Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23880

2026-08-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.2688
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.2688
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de overdrachtstermijn is verlengd. Dat eiser gevangen zit, is onvoldoende. De verwijzing naar een vaste gedragslijn, zonder dat deze is vastgelegd in een beleidsregel, is niet voldoende. Verweerder moet op grond van artikel 3:4 Awb de belangen die door eiser zijn aangevoerd, gemotiveerd in zijn besluit betrekken.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.738 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.2688


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiser] , V-nummer: [#] , eiser
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).



Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de termijn voor overdracht aan Kroatië verlengd tot maximaal twaalf maanden.



1.1
Verweerder heeft op 23 juli 2026 een verweerschrift ingediend.



1.2
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Beoordeling door de rechtbank



Waar gaat deze uitspraak over?



2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd waarom de termijn is verlengd. Verweerder heeft ten onrechte eisers belangen niet betrokken. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.



Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?



3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998.


3.1
Op 25 juli 2025 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. In het besluit van 19 september 2025 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat verweerder Kroatië verantwoordelijk houdt voor de behandeling van de asielaanvraag. In de uitspraak van 17 november 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit van 19 september 2025 vernietigd. Verweerder heeft nog geen nieuw besluit genomen.



3.2
Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van meerdere misdrijven. Op dit moment verblijft hij vanaf 11 november 2025 in preventieve hechtenis in afwachting van de behandeling van de strafzaak waarbij eiser wordt verdacht van een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling.



3.3
Aan het Bureau Medisch Advies (BMA) is advies gevraagd. Op 1 november 2023 heeft het BMA advies uitgebracht. Uit het BMA-advies en de aanvullende nota's volgt dat eiser lijdt aan schizofrenie en last heeft van akoestische hallucinaties. Hij is opgenomen geweest in Fivoor en het Klinisch Centrum Acute Psychiatrie van ParnassiaGroep.



Wat is het toetsingskader?




4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en migratiebeheerverordening in werking getreden. Deze Verordening heeft onmiddellijke werking. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming een redelijke uitleg van de onmiddellijke werking met zich meebrengt dat overdrachtsbesluiten genomen voor 12 juni 2026 worden getoetst aan de hand van de wetgeving op basis waarvan het besluit is genomen. Omdat het bestreden besluit dateert van véér 12 juni 2026, toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom aan de Dublinverordening.




4.1
In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen. De verantwoordelijkheid gaat dan over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd.



Wat staat er in het bestreden besluit?



5. Omdat eiser gevangen zit, is met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn verlengd tot maximaal een jaar. Eiser kan tot uiterlijk 4 september 2026 aan Kroatië worden overgedragen. De autoriteiten van Kroatië zijn op 9 januari 2026 daarvan op de hoogte gesteld.



Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de overdrachtstermijn is verlengd?



6. Eiser voert aan dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening een zogenaamde 'kan'-bepaling betreft wat inhoudt dat verweerder de overdrachtstermijn kan verlengen, maar daar niet toe gehouden is. Als verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt, moet verweerder dat wel motiveren. Verweerder heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom in dit individuele geval gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid.



6.1
Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat voor de gevallen dat de overdrachtstermijn wordt verlengd omdat sprake is van gevangenzetting, geen schriftelijk beleid en/of een werkinstructie bestaat. Verweerder hanteert in deze gevallen een vaste handelwijze dat als sprake is van gevangenzetting het uitgangspunt is dat de overdrachtstermijn wordt verlengd tot maximaal één jaar. Deze handelwijze sluit volgens verweerder direct aan bij de doelstelling van de Dublinverordening en schaadt de belangen van de over te dragen personen niet. Een handelwijze waarbij met elk individueel geval en de achtergrond van gevangenzetting rekening wordt gehouden zou onvoldoende duidelijk en werkbaar zijn en zich bovendien niet verhouden tot de systematiek van de Dublinverordening.



6.2
De rechtbank begrijpt artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo dat dit artikel de lidstaten niet verplicht om de overdrachtstermijn te verlengen als sprake is van gevangenzetting of onderduiking, maar dat dit artikel de lidstaten daartoe de mogelijkheid geeft. Ook mogen lidstaten – tot aan het maximum – zelf bepalen voor hoe lang de overdrachtstermijn wordt verlengd. Het is aan de betreffende lidstaat om daaraan invulling te geven. Op dit punt geldt het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, wat wil zeggen dat zij kunnen terugvallen op hun interne rechtsregels. Het Nederlands recht bevat geen specifieke regels over verlenging van de overdrachtstermijn. De rechtbank zal voor invulling van deze bevoegdheid dan ook terugvallen op de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



6.3
Op grond van artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen bij de voorbereiding van een besluit. Op grond van artikel 3:4 van de Awb weegt het bestuursorgaan de bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Op grond van artikel 3:46 van de Awb moet een besluit berusten op een deugdelijke motivering waaruit een en ander blijkt. De rechtbank ziet in de bepalingen van de Dublinverordening of de systematiek daarvan geen beperking van voorgaande verplichtingen.



6.4
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit voor de verlenging van de overdrachtstermijn met één jaar enkel heeft gewezen op het feit dat eiser gevangen zit. Daarmee voldoet het besluit niet aan de hierboven genoemde eisen van de Awb. Wat verweerder heeft opgenomen in het verweerschrift kan ook niet als deugdelijke motivering gelden. Verweerder mag op grond van artikel 4:82 van de Awb ter motivering van een besluit verwijzen naar een vaste gedragslijn voorzover die is neergelegd in een beleidsregel. Daarvan heeft verweerder aangegeven dat die er niet is. In een dergelijk geval mag een vaste gedragslijn worden gevolgd voorzover de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit is gemotiveerd. Uit de toelichting in het verweerschrift blijkt echter niet waarom de gedragslijn in het geval van eiser aanvaardbaar is. De door eiser in beroep genoemde belangen zijn daar immers niet bij betrokken. Ook is de rechtbank van oordeel, anders dan verweerder, dat gelet op artikel 3:4 van de Awb betrokken had moeten worden of verlenging zinvol is, gelet op de duur van de gevangenzetting. De overdracht is immers ook een bij het besluit betrokken belang. Weliswaar kunnen verschillende factoren van invloed zijn op de daadwerkelijke duur van de gevangenzetting, zoals een vervroegde invrijheidstelling of juist een verlenging van de gevangenzetting als gevolg van gedragingen van eiser. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verweerder dit in zijn besluitvorming kon en moest betrekken. In dit geval is op zitting gebleken dat de behandeling van eisers strafzaak in november op zitting zal plaatsvinden. Hoe verweerder een overdracht voor zich ziet terwijl eisers strafzaak pas wordt behandeld twee maanden na het aflopen van de verlengde overdrachtstermijn is daarmee niet duidelijk.



6.3
De beroepsgrond slaagt.



Conclusie en gevolgen




7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige gronden van beroep behoeven geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder moet daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.




7.1
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.



Verordening (EU) 604/2013.


NL25.45692 en NL25.45693.


Zie bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof van Justitie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:2, onder 45.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1413.