Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23826
2026-08-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.26549 en NL26.26550
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel, Comoren, beroep gegrond want pilot zwaarwegendheid onjuist toegepast door ene asielmotief wel op geloofwaardigheid te toetsen en het andere asielmotief niet. Wel aanleiding om rechtsgevolgen in stand te laten. Problemen met gendarmerie terecht niet geloofwaardig en vrees voor vervolging vanwege problemen met de zoon van de president niet aannemelijk gemaakt.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:2333 Raad van State 17-08-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.227 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.26549 (beroep)
NL26.26550 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1998, van Comorese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 19 april 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 6 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en C.M.F. Smits-Chatain als tolk in de Franse taal deelgenomen.
2. Op 21 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat eiser het originele arrestatiebevel kon overleggen, als dat beschikbaar was, en kon toelichten waarom en op welke wijze het arrestatiebevel naar zijn echtgenote in Frankrijk was gestuurd. De termijn hiervoor liep af op 3 augustus 2026, echter heeft eiser van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3. Op 7 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
5. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Zo is onder meer de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
6. Eiser legt – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. In december 2025 is eiser door [persoon 1] , de zoon van [persoon 2] , ongewenst en intimiderend aangeraakt en door hem bedreigd en uitgemaakt voor homoseksueel. Later, in januari 2026, hielp eiser samen met anderen, waaronder [naam] , een groep Congolese migranten. Vijf van hen, die als homoseksueel werden beschouwd, werden door de gendarmerie opgepakt. Eiser heeft hiertegen geprotesteerd. [naam] heeft vervolgens steekpenningen betaald waarna de personen werden vrijgelaten. De dag erop werd eiser door een agent mishandeld en beschuldigd van betrokkenheid bij de ontsnapping en werd zijn vermeende homoseksualiteit genoemd. Daarna is eiser door de gendarmerie en zijn omgeving als homoseksueel gezien en behandeld, wat heeft geleid tot sociale veroordeling. Nadat eiser een oproep ontving van de politie, dook hij onder en verliet hij de Comoren. De gendarmerie is na zijn vertrek nog naar hem op zoek gegaan bij familie. Bij terugkeer vreest eiser vervolgd te worden vanwege de toegedichte homoseksualiteit.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met [persoon 1] , zoon van [persoon 2] ; en
problemen met de gendermarie.
7.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de problemen met [persoon 1] heeft de minister niet beoordeeld en wordt in het midden gelaten omdat deze problemen op voorhand niet zwaarwegend genoeg zijn om een vrees bij terugkeer aan te nemen. Dat eiser problemen heeft met de gendarmerie vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar de Comoren. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij de minister heeft misleid door valse documenten en informatie te verstrekken. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
8. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. De problemen met de gendarmerie zijn volgens eiser wel geloofwaardig. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen de problemen met [persoon 1] en de problemen met de gendarmerie. Ook heeft eiser een verschoonbare reden voor het niet meenemen van de originele oproep. Eiser heeft voldoende concreet verklaard over zijn legale uitreis en over het bezoek bij zijn zus. Verder had de minister de door eiser overgelegde rapporten moeten betrekken. Daarnaast is het niet vreemd dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd want hij wilde doorreizen naar zijn echtgenote in Frankrijk. Vanwege de toegedichte homoseksualiteit kon eiser ook niet in Tanzania blijven. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond nu eiser de minister niet heeft misleid. Tot slot voert eiser aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
10. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. De rechtbank is wel van oordeel dat het besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd is omdat de minister de pilotwerkwijze ‘afdoen op zwaarwegendheid’ onjuist heeft toegepast, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Pilot zwaarwegendheid
11. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat de zaak is afgedaan op de wijze zoals beschreven in IB 2022/102 die ziet op het afdoen van aanvragen op zwaarwegendheid. De rechtbank stelt vast dat de minister de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief ‘problemen met [persoon 1] ’ niet heeft beoordeeld. Dat betekent dat de rechtbank het besluit moet toetsen alsof de minister de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft aangenomen. Daarbij is van belang dat de minister niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden kan laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig kan achten. Dat brengt namelijk het risico mee dat onvoldoende duidelijk wordt welke waarde de minister in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling hecht aan de elementen waarvan hij de geloofwaardigheid niet heeft beoordeeld en hoe het asielrelaas in onderlinge samenhang moet worden bezien. Alleen in de uitzonderlijke situatie dat het gaat om strikt gescheiden asielmotieven mag de minister onderscheid maken tussen asielmotieven voor toepassing van de pilotwerkwijze.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de pilot onjuist toegepast door het ene asielmotief ‘problemen met de gendermarie’ wel op geloofwaardigheid te beoordelen en het andere asielmotief ‘problemen met [persoon 1] ’ niet. Deze asielmotieven zijn namelijk niet strikt gescheiden waardoor de uitzonderingssituatie zoals hierboven genoemd, niet opgaat. Eiser heeft immers verklaard dat het incident met [persoon 1] en de latere problemen met de gendarmerie samenhangen. Bovendien heeft de minister zelf onder de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen met de gendarmerie ook gerefereerd aan elementen die verband houden met de problemen met [persoon 1] . De rechtbank constateert dan ook dat de pilotwerkwijze in deze zaak heeft geleid tot een onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd besluit.
