 augustus 2023 en op 18 januari 2024.