Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23854

2026-08-10 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.12582
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-10
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.12582
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzet, nadere beslistermijn en dwangsom, verzet ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.704 tekens)
uitspraak verzet













RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12582 V




uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van




[naam opposant] , opposant V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 januari 2026 in het geding tussen opposant
en



de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.

2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.



Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

5. Opposant voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2025 ten onrechte heeft overwogen dat een termijn van korter dan twintig weken na de uitspraak een onrealistisch korte periode zou zijn voor een zorgvuldig besluit. Opposant meent dat de rechtbank hiermee onterecht heeft afgeweken van het sporenmodel dat is uitgezet door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, bij uitspraak van 17 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3590). Hierbij verwijst opposant ook naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 mei 2025

(ECLI:NL:RVS:2025:2337). Omdat de rechtbank van de gebruikelijke gedragslijn in de rechtspraak is afgeweken, kon in elk geval niet van een kennelijk oordeel sprake zijn, en had het beroep niet buiten zitting afgedaan mogen worden, aldus de opposant.


6. Het betoog van opposant slaagt niet. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn en de daaraan verbonden hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht. De nadere beslistermijn en de dwangsomhoogte zijn in overeenstemming met de gedragslijn van deze zittingsplaats (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:4567), 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9200), en 21 augustus (2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10144)). De

rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom door de rechtbank in deze zaken de dwangsom wordt bepaald op € 100,- per dag met een maximum van
€ 15.000,-. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank een hogere dwangsom per dag hanteren (en een andere nadere termijn), brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetsprocedure echter niet bedoeld. Bovendien is het vaststellen van de hoogte van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.



Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:








































Documentcode: 025-458-533-250
















Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.