13. De rechtbank verklaart het beroep gelet hierop gegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
Problemen met de gendarmerie
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met de gendarmerie terecht niet geloofwaardig heeft gevonden. Zo heeft eiser het causaal verband tussen de problemen met [persoon 1] en de problemen met de gendarmerie niet aannemelijk gemaakt. Dat de politieagent hem zou hebben gezegd dat hij zal sterven in de gevangenis omdat [persoon 1] zijn baas is, betekent niet dat de politieagent op de hoogte moet zijn geweest van het incident tussen [persoon 1] en eiser waarbij [persoon 1] eiser heeft uitgemaakt voor homoseksueel. De omstandigheid dat de naam van [persoon 1] door de agent wordt genoemd, of dat het woord ‘immers’ door de agent werd gebruikt, is onvoldoende om een causaal verband aan te nemen. Eiser plaatst het incident met [persoon 1] in de maand december 2025 in Moroni en hij heeft daarna geen contact meer met [persoon 1] gehad. Het incident met de politieagent zou medio januari 2026 hebben plaatsgevonden in [plaats] . De gestelde incidenten waren dus zowel in tijd als locatie gescheiden en nergens blijkt uit dat de agent contact zou hebben gehad met [persoon 1] over eiser. Dit acht de rechtbank ook erg onwaarschijnlijk, omdat eiser geen bekendheid geniet of om een andere reden in de maatschappelijke belangstelling staat.
15. Op 17 juli 2026, voorafgaand aan de zitting, heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel gedateerd op 19 mei 2026 overgelegd. In het arrestatiebevel staat vermeld dat eiser wordt gezocht voor brandstichting en dat naar hem een gerechtelijk onderzoek is ingesteld. Eiser heeft, nadat het onderzoek na afloop van de zitting was heropend, het originele arrestatiebevel niet overgelegd. Ook heeft eiser niet nader toegelicht waarom en op welke wijze de kopie naar zijn echtgenote in Frankrijk is gestuurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister terecht beperkte bewijswaarde aan het document heeft toegekend. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook het verband tussen het arrestatiebevel waarin eiser wordt beschuldigd van brandstichting, en eisers asielrelaas ontbreekt.
16. Ten aanzien van de overgelegde rapporten die volgens eiser onderbouwen dat in de Comoren sprake is van corruptie onder opsporingsambtenaren, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft. Uit die rapporten volgt niet dat er individuele omstandigheden spelen waardoor eiser persoonlijk problemen heeft ervaren die maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
17. Voor zover eiser aanvoert dat hij een verschoonbare reden heeft voor het niet meenemen van het originele oproepbevel, slaagt deze grond niet omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom het voor hem te gevaarlijk was de oproep mee te nemen bij zijn vlucht uit de Comoren. Eiser heeft het land immers op reguliere wijze via de douane verlaten en daar geen problemen mee gehad. Verder voert eiser aan dat het feit dat de oproep geen reden bevat niet kan leiden tot de conclusie dat zijn oproep de problemen niet onderbouwt. Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De minister heeft de oproep en de inhoud daarvan bij de beoordeling betrokken. De minister heeft niet alleen gekeken naar het ontbreken van de reden voor de oproep, maar ook betrokken dat er geen verwijzing naar strafbare feiten zijn vermeld en er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat de oproep verband hield met de gestelde problemen. Op basis daarvan is tegengeworpen dat aan de oproepbrief zeer beperkte bewijswaarde toekomt en het document eisers asielrelaas niet zelfstandig kan ondersteunen. De rechtbank kan de minister daarin volgen.
18. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft toegelicht hoe hij legaal het land heeft kunnen verlaten in het licht van de gestelde actieve zoektocht door de autoriteiten. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat het tegenstrijdig is dat eiser heeft verklaard dat hij door de gendarmerie wordt gezocht, hij een oproep heeft ontvangen om zich te melden en dat hij zich vervolgens voor een periode verborgen heeft gehouden uit vrees voor ernstige gevolgen.
18. Voor zover eiser aanvoert dat het niet vreemd is dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd omdat hij vanwege zijn partner naar Frankrijk wilde doorreizen, heeft de minister hier al inhoudelijk op gereageerd in het bestreden besluit. Zo stelt de minister dat eiser niet is ingegaan op de tegenwerping dat hij een vals visum had en stelt dit niet te hebben geweten. Dat eiser onderweg was naar zijn gestelde partner in Frankrijk was bovendien al bekend en is bij de beoordeling betrokken. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat de beroepsgrond niet kan slagen. Ook heeft de minister in het bestreden besluit al inhoudelijk gereageerd op eisers betoog dat hij niet in Tanzania kon blijven vanwege zijn toegedichte homoseksualiteit. Daarover heeft de minister namelijk gesteld dat eiser niet nader heeft toegelicht waarom hij niet veilig was in Tanzania en hoe hij daar twee maanden zonder problemen heeft kunnen verblijven. Ook op dit punt blijkt niet waarom eiser vindt dat het besluit onjuist is.
Gegronde vrees voor vervolging vanwege de problemen met [persoon 1]
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege de problemen met [persoon 1] niet aannemelijk heeft gemaakt. Eisers verklaring dat [persoon 1] naar hem op zoek zou zijn en hem zou willen doden, is gebaseerd op vermoedens en aannames. Zo heeft eiser onvoldoende concrete aanwijzingen gegeven waaruit blijkt dat [persoon 1] negatieve belangstelling voor hem heeft. Eiser heeft ook niet aangetoond dat er na het incident nader direct contact is geweest met [persoon 1] of dat er pogingen zijn ondernomen om hem te lokaliseren.
Afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond
21. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij de minister heeft misleid door informatie en documenten achter te houden die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Eiser heeft de minister immers misleid door met een vals/vervalst visum Nederland in te reizen. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister wel aangegeven op welke wijze hij de minister heeft misleid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Inreisverbod en artikel 8 van het EVRM
22. Voor zover eiser aanvoert dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat deze grond niet slaagt. De minister heeft eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over de datum waarop hij is getrouwd niet overeenkomen met de inhoud van de kopie van de huwelijksakte. Eiser heeft in beroep de drie data die op de huwelijksakte staan, verduidelijkt maar heeft niet toegelicht waarom die data verschillen met de datum uit zijn eigen verklaring. Los daarvan heeft de minister ook tegengeworpen dat eiser niet het originele document heeft meegenomen en hij niet voldoende inzicht heeft gegeven hoe eiser en zijn partner in afwezigheid getrouwd konden worden en welke stappen ze daarvoor hebben moeten ondernemen. Ook heeft de minister tegengeworpen dat niet is gebleken dat eiser en zijn partner bij elkaar in de buurt verbleven ofwel gezamenlijk verblijf hebben geprobeerd op te starten vanaf het moment waarop eiser haar heeft gezien. Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd die gericht zijn tegen deze tegenwerpingen.
Conclusie en gevolgen
23. De minister heeft de afwijzing van de asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat het besluit feitelijk blijft gelden. De reden is dat de minister wel draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser op basis van zijn gestelde problemen met de gendarmerie, geen recht heeft op een asielvergunning en waarom ook eisers gestelde problemen met [persoon 1] niet maken dat hij niet terug kan keren naar de Comoren.
24. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
25. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.26549:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.26550:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot een betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347.
Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met toepassing van artikel 8:72 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Informatiebericht 2022/102 Afdelingsuitspraken inzake de pilot afdoen op zwaarwegendheid.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1.
Uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.5.
Uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.3.
Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Vw 2000.
Artikel 3:46 van de Awb.
