Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23843

2026-08-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL.26.22929, NL26.22932, NL26.27256
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL.26.22929, NL26.22932, NL26.27256
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Overdrachtsbesluiten, verlenging overdrachtstermijn, Overdracht naar Oostenrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroepen ongegrond, beroep tegen verlengingsbesluit niet-ontvankelijk.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.686 tekens)
uitspraak














RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers:
NL26.22929 (overdrachtsbesluit eiser 1), NL26.22932 (overdrachtsbesluit eiser 2) NL26.27256 (verlenging overdrachtstermijn eiser 1)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen


[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser 1



[eiser 2]
, V-nummer: [v-nummer 2] , eiser 2 samen: eisers
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua), en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.





Procesverloop


Bij besluiten van 15 april 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en hierbij een aantal gronden aangevoerd (zaaknummers NL26.22929 en NL26.22932). Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



Bij brief van 7 mei 2026 heeft verweerder eiser 1 in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit). Eiser 1 heeft beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit (zaaknummer NL26.27256). Hij heeft bij dit beroep geen beroepsgronden ingediend.



De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming om zonder zitting uitspraak te doen. Omdat geen van partijen binnen de gestelde termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.





Overwegingen



Inleiding




1. Eisers hebben de Turkse nationaliteit en zijn broers. Zij hebben op 16 februari 2026 asielaanvragen in Nederland ingediend.



1.1.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eisers op 4 oktober 2023 in Oostenrijk verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. Uit onderzoek in het Schengen Informatiesysteem blijkt dat Oostenrijk de aanvragen heeft afgewezen op 13 februari 2026. Op 16 februari 2026 heeft verweerder aan de Oostenrijkse autoriteiten verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 9 maart 2026 hebben de Oostenrijkse autoriteiten het terugnameverzoek op die grondslag aanvaard.


1.2.
Bij brief van 7 mei 2026 heeft verweerder eiser 1 in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen tot 18 maanden. Eiser is volgens verweerder vertrokken zonder dat bekend is waarheen. Verweerder verwijst naar artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.



Het oordeel van de rechtbank over de overdrachtsbesluiten (zaaknummers NL26.22929 en NL26.22932)





Wat vinden eisers?




2. Volgens eisers kan niet zonder meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk. Hiervoor verwijzen zij naar het arrest
M.S.S. t. België en Griekenland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)(ECLI:CE:ECHR:2011:0121). Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is Unierechtelijk, terwijl er uit het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verdergaande procedurele verplichtingen voortvloeien. Eisers verklaren bovendien uit eigen ervaring dat zij in Oostenrijk ernstige discriminatie hebben ervaren en dat van hen misbruik is gemaakt. Hiervoor verwijzen zij naar een klacht die bij het beroepschrift is gevoegd en stellen dat verweerder nader onderzoek had moeten doen. Zij vrezen dat zij bij overdracht aan Oostenrijk op dezelfde manier zullen worden behandeld. Ook handelde Oostenrijk in strijd met het arrest Changu van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 12 september 2024 (ECLI:EU:C:2024:748). Eisers zijn niet voorzien van bed, bad en brood en zijn volledig op zichzelf aangewezen. Bij overdracht lopen zijn een reëel risico om in een staat van vergaande materiële deprivatie terecht te komen.

Wat is het juridisch kader?





2.1.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel vloeit voort uit het EU-recht. Overdracht aan een andere lidstaat mag niet leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Dit volgt bijvoorbeeld uit het door eisers aangehaalde arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van het EHRM. In het EU-recht geldt een vergelijkbare toets aan artikel 4 van het Handvest (zie het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Anders dan eiser



stelt, staat het Hof, net als het EHRM, dus geen ‘blind vertrouwen’ jegens andere EU-lidstaten toe.


