Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23821
Inhoudsindicatie
Kennisgeving, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een gebrek in het voortraject, dit maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring echter niet onrechtmatig. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat eiser met de informatiefolder onjuist geïnformeerd is over de redenen van vreemdelingenbewaring, zodat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Ook dit gebrek leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Omdat voor het gebrek in het voortraject al een proceskostenvergoeding wordt toegekend, bestaat voor dit tweede gebrek geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenvergoeding. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser geen bijzondere omstandigheden in het kader van het recht op familie- en gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM heeft aangevoerd die de minister bij het opleggen van een lichter middel had moeten betrekken. Beroep ongegrond, wel pkv.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2022:1195 Raad van State 25-04-2022
- ECLI:EU:C:2025:647
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.232 tekens)
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44835
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Wel is er een gebrek geconstateerd in het voortraject en ten aanzien van de informatieplicht. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1999, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert aan dat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 6 augustus 2026 een andere ophoudingsgrondslag staat vermeld dan in model 105-A. Dat is innerlijk tegenstrijdig en levert een gebrek op in het voortraject, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 6 augustus 2026 inderdaad een andere ophoudingsgrond staat vermeld. Uit het model M105-A volgt dat de ophouding voorafgaand aan de inbewaringstelling is geschied op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw omdat de identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat betrokkene geen rechtmatig verblijf had. Partijen zijn het erover eens dat dit de juiste grondslag is. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 6 augustus 2026 volgt echter dat eisers identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld en daarom de ophouding is geschied op artikel 50, tweede lid, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor onduidelijk is op welke grondslag de ophouding heeft plaatsgevonden. Dat levert een gebrek op in het voortraject.
3.2.
Een gebrek dat verband houdt met een maatregel van vreemdelingenbewaring over hoe een vreemdeling in de macht van de minister is gebracht maakt de inbewaringstelling pas onrechtmatig indien de daarmee diende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. In dit geval weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de belangen die met de maatregel gediend zijn. Het belang van de minister bij oplegging van vreemdelingenbewaring weegt in dit geval zwaarder. Daarin weegt mee dat de minister voldoende (onbetwiste) bewaringsgronden aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Op basis van deze gronden bestaat er een onderduikrisico. Verder is niet gesteld en niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door de onjuiste grondslag van de ophouding. Het geconstateerde gebrek maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring dan ook niet onrechtmatig. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten.
4. Verder voert eiser aan dat onduidelijk is welke informatiefolder aan eiser is uitgereikt. In het dossier bevinden zich twee informatiefolders. Geen van beide informatiefolders is gedateerd. Bovendien is bij één van de informatiefolders grond b niet aangekruist, terwijl deze grond wel aan eiser is tegengeworpen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat voldoende duidelijk is welke informatiefolder aan eiser is uitgereikt omdat de andere informatiefolder evident ziet op een eerdere inbewaringstelling van eiser op dezelfde grondslag, maar nog ten tijde van de toepassing van zware en lichte gronden. Overigens is de rechtbank het met eiser eens dat het wenselijk zou zijn als een informatiefolder gedateerd zou zijn, omdat het bij eenzelfde bewaringsgrondslag niet altijd (even) duidelijk is wat de meest recente versie is. Verder volgt uit artikel 5.10 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) (voorheen artikel 5.3 Vb) dat de vreemdeling schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van vreemdelingenbewaring. In de juiste informatiefolder is niet aangekruist dat grond b aan de maatregel ten grondslag ligt. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze informatiefolder onjuist geïnformeerd is over de redenen van vreemdelingenbewaring, zodat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht.
4.2.
Ook dit gebrek maakt de bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Voor de beoordeling daarvan is van belang of eiser door het gebrek in zijn belangen is geschaad. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat de maatregel met behulp van een tolk aan eiser is toegelicht. Eiser is daarbij geïnformeerd over de redenen van de maatregel en de bewaringsgronden die hem worden tegengeworpen. Daarmee is eiser voldoende geïnformeerd in een taal die hij begrijpt. Niet is gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Ook dit gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Omdat voor het gebrek in het voortraject al een proceskostenvergoeding wordt toegekend, bestaat voor dit tweede gebrek geen aanleiding voor een afzonderlijke proceskostenvergoeding.
5. Tot slot voert eiser aan dat de minister in de maatregel onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter. Eiser heeft verklaard dat hij een vriendin heeft, haar al vier jaar kent en sinds kort een relatie met haar heeft. Eiser beroept zich in dit verband op artikel 8 van het EVRM en verwijst daarbij naar het arrest Adrar.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het arrest Adrar niet van toepassing is op deze zaak, omdat het gaat om een Unieburger en de Terugkeerrichtlijn niet op eiser van toepassing is. Wat eiser aanvoert met betrekking tot zijn recht op familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM slaagt ook niet. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het recht op eerbiediging van eisers familie- en gezinsleven zich verzet tegen zijn verwijdering. De rechtbank acht daarbij relevant dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan zijn inbewaringstelling slechts heeft verklaard dat hij sinds kort een vriendin heeft, met wie hij niet samenwoont. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van deze verklaringen niet zonder meer af te leiden dat eiser met zijn vriendin een gezinsleven uitoefent. Eiser heeft dat verder ook niet concreet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft eiser geen bijzondere omstandigheden in het kader van het recht op familie- en gezinsleven onder artikel 8 van het EVRM aangevoerd die de minister bij het opleggen van een lichter middel had moeten betrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook om schadevergoeding afgewezen.
7.1.
Gelet op de geconstateerde gebreken krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
ECLI:NL:RVS:2022:1195.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:EU:C:2025:647.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.