Artikel 3:2 van de Awb.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.26549 (beroep)
NL26.26550 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1998, van Comorese nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.C. Kadijk).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 19 april 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 6 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en C.M.F. Smits-Chatain als tolk in de Franse taal deelgenomen.
2. Op 21 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, zodat eiser het originele arrestatiebevel kon overleggen, als dat beschikbaar was, en kon toelichten waarom en op welke wijze het arrestatiebevel naar zijn echtgenote in Frankrijk was gestuurd. De termijn hiervoor liep af op 3 augustus 2026, echter heeft eiser van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3. Op 7 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
4. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
5. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Zo is onder meer de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
6. Eiser legt – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. In december 2025 is eiser door [persoon 1] , de zoon van [persoon 2] , ongewenst en intimiderend aangeraakt en door hem bedreigd en uitgemaakt voor homoseksueel. Later, in januari 2026, hielp eiser samen met anderen, waaronder [naam] , een groep Congolese migranten. Vijf van hen, die als homoseksueel werden beschouwd, werden door de gendarmerie opgepakt. Eiser heeft hiertegen geprotesteerd. [naam] heeft vervolgens steekpenningen betaald waarna de personen werden vrijgelaten. De dag erop werd eiser door een agent mishandeld en beschuldigd van betrokkenheid bij de ontsnapping en werd zijn vermeende homoseksualiteit genoemd. Daarna is eiser door de gendarmerie en zijn omgeving als homoseksueel gezien en behandeld, wat heeft geleid tot sociale veroordeling. Nadat eiser een oproep ontving van de politie, dook hij onder en verliet hij de Comoren. De gendarmerie is na zijn vertrek nog naar hem op zoek gegaan bij familie. Bij terugkeer vreest eiser vervolgd te worden vanwege de toegedichte homoseksualiteit.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met [persoon 1] , zoon van [persoon 2] ; en
problemen met de gendermarie.
7.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De geloofwaardigheid van de problemen met [persoon 1] heeft de minister niet beoordeeld en wordt in het midden gelaten omdat deze problemen op voorhand niet zwaarwegend genoeg zijn om een vrees bij terugkeer aan te nemen. Dat eiser problemen heeft met de gendarmerie vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar de Comoren. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij de minister heeft misleid door valse documenten en informatie te verstrekken. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
8. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. De problemen met de gendarmerie zijn volgens eiser wel geloofwaardig. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen de problemen met [persoon 1] en de problemen met de gendarmerie. Ook heeft eiser een verschoonbare reden voor het niet meenemen van de originele oproep. Eiser heeft voldoende concreet verklaard over zijn legale uitreis en over het bezoek bij zijn zus. Verder had de minister de door eiser overgelegde rapporten moeten betrekken. Daarnaast is het niet vreemd dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd want hij wilde doorreizen naar zijn echtgenote in Frankrijk. Vanwege de toegedichte homoseksualiteit kon eiser ook niet in Tanzania blijven. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond nu eiser de minister niet heeft misleid. Tot slot voert eiser aan dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
10. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand kan blijven. De rechtbank is wel van oordeel dat het besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd is omdat de minister de pilotwerkwijze ‘afdoen op zwaarwegendheid’ onjuist heeft toegepast, waardoor het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Pilot zwaarwegendheid
11. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat de zaak is afgedaan op de wijze zoals beschreven in IB 2022/102 die ziet op het afdoen van aanvragen op zwaarwegendheid. De rechtbank stelt vast dat de minister de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief ‘problemen met [persoon 1] ’ niet heeft beoordeeld. Dat betekent dat de rechtbank het besluit moet toetsen alsof de minister de geloofwaardigheid van dit asielmotief heeft aangenomen. Daarbij is van belang dat de minister niet van een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden kan laten en een ander deel van de verklaringen geloofwaardig of ongeloofwaardig kan achten. Dat brengt namelijk het risico mee dat onvoldoende duidelijk wordt welke waarde de minister in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling hecht aan de elementen waarvan hij de geloofwaardigheid niet heeft beoordeeld en hoe het asielrelaas in onderlinge samenhang moet worden bezien. Alleen in de uitzonderlijke situatie dat het gaat om strikt gescheiden asielmotieven mag de minister onderscheid maken tussen asielmotieven voor toepassing van de pilotwerkwijze.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de pilot onjuist toegepast door het ene asielmotief ‘problemen met de gendermarie’ wel op geloofwaardigheid te beoordelen en het andere asielmotief ‘problemen met [persoon 1] ’ niet. Deze asielmotieven zijn namelijk niet strikt gescheiden waardoor de uitzonderingssituatie zoals hierboven genoemd, niet opgaat. Eiser heeft immers verklaard dat het incident met [persoon 1] en de latere problemen met de gendarmerie samenhangen. Bovendien heeft de minister zelf onder de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen met de gendarmerie ook gerefereerd aan elementen die verband houden met de problemen met [persoon 1] . De rechtbank constateert dan ook dat de pilotwerkwijze in deze zaak heeft geleid tot een onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd besluit.
