Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23851
2026-08-10
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.34957
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet, besluitmoratorium voor Syrische vluchtelingen, beslistermijn, verzet gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11503 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.849 tekens)
uitspraak verzet
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34957 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant/eiser]
, opposant, tevens eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2025 in het geding tussen opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
en uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb in de zaak tussen
eiser en
de minister
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 14 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beslistermijnen en het besluitmoratorium
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 7 juli 2025 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend, omdat met de toepassing van het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië (het ‘besluitmoratorium’) de beslistermijn in de zaak van opposant op grond van artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot 22 september 2025 werd verlengd.
Het verzet van opposant
6. Opposant is van mening dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte kennelijk niet - ontvankelijk heeft verklaard omdat het eindoordeel geenszins buiten redelijke twijfel staat. Hij meent dat met de beëindiging van het besluitmoratorium op 14 juni 2025, de oorspronkelijke beslistermijn (van zes maanden) weer van kracht is. Volgens opposant dient een besluitmoratorium op grond van artikel 43 van de Vw er enkel toe om een beslistermijn aan te houden / op te schorten voor de werkingsduur van het moratorium, en niet om een beslistermijn te verlengen. Hij wijst erop dat in zijn geval de beslistermijn van zes maanden al verstreken was op het moment dat het besluitmoratorium in werking trad. De minister had daarom meteen na het aflopen van het besluitmoratorium een beslissing moeten nemen. Volgens opposant betekent het voorgaande dat de ingebrekestelling van 7 juli 2025 niet prematuur is.
7. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft de asielaanvraag ingediend op 5 mei 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moest de minister binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. Op 11 december 2024, in werking getreden op 14 december 2024, heeft de minister het besluitmoratorium ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden na de asielaanvraag. Het besluitmoratorium is beëindigd op 14 juni 2025. In haar uitspraak van 28 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11503) heeft deze rechtbank en zittingsplaats echter geoordeeld dat op grond van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn de beslistermijn met het besluitmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluitmoratorium geldt, te weten zes maanden. Hieruit volgt dat in alle zaken waarin de beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat het besluitmoratorium in werking trad, de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een beslissing had moeten nemen. Na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden heeft de minister op 7 juli 2025 een ingebrekestelling ontvangen. De minister heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank is daarom van oordeel dat opposant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beslistermijn van de minister slechts voor de duur van zes maanden is uitgesteld. Omdat de beslistermijn van de aanvraag van opposant al op 5 november 2024 was verstreken, had de minister meteen na afloop van het besluitmoratorium op 14 juni 2025 een beslissing
moeten nemen. De ingebrekestelling op 7 juli 2025 was dan ook niet prematuur zoals de rechtbank in haar uitspraak van 14 oktober 2025 heeft overwogen. Gelet op voorgaande overwegingen was de uitkomst van het beroep niet boven iedere twijfel verheven. De rechtbank heeft het beroep van opposant (eiser) in zijn uitspraak van 14 oktober 2025 dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
8. Het voorgaande betekent dat het verzet gegrond zal worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 12 december 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
9. Het verzet is gegrond. De rechtbank doet daarom ook uitspraak op het beroep. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
10. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in 6, 7, en 8, en neemt deze ook mee in haar beoordeling van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser reeds op 5 november 2024 verlopen was, en dat de minister vervolgens meteen na afloop van het besluitmoratorium (op 14 juni 2025) op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen. De ingebrekestelling van eiser van 7 juli 2025 was dan ook niet prematuur. Eiser heeft vervolgens ten minste twee weken gewacht voordat hij op 29 juli 2025 afzonderlijk beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat de minister inmiddels een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is derhalve gegrond.
10. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank bepalen dat de minister binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient de minister binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
12. Een feit van algemene bekendheid is dat onder meer door personeelstekorten bij de minister de aanvragen in vreemdelingenzaken meestal niet binnen de wettelijke beslistermijnen kunnen worden afgehandeld. Het is dan ook niet aannemelijk dat van het opleggen van een hogere dwangsom een extra prikkel uitgaat voor verweerder om tot een snellere afhandeling van deze of andere vreemdelingenzaken over te gaan. De rechtbank zal in overeenstemming met de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl bepalen dat verweerder een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
12. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 700,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 700,50-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Documentcode: 025-599-690-271
Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden verzet open. De partij die verzet aantekent kan daarbij verzoeken om te worden gehoord.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34957 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam opposant/eiser]
, opposant, tevens eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2025 in het geding tussen opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
en uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb in de zaak tussen
eiser en
de minister
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 14 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beslistermijnen en het besluitmoratorium
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de ingebrekestelling van opposant van 7 juli 2025 vóór het verstrijken van de beslistermijn is ingediend, omdat met de toepassing van het besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië (het ‘besluitmoratorium’) de beslistermijn in de zaak van opposant op grond van artikel 43 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tot 22 september 2025 werd verlengd.
Het verzet van opposant
6. Opposant is van mening dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte kennelijk niet - ontvankelijk heeft verklaard omdat het eindoordeel geenszins buiten redelijke twijfel staat. Hij meent dat met de beëindiging van het besluitmoratorium op 14 juni 2025, de oorspronkelijke beslistermijn (van zes maanden) weer van kracht is. Volgens opposant dient een besluitmoratorium op grond van artikel 43 van de Vw er enkel toe om een beslistermijn aan te houden / op te schorten voor de werkingsduur van het moratorium, en niet om een beslistermijn te verlengen. Hij wijst erop dat in zijn geval de beslistermijn van zes maanden al verstreken was op het moment dat het besluitmoratorium in werking trad. De minister had daarom meteen na het aflopen van het besluitmoratorium een beslissing moeten nemen. Volgens opposant betekent het voorgaande dat de ingebrekestelling van 7 juli 2025 niet prematuur is.
7. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft de asielaanvraag ingediend op 5 mei 2024. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moest de minister binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. Op 11 december 2024, in werking getreden op 14 december 2024, heeft de minister het besluitmoratorium ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden na de asielaanvraag. Het besluitmoratorium is beëindigd op 14 juni 2025. In haar uitspraak van 28 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:11503) heeft deze rechtbank en zittingsplaats echter geoordeeld dat op grond van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn de beslistermijn met het besluitmoratorium niet kan worden verlengd, maar hoogstens dat de beslissing kan worden uitgesteld zolang het besluitmoratorium geldt, te weten zes maanden. Hieruit volgt dat in alle zaken waarin de beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat het besluitmoratorium in werking trad, de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een beslissing had moeten nemen. Na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden heeft de minister op 7 juli 2025 een ingebrekestelling ontvangen. De minister heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank is daarom van oordeel dat opposant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beslistermijn van de minister slechts voor de duur van zes maanden is uitgesteld. Omdat de beslistermijn van de aanvraag van opposant al op 5 november 2024 was verstreken, had de minister meteen na afloop van het besluitmoratorium op 14 juni 2025 een beslissing
moeten nemen. De ingebrekestelling op 7 juli 2025 was dan ook niet prematuur zoals de rechtbank in haar uitspraak van 14 oktober 2025 heeft overwogen. Gelet op voorgaande overwegingen was de uitkomst van het beroep niet boven iedere twijfel verheven. De rechtbank heeft het beroep van opposant (eiser) in zijn uitspraak van 14 oktober 2025 dan ook ten onrechte zonder zitting afgedaan.
8. Het voorgaande betekent dat het verzet gegrond zal worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 12 december 2025 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin zich dat bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
9. Het verzet is gegrond. De rechtbank doet daarom ook uitspraak op het beroep. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
10. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in 6, 7, en 8, en neemt deze ook mee in haar beoordeling van het beroep. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser reeds op 5 november 2024 verlopen was, en dat de minister vervolgens meteen na afloop van het besluitmoratorium (op 14 juni 2025) op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen. De ingebrekestelling van eiser van 7 juli 2025 was dan ook niet prematuur. Eiser heeft vervolgens ten minste twee weken gewacht voordat hij op 29 juli 2025 afzonderlijk beroep heeft ingesteld. Niet is gebleken dat de minister inmiddels een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser. Het beroep is derhalve gegrond.
10. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank bepalen dat de minister binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient de minister binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
12. Een feit van algemene bekendheid is dat onder meer door personeelstekorten bij de minister de aanvragen in vreemdelingenzaken meestal niet binnen de wettelijke beslistermijnen kunnen worden afgehandeld. Het is dan ook niet aannemelijk dat van het opleggen van een hogere dwangsom een extra prikkel uitgaat voor verweerder om tot een snellere afhandeling van deze of andere vreemdelingenzaken over te gaan. De rechtbank zal in overeenstemming met de aanbeveling van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB), gepubliceerd op www.rechtspraak.nl bepalen dat verweerder een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
12. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5. Het indienen van een verzetschrift levert 0,5 punt op met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,5. Toegekend wordt € 700,50.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 700,50-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Documentcode: 025-599-690-271
Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden verzet open. De partij die verzet aantekent kan daarbij verzoeken om te worden gehoord.