Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24003

2026-08-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 25/18874 V
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 25/18874 V
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet. Artikel 71b Vreemdelingenwet niet in strijd met EVRM en Handvest. De uitspraak van de Afdeling ECLI:NL:RVS:2022:3353 over de bestuurlijke dwangsom ziet ook op het huidige artikel 71b van de Vreemdelingenwet (toen: Tijdelijke wet).

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.149 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: AWB 25/18874 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen




[opposant]
, V-nr. [v-nummer], geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse nationaliteit, opposant,
(gemachtigde: mr. A. Khouttour),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.



Procesverloop


Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een besluit door verweerder.



In de uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.



Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.




Overwegingen

1. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder niet tijdig heeft beslist.

2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is.



Wat heeft de rechtbank beslist?


3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, verweerder een beslistermijn, een rechterlijke dwangsom en een proceskostenveroordeling opgelegd. De rechtbank heeft beslist dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd.



Waarom is verzet ingesteld?


4. Opposant heeft onder meer en voor zover hier van belang aangevoerd dat de rechtbank de bestuurlijke dwangsom ten onrechte niet heeft verbeurd. De zaak is ten onrechte gekwalificeerd als lichte zaak en de opgelegde rechterlijke dwangsom is onvoldoende. De rechtbank had het beroep niet vereenvoudigd mogen afdoen.



Beoordeling



5.1
De verzetrechter zal het verzet ongegrond verklaren en uitleggen waarom.


5.2.1
In de uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de beslissing om de bestuurlijke dwangsom niet te verbeuren niet toegelicht. Opposant heeft in het verzetschrift verwezen naar artikel 71b van de Vreemdelingenwet. Volgens opposant is de uitsluiting van de bestuurlijke dwangsom in strijd met de artikelen 6 en 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest. De uitsluiting maakt het instellen van beroep niet effectief, illusoir en holt de rechtsbescherming uit. De afwijzing is onvoldoende gemotiveerd.



5.2.2

De rechtbank overweegt dat het beginsel van effectieve rechtsbescherming met zich meebrengt dat degene die aan het Unierecht rechten ontleent, deze via de rechter kan afdwingen. De indiener van een aanvraag heeft het recht om zich tot de rechter te wenden wanneer een besluit op die aanvraag te lang op zich laat wachten. De rechter heeft de mogelijkheid om besluitvorming af te dwingen door een rechterlijke dwangsom op te leggen. Dat recht van de indiener en de mogelijkheden die de rechter heeft zijn (kort gezegd) ingebed in het Europees recht. Dat betekent dat opposant niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat het instellen van beroep niet effectief is, illusoir is en dat sprake is van uitholling van de rechtsbescherming.
De bestuurlijke dwangsom daarentegen, is niet gebaseerd op een Europese verplichting. Dat betekent dat een lidstaat – hier: Nederland – eigen regels mag stellen of en op welke zaken de bestuurlijke dwangsom van toepassing is. De uitspraak van de Afdeling, vermeld in noot 5, is gebaseerd op de Tijdelijke wet. In artikel 71b van de Vreemdelingenwet is de uitsluiting van de bestuurlijke dwangsom, zoals die eerder in de Tijdelijke wet was vastgelegd, opgenomen. Bovengenoemde jurisprudentie is dan ook van toepassing op artikel 71b van de Vreemdelingenwet. De uitsluiting van de bestuurlijke dwangsom maakt niet dat geen sprake is van effectieve rechtsbescherming, aangezien er alsnog om een rechterlijke dwangsom kan worden verzocht.




5.2.3
Voor zover opposant tevens heeft beoogd aan te voeren dat in de uitspraak de afwijzing van de bestuurlijke dwangsom niet is onderbouwd, is de verzetrechter van oordeel dat de rechtbank de afwijzing niet hoefde te onderbouwen. De uitsluiting staat met zoveel woorden in de wet. De rechtbank wijst er bovendien op dat opposant gebruik maakt van een professionele rechtshulpverlener die moet worden geacht op de hoogte te zijn van de voorgeschiedenis van artikel 71b van de Vreemdelingenwet.



5.3.1
Opposant heeft aangevoerd dat hij aanspraak maakt op een hogere proceskostenvergoeding, omdat er sprake is van een structurele termijnoverschrijding, een correcte ingebrekestelling, principiële vragen over de effectiviteit van de rechtsbescherming en toetsing aan Europese wetgeving. Opposant heeft verwezen naar vaste jurisprudentie.



5.3.2
Het is, sinds 2016, vaste jurisprudentie dat de wegingsfactor licht (0,5) wordt gehanteerd bij een gegrond beroep dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen. In de uitspraak waar is beslist op het door opposant ingestelde beroep over het niet tijdig beslissen, is in de overweging waarin de hoogte van de proceskostenvergoeding niet expliciet overwogen waarom factor 0,5 wordt gehanteerd. Het ontbreken van de expliciete toelichting leidt niet tot een gegrond verzet, nu de rechtbank een vaste jurisprudentielijn heeft toegepast. De rechtbank wijst er bovendien op dat opposant gebruik maakt van een professionele rechtshulpverlener, die wordt geacht de vaste jurisprudentie te kennen.



5.3.3
Opposant heeft de verwijzing naar vaste jurisprudentie waar anders uit zou blijken niet onderbouwd. De verzetrechter kan om die reden niet nader op dit punt ingaan. De door opposant gestelde principiële vragen over de effectiviteit van de rechtsbescherming en toetsing aan Europese wetgeving is in de punten 5.2.1 t/m 5.2.3 aan de orde gekomen. Het indienen van een correcte ingebrekestelling is voor het bepalen van de hoogte van de proceskostenvergoeding niet van belang. Indien geen sprake is van een juiste ingebrekestelling kan dat leiden tot een niet-ontvankelijk beroep. De door opposant genoemde structurele termijnoverschrijding kan evenmin van invloed zijn op de hoogte van de proceskostenvergoeding. De hoogte van de proceskostenvergoeding is afhankelijk van de complexiteit van de zaak.




5.4

De verzetrechter moet tot slot de vraag beantwoorden of de rechtbank het beroep ten onrechte vereenvoudigd heeft behandeld.
De verzetrechter wijst opposant op Afdeling 8.2.4a van de Awb, waarin expliciet is bepaald dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb uitspraak doet op het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, tenzij. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat van die tenzij geen sprake was.


6. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 19 december 2025 blijft in stand.

7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van
M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op **
26 augustus 2026



griffier
rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Dit betekent dat de zaak tot een definitief einde is gekomen.


Coll: M.P.O.
D: B



artikel 8:54 van de Awb


het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden


het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie



ECLI:NL:RVS:2022:3353 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2022:3353&keyword=ECLI:NL:RVS:2022:3353), punten 5.2 en 5.3


de afkorting Tijdelijke wet staat voor Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, Stb. 2020, 242


artikel 71b van de Vreemdelingenwet


zie onder meer ECLI:NL:RVS:2018:591 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2018:591&keyword=ECLI:NL:RVS:2018:591), punten 5 t/m 5.2, en ECLI:NL:RVS:2024:1796 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2024:1796&keyword=ECLI:NL:RVS:2024:1796)