13. De rechtbank verklaart het beroep gelet hierop gegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.
Problemen met de gendarmerie
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met de gendarmerie terecht niet geloofwaardig heeft gevonden. Zo heeft eiser het causaal verband tussen de problemen met [persoon 1] en de problemen met de gendarmerie niet aannemelijk gemaakt. Dat de politieagent hem zou hebben gezegd dat hij zal sterven in de gevangenis omdat [persoon 1] zijn baas is, betekent niet dat de politieagent op de hoogte moet zijn geweest van het incident tussen [persoon 1] en eiser waarbij [persoon 1] eiser heeft uitgemaakt voor homoseksueel. De omstandigheid dat de naam van [persoon 1] door de agent wordt genoemd, of dat het woord ‘immers’ door de agent werd gebruikt, is onvoldoende om een causaal verband aan te nemen. Eiser plaatst het incident met [persoon 1] in de maand december 2025 in Moroni en hij heeft daarna geen contact meer met [persoon 1] gehad. Het incident met de politieagent zou medio januari 2026 hebben plaatsgevonden in [plaats] . De gestelde incidenten waren dus zowel in tijd als locatie gescheiden en nergens blijkt uit dat de agent contact zou hebben gehad met [persoon 1] over eiser. Dit acht de rechtbank ook erg onwaarschijnlijk, omdat eiser geen bekendheid geniet of om een andere reden in de maatschappelijke belangstelling staat.
15. Op 17 juli 2026, voorafgaand aan de zitting, heeft eiser een kopie van een arrestatiebevel gedateerd op 19 mei 2026 overgelegd. In het arrestatiebevel staat vermeld dat eiser wordt gezocht voor brandstichting en dat naar hem een gerechtelijk onderzoek is ingesteld. Eiser heeft, nadat het onderzoek na afloop van de zitting was heropend, het originele arrestatiebevel niet overgelegd. Ook heeft eiser niet nader toegelicht waarom en op welke wijze de kopie naar zijn echtgenote in Frankrijk is gestuurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister terecht beperkte bewijswaarde aan het document heeft toegekend. Daarbij betrekt de rechtbank dat ook het verband tussen het arrestatiebevel waarin eiser wordt beschuldigd van brandstichting, en eisers asielrelaas ontbreekt.
16. Ten aanzien van de overgelegde rapporten die volgens eiser onderbouwen dat in de Comoren sprake is van corruptie onder opsporingsambtenaren, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft. Uit die rapporten volgt niet dat er individuele omstandigheden spelen waardoor eiser persoonlijk problemen heeft ervaren die maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.
17. Voor zover eiser aanvoert dat hij een verschoonbare reden heeft voor het niet meenemen van het originele oproepbevel, slaagt deze grond niet omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom het voor hem te gevaarlijk was de oproep mee te nemen bij zijn vlucht uit de Comoren. Eiser heeft het land immers op reguliere wijze via de douane verlaten en daar geen problemen mee gehad. Verder voert eiser aan dat het feit dat de oproep geen reden bevat niet kan leiden tot de conclusie dat zijn oproep de problemen niet onderbouwt. Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De minister heeft de oproep en de inhoud daarvan bij de beoordeling betrokken. De minister heeft niet alleen gekeken naar het ontbreken van de reden voor de oproep, maar ook betrokken dat er geen verwijzing naar strafbare feiten zijn vermeld en er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat de oproep verband hield met de gestelde problemen. Op basis daarvan is tegengeworpen dat aan de oproepbrief zeer beperkte bewijswaarde toekomt en het document eisers asielrelaas niet zelfstandig kan ondersteunen. De rechtbank kan de minister daarin volgen.
18. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht tegengeworpen dat eiser niet heeft toegelicht hoe hij legaal het land heeft kunnen verlaten in het licht van de gestelde actieve zoektocht door de autoriteiten. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat het tegenstrijdig is dat eiser heeft verklaard dat hij door de gendarmerie wordt gezocht, hij een oproep heeft ontvangen om zich te melden en dat hij zich vervolgens voor een periode verborgen heeft gehouden uit vrees voor ernstige gevolgen.
18. Voor zover eiser aanvoert dat het niet vreemd is dat hij niet meteen asiel heeft aangevraagd omdat hij vanwege zijn partner naar Frankrijk wilde doorreizen, heeft de minister hier al inhoudelijk op gereageerd in het bestreden besluit. Zo stelt de minister dat eiser niet is ingegaan op de tegenwerping dat hij een vals visum had en stelt dit niet te hebben geweten. Dat eiser onderweg was naar zijn gestelde partner in Frankrijk was bovendien al bekend en is bij de beoordeling betrokken. Uit wat eiser in beroep aanvoert blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is, zodat de beroepsgrond niet kan slagen. Ook heeft de minister in het bestreden besluit al inhoudelijk gereageerd op eisers betoog dat hij niet in Tanzania kon blijven vanwege zijn toegedichte homoseksualiteit. Daarover heeft de minister namelijk gesteld dat eiser niet nader heeft toegelicht waarom hij niet veilig was in Tanzania en hoe hij daar twee maanden zonder problemen heeft kunnen verblijven. Ook op dit punt blijkt niet waarom eiser vindt dat het besluit onjuist is.
Gegronde vrees voor vervolging vanwege de problemen met [persoon 1]
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege de problemen met [persoon 1] niet aannemelijk heeft gemaakt. Eisers verklaring dat [persoon 1] naar hem op zoek zou zijn en hem zou willen doden, is gebaseerd op vermoedens en aannames. Zo heeft eiser onvoldoende concrete aanwijzingen gegeven waaruit blijkt dat [persoon 1] negatieve belangstelling voor hem heeft. Eiser heeft ook niet aangetoond dat er na het incident nader direct contact is geweest met [persoon 1] of dat er pogingen zijn ondernomen om hem te lokaliseren.
Afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond
21. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij de minister heeft misleid door informatie en documenten achter te houden die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben. Eiser heeft de minister immers misleid door met een vals/vervalst visum Nederland in te reizen. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister wel aangegeven op welke wijze hij de minister heeft misleid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Inreisverbod en artikel 8 van het EVRM
22. Voor zover eiser aanvoert dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, is de rechtbank van oordeel dat deze grond niet slaagt. De minister heeft eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over de datum waarop hij is getrouwd niet overeenkomen met de inhoud van de kopie van de huwelijksakte. Eiser heeft in beroep de drie data die op de huwelijksakte staan, verduidelijkt maar heeft niet toegelicht waarom die data verschillen met de datum uit zijn eigen verklaring. Los daarvan heeft de minister ook tegengeworpen dat eiser niet het originele document heeft meegenomen en hij niet voldoende inzicht heeft gegeven hoe eiser en zijn partner in afwezigheid getrouwd konden worden en welke stappen ze daarvoor hebben moeten ondernemen. Ook heeft de minister tegengeworpen dat niet is gebleken dat eiser en zijn partner bij elkaar in de buurt verbleven ofwel gezamenlijk verblijf hebben geprobeerd op te starten vanaf het moment waarop eiser haar heeft gezien. Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd die gericht zijn tegen deze tegenwerpingen.
Conclusie en gevolgen
23. De minister heeft de afwijzing van de asielaanvraag onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat het besluit feitelijk blijft gelden. De reden is dat de minister wel draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser op basis van zijn gestelde problemen met de gendarmerie, geen recht heeft op een asielvergunning en waarom ook eisers gestelde problemen met [persoon 1] niet maken dat hij niet terug kan keren naar de Comoren.
24. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
25. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.26549:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.26550:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot een betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.
Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347.
Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met toepassing van artikel 8:72 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Informatiebericht 2022/102 Afdelingsuitspraken inzake de pilot afdoen op zwaarwegendheid.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.1.
Uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.5.
Uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.3.
Op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d van de Vw 2000.
Artikel 3:46 van de Awb.
Artikel 3:2 van de Awb.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb