Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23709
2026-07-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/707887 / KG ZA 26-718
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.952 tekens)
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707887 / KG ZA 26-718
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerderster in reconventie,
advocaat mr. M.E. Kreber te Zoetermeer,
tegen:
[de man] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties;
- de akte van de zijde van de vrouw houdende nadere producties en een vermeerdering van eis;
- de door de vrouw overgelegde nadere producties;
- de op 9 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de zijde van de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. Op de zitting waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2025 te [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijke gezag over hen. [minderjarige 4] is niet erkend door de man en de vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over haar.
3Het geschil
in conventie
3.1
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – na vermeerdering van eis:
- te bepalen dat de vrouw het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning, gelegen te [adres] heeft met ingang van een dag na het vonnis;
- de man te gelasten de woning uiterlijk op het dag van betekening van het vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden zonder toestemming van de vrouw, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de man in strijd hiermee handelt, met