Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23972

2026-09-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht SGR 26/5695
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
SGR 26/5695
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vovo. PW. Verzoekster is actief betrokken in een bedrijf. Het is aan haar om inzichtelijk te maken welke werkzaamheden zij voor het bedrijf verricht en in welke omvang.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.234 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht



zaaknummer: SGR 26/5695


uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S. Lopez y Zondervan),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, verweerder
(gemachtigde: E. Doeve).





Procesverloop


Bij besluit van 13 april 2026 heeft verweerder verzoeksters aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 9 december 2025 afgewezen.



Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in onderhavig geval voldoende aangetoond.

4. Op 9 december 2025 heeft verzoekster een bijstandsuitkering aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Volgens verweerder heeft verzoekster geen volledige en controleerbare informatie verstrekt over haar feitelijke werkzaamheden en haar rol binnen het bedrijf “ [bedrijfsnaam] ”. Verder heeft zij niet alle gevraagde rekeningafschriften met verklaringen van bijschrijvingen overgelegd en evenmin een verklaring over het mogelijk huren van een externe opslagruimte.

5. Verzoekster voert aan dat het feit dat zij als founder van ” [bedrijfsnaam] ” op de website is gepresenteerd op zichzelf onvoldoende is om de bijstandsuitkering af te wijzen. Zij is weliswaar de grondlegger van het bedrijfsconcept en het was ook oorspronkelijk haar bedrijfsidee, maar dat betekent volgens haar niet dat zij financieel of bedrijfsmatig betrokken is bij de onderneming van haar zoon. Zij heeft het bedrijfsplan aan haar zoon gegeven en hem hierin vrijwillig geadviseerd in haar rol van moeder. De gegeven adviezen dienen te worden gezien binnen de normale familiaire verhouding tussen moeder en zoon en kunnen niet worden aangemerkt als economische of zakelijke betrokkenheid. Het enkele feit dat bij de Kamer van Koophandel-inschrijving haar emailadres is gebruikt, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat zij feitelijk eigenaar is of betrokken is bij de onderneming. Het emailadres was slechts om praktische reden opgegeven. Het emailadres van de zoon was destijds niet professioneel genoeg. Voorts heeft verzoekster er op gewezen dat de twee Bunq-rekeningen weliswaar op haar naam stonden, maar dat haar zoon deze rekening tijdelijk heeft gebruikt omdat het hem niet lukte een eigenrekening te openen. De zoon heeft op 31 januari 2026 een eigen Bunq-rekening geopend, die formeel op 19 januari 2026 is ingegaan.


6.1.
De te beoordelen periode loopt van 9 december 2025, de datum waarop verzoeker een bijstandsaanvraag heeft ingediend, tot en met 13 april 2026, de datum van het primaire besluit.



6.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.



6.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat voorafgaand aan de periode in geding verzoekster het plan had opgevat om een eigen bedrijf te starten en hiervoor een bedrijfsplan had opgesteld. Tijdens de periode in geding is een website van [bedrijfsnaam] actief geworden en daarop stonden foto’s en teksten van verzoekster als zijnde de founder van het bedrijf, is ook het domeinnaam hiervan vastgelegd en is het bedrijf op Facebook en Instagram gepresenteerd. Ook blijkt uit de uittreksel van de Kamer van Koophandel dat het (privé) mailadres van verzoekster is verbonden aan het bedrijf. Dat het emailadres van de zoon niet professioneel genoeg was om als correspondentieadres te fungeren, zoals gesteld door verzoekster, acht de rechtbank niet aannemelijk. Niet valt in te zien dat de zoon, als de gestelde eigenaar, niet zelf een nieuwe emailadres had kunnen maken met het oog op de bedrijfsvoering. Ook is gebleken dat in de periode in geding op de bankrekening van verzoekster betalingen zijn ontvangen die betrekking hadden op het bedrijf. Verder blijkt uit de email van 12 augustus 2026 dat verzoekster na de periode in geding nog incidenteel bestellingen aanneemt en bezorgt. Deze feiten en omstandigheden tezamen geven naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter reden om te concluderen dat verzoekster ook in de periode in geding actief betrokken was bij de bedrijfsvoering van het bedrijf [bedrijfsnaam] .



6.4.
Nu er sprake is van betrokkenheid van verzoekster bij het bedrijf dient verzoekster inzichtelijk te maken in welke omvang zij werkzaamheden voor het bedrijf verricht(te). Het is duidelijk dat het een beginnend bedrijf is en dat verzoekster niet fulltime bezig was met het bedrijf. Het is echter aan verzoekster om duidelijkheid te verschaffen over welke werkzaamheden zij in bedrijf precies verricht(te) en in welke omvang. Nu deze duidelijkheid er niet is, is het voor verweerder niet mogelijk om te beoordelen hoe hoog de geldelijke waardering daarvan in het economisch verkeer zou moeten zijn en, daarvan uitgaande, in hoeverre verzoekster bijstandbehoevend was. Het recht op bijstand is daarom op dit moment niet vast te stellen.



6.5.
Verzoekster heeft nog gesteld dat zij zich in een uitzonderlijk moeilijke en kwetsbare positie bevindt. De nasleep van de hersteloperatie van de toeslagenaffaire, waar zij slachtoffer van is, brengt voortdurende onzekerheid en stress met zich mee. Daarnaast heeft de eerdere stopzetting van haar bijstandsuitkering haar persoonlijke en financiële situatie verslechterd. Daar heeft verweerder volgens verzoekster onvoldoende rekening mee gehouden. Dit betoog slaagt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet. In het geval het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, bestaat geen ruimte voor een belangenafweging.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:CRVB:2025:364


ECLI:NL:CRVB:2017:3656