Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23884

2026-08-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.17372 en NL26.17373
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.17372 en NL26.17373
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Somalië - Statushouder in Polen - verweerder mag uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel - niet onderbouwd dat de benodigde medische behandeling in Polen niet beschikbaar of toereikend is - niet aannemelijk kunnen maken dat eiser zodanig kwetsbaar of niet zelfredzaam is, dat niet van hem verwacht kan worden dat hij zijn rechten kan effecturen in Polen - beroep ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.629 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.17372 en NL26.17373



uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen




[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser),

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),



en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).




Inleiding





1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.



1.1.
Eiser heeft op 26 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A. Mohamed als tolk en de gemachtigde van verweerder.





Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze zaak over?



2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft op 26 december 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat aan eiser internationale bescherming is verleend door Polen. Eiser heeft verklaard dat hij Polen heeft verlaten omdat hij daar geen woning en medische zorg kon krijgen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat eiser internationale bescherming geniet in Polen. Verweerder gaat daarbij uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Polen zich niet houdt aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Antifolterverdrag. De verklaringen van eiser over het niet kunnen verkrijgen van een woning en benodigde medische hulp in Polen zijn onvoldoende om aan te nemen dat niet van dit beginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft namelijk medicatie ontvangen in Polen. Ook heeft eiser volgens verweerder onvoldoende inspanning verricht om zijn rechten te effectueren in Polen, nu hij zich niet heeft gewend tot de (medische) autoriteiten en drie dagen na het verkrijgen van zijn verblijfstitel is vertrokken.




Wat vindt eiser in beroep?



4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij zijn rechten niet zou hebben geëffectueerd in Polen. Eiser heeft wel degelijk geprobeerd zijn rechten te effectueren. Hij heeft weliswaar medicijnen voor zijn medische klachten gekregen, maar dat is niet de juiste medische behandeling voor zijn klachten. Eiser heeft fysieke en psychische klachten door zijn mishandelingen door Al-Shabaab. Hij is daardoor niet zelfredzaam en heeft steun nodig van zijn familieleden die in het Verenigd Koninkrijk en Nederland verblijven. Eiser heeft een brief van zijn broer overgelegd ter onderbouwing hiervan.




Wat is het oordeel van de rechtbank?



5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.



Het interstatelijk vertrouwensbeginsel


6. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er vanuit gaan dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen. Uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter volgt dat van dit uitgangspunt slechts wordt afgeweken als de vreemdeling aannemelijk kan maken dat in Polen sprake is van structurele tekortkomingen of systeemfouten in de asielprocedure waardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.


6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er in Polen structurele tekortkomingen of systeemfouten aanwezig zijn. De verklaringen van eiser en de door hem overgelegde stukken bieden geen aanknopingspunten om tot die conclusie te komen. Verweerder mag er daarom in beginsel van uitgaan dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij de door hem benodigde medische behandeling niet kan krijgen in Polen en dat de medische hulp die hij daar ontving, ontoereikend zou zijn. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk kunnen maken dat hij zodanig kwetsbaar of niet zelfredzaam is, dat niet van hem verwacht zou kunnen worden dat hij zijn rechten kan effecturen in Polen, zo nodig met bijstand van derden. Zo kan van eiser verwacht worden dat hij zich (opnieuw) in Polen meldt voor medische hulp. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.



De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.



Waar de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) doelt zij op de Vw 2000 zoals deze geldt vanaf 12 juni 2026. Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel van de Vw 2000 met daarachter “(oud)” dan doelt zij op het betreffende artikel uit de Vw 2000 zoals dat gold op 11 juni 2026, direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact en de daarbij behorende nationale Uitvoeringswet.


Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (oud).


Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.


Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2024 ECLI:NL:RVS:2024:3455, 15 april 2025 ECLI:NL:RVS:2025:1659 en 14 augustus 2025 ECLI:NL:RVS:2025:3800.