Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23855
2026-08-24
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.8848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing asiel Syrië. Vrees wegens problemen met vader en stam ongeloofwaardig en niet aannemelijk mogen achten. Beroepsgronden over de beoordeling van artikel 15c Kwalificatierichtlijn (relatief lager niveau) en de humanitaire omstandigheden slagen niet. Beroep ong.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15468 Rechtbank Den Haag 08-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23466 Rechtbank Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2026:12595 Rechtbank Den Haag 19-05-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17980 Rechtbank Den Haag 29-06-2026
- ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUDOOO831907
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.113 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8848
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [datum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een tergkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft vanwege problemen met zijn vader. Eiser is namelijk op zijn zestiende alcohol gaan drinken en dat vonden zijn vader en ooms niet goed. Zijn vader sloeg hem daarom en sloot hem op in huis. Zijn vader noemde hem ‘kafar’. Daarnaast is er een conflict tussen de stam van eiser, Al Zabi, en een andere stam, Al Kiwan. Eiser heeft gehoord dat hij mee moest vechten tegen Al Kiwan en dat heeft hij niet gedaan. Zijn stam Al Zabi heeft hem om die reden beschuldigd. Eiser vreest dat hij bij terugkeer wordt gedood door zijn stam Al Zabi of door de stam Al Kiwan. Ook vreest eiser bij terugkeer te worden gedood door zijn vader of door anderen, aangezien zijn vader hem vogelvrij heeft verklaard. Tot slot vreest eiser de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de problemen met zijn vader en ooms wegens het drinken van alcohol;
- de beschuldiging door zijn stam Al Zabi, omdat hij niet heeft meegevochten.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Hij vindt ook geloofwaardig dat eiser problemen met zijn vader en ooms heeft gehad wegens het drinken van alcohol. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege deze problemen een zwaarwegende vrees heeft bij terugkeer naar Syrië. De minister vindt niet geloofwaardig dat zijn stam Al Zabi hem heeft beschuldigd, omdat hij niet met de stam heeft meegevochten. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke en individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Afbakening geschil
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser ziet op de vrees voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië. Eiser heeft geen gronden aangevoerd over de asielmotieven die zien op de problemen met zijn familie, de problemen met zijn stam en de algemene vrees voor geweld door de andere stam. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich hierover op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in dit verband een reëel risico loopt op ernstige schade.
Vrees voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige, laagste, gradatie van willekeurig geweld wordt toegepast in Syrië. Hij verwijst daartoe naar verschillende uitspraken waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld geldt. De minister heeft namelijk niet alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met het willekeurige geweld bij deze beoordeling betrokken. Hij beperkt deze ten onrechte tot omstandigheden die in verband staan met een actor die op dit moment partij is bij het gewapende conflict.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet mag uitgaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
6.2.
De rechtbank verwijst ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De minister heeft tijdens de zitting gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2026 en toegelicht dat die uitspraak het standpunt van de minister verwoordt. De rechtbank heeft in die uitspraak, die gaat over hetzelfde gebied als waar eiser uit afkomstig is, vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld. Weliswaar kan ook het handelen van de nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurig geweld. De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding om af te wijken van deze uitspraak.
6.3.
De rechtbank oordeelt verder dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van willekeurig geweld.
Artikel 3 EVRM/Sufi en Elmi
7. Eiser heeft in het kader van de humanitaire omstandigheden in Syrië tot slot in algemene zin gewezen op het arrest Sufi en Elmi.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarom is er geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag, het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000, zoals deze gold voor 12 juni 2026.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:23822, Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:15468 en ECLI:NL:2026:15472 en Rb. Den Haag, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA2025:25445.
Art. 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. Nu opgenomen in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatieverordening. Zie Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 29 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17980.
Zie het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, het EUAA Country Guidance rapport van december 2025 en het EUAA Country of Origin Information rapport van juli 2026.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUDOOO831907, Sufi en Elmi.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8848
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [datum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. C.R. Stoute).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een tergkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft vanwege problemen met zijn vader. Eiser is namelijk op zijn zestiende alcohol gaan drinken en dat vonden zijn vader en ooms niet goed. Zijn vader sloeg hem daarom en sloot hem op in huis. Zijn vader noemde hem ‘kafar’. Daarnaast is er een conflict tussen de stam van eiser, Al Zabi, en een andere stam, Al Kiwan. Eiser heeft gehoord dat hij mee moest vechten tegen Al Kiwan en dat heeft hij niet gedaan. Zijn stam Al Zabi heeft hem om die reden beschuldigd. Eiser vreest dat hij bij terugkeer wordt gedood door zijn stam Al Zabi of door de stam Al Kiwan. Ook vreest eiser bij terugkeer te worden gedood door zijn vader of door anderen, aangezien zijn vader hem vogelvrij heeft verklaard. Tot slot vreest eiser de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de problemen met zijn vader en ooms wegens het drinken van alcohol;
- de beschuldiging door zijn stam Al Zabi, omdat hij niet heeft meegevochten.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Hij vindt ook geloofwaardig dat eiser problemen met zijn vader en ooms heeft gehad wegens het drinken van alcohol. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege deze problemen een zwaarwegende vrees heeft bij terugkeer naar Syrië. De minister vindt niet geloofwaardig dat zijn stam Al Zabi hem heeft beschuldigd, omdat hij niet met de stam heeft meegevochten. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat in heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke en individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Afbakening geschil
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser ziet op de vrees voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië. Eiser heeft geen gronden aangevoerd over de asielmotieven die zien op de problemen met zijn familie, de problemen met zijn stam en de algemene vrees voor geweld door de andere stam. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich hierover op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in dit verband een reëel risico loopt op ernstige schade.
Vrees voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige, laagste, gradatie van willekeurig geweld wordt toegepast in Syrië. Hij verwijst daartoe naar verschillende uitspraken waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld geldt. De minister heeft namelijk niet alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met het willekeurige geweld bij deze beoordeling betrokken. Hij beperkt deze ten onrechte tot omstandigheden die in verband staan met een actor die op dit moment partij is bij het gewapende conflict.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet mag uitgaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
6.2.
De rechtbank verwijst ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De minister heeft tijdens de zitting gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2026 en toegelicht dat die uitspraak het standpunt van de minister verwoordt. De rechtbank heeft in die uitspraak, die gaat over hetzelfde gebied als waar eiser uit afkomstig is, vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld. Weliswaar kan ook het handelen van de nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurig geweld. De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding om af te wijken van deze uitspraak.
6.3.
De rechtbank oordeelt verder dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van willekeurig geweld.
Artikel 3 EVRM/Sufi en Elmi
7. Eiser heeft in het kader van de humanitaire omstandigheden in Syrië tot slot in algemene zin gewezen op het arrest Sufi en Elmi.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in Syrië sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin de humanitaire gronden tegen uitzetting dwingend zijn. Daarom is er geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag, het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000, zoals deze gold voor 12 juni 2026.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:23822, Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:15468 en ECLI:NL:2026:15472 en Rb. Den Haag, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBDHA2025:25445.
Art. 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. Nu opgenomen in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatieverordening. Zie Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 29 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17980.
Zie het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026, het EUAA Country Guidance rapport van december 2025 en het EUAA Country of Origin Information rapport van juli 2026.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUDOOO831907, Sufi en Elmi.