3. De onderzoeksplicht die geldt op grond van artikel 3 van het EVRM is niet anders en dus ook niet verderstrekkend dan op grond van artikel 4 van het Handvest. Bij beide toetsingskaders is het in eerste instantie aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest. Als de vreemdeling zich onder verwijzing naar objectieve informatie gemotiveerd op het standpunt stelt dat verweerder niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, dan is het aan verweerder om gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan. Verweerder moet ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft, om te beslissen of hij nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verweerder mag een vreemdeling namelijk niet overdragen wanneer hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Als verweerder er niet in slaagt om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van voornoemd vermoeden mag uitgaan en hij niet het asielverzoek aan zich wil trekken, is hij gehouden een nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat. De rechtbank verwijst in dit kader naar het hiervoor genoemde arrest van het EHRM M.S.S t. België en Griekenland, het arrest X van het Hof van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455). In die uitspraak heeft de Afdeling de bewijslastverdeling bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel weergegeven, waarbij zij de overwegingen van het Hof uit het arrest X van 29 februari 2024 heeft betrokken.

Wat is de bewijslastverdeling?


4. Uit het voorgaande volgt dat het in eerste instantie aan eisers is om aannemelijk te maken dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk kan worden uitgegaan. De rechtbank zal hierna beoordelen of eisers dit hebben gedaan, en zo ja, of verweerder vervolgens deugdelijk onderzoek heeft verricht naar een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Handvest.

Kan verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?


5. De Afdeling heeft in uitspraken van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359), 24

oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4303), en 8 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:31)
geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij is onder andere ingegaan op het feit dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Oostenrijk.




5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Oostenrijk desondanks een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Eisers hebben in dit kader niet



verwezen naar (objectieve) landeninformatie. Wel hebben zij verklaard dat zij ernstige discriminatie hebben ondervonden in de opvang, dat er misbruik van hen werd gemaakt en dat eiser 2 een klacht namens hem en eiser 1 heeft ingediend waarmee niets werd gedaan. Eisers verwijzen hiervoor naar een e-mail die is gestuurd aan een e-mailadres eindigend op [e-mailadres] . Daarin stelt eiser 2 dat hij slecht behandeld is door zijn verhuurder, waardoor hij zich onveilig voelde, en verwijst hij naar racisme van de mensen om hem heen waardoor hij gedwongen werd Oostenrijk te verlaten. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vervelende ervaringen van eisers op dit gebied, is dit onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Oostenrijk. Het ziet namelijk op zijn ervaringen als huurder en als inwoner van Oostenrijk en niet op het asiel- en opvangsysteem. Ook hebben eisers hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de Oostenrijkse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest K.R.S. t. het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 2 december 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308). Hun standpunt dat zij – in strijd met het arrest Changu– in Oostenrijk op straat zullen belanden hebben eisers ook niet onderbouwd of nader geconcretiseerd.



5.2.
Verweerder is dus naar het oordeel van de rechtbank van het juiste beoordelingskader uitgegaan en heeft terecht overwogen dat Oostenrijk met het expliciete claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de nieuwe asielaanvragen van eisers met inachtneming van de Europese richtlijnen in behandeling wordt genomen. Van eisers mag worden verwacht dat zij bij voorkomende problemen klagen bij de betreffende Oostenrijkse (hogere) autoriteiten. Eisers hebben, zoals hiervoor ook overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid er niet is of dat de Oostenrijkse autoriteiten hen bij voorbaat niet kunnen of willen helpen.
6. Verweerder heeft in het geval van eiser geen nader onderzoek hoeven doen naar de situatie in Oostenrijk. De beroepsgronden slagen niet.



Het oordeel van de rechtbank over de verlenging van de overdrachtstermijn (zaaknummer NL26.27256)



7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiser 1 over de verlenging van de overdrachtstermijn ontvankelijk is.



7.1.
Een beroepschrift moet ten minste de gronden van het beroep bevatten. Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als daaraan niet is voldaan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De indiener van het beroep moet dan wel de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb).


7.2.
Op 14 mei 2026 heeft eiser 1 een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift bevat geen gronden van beroep. De rechtbank heeft eiser 1 op 26 mei 2026 in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 30 mei 2026 te herstellen door alsnog gronden van beroep in te dienen. Eiser 1 heeft uiteindelijk niet alsnog gronden ingediend.


7.3.
Nu er, ook na de geboden hersteltermijn, geen gronden van beroep zijn ingediend, zal de rechtbank het beroep van eiser 1 met toepassing van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.





Conclusie en gevolgen



8. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Het beroep tegen het verlengingsbesluit is niet-ontvankelijk.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De rechtbank:



- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het verlengingsbesluit niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.




De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




04 augustus 2026



















Documentcode: 025-541-837-225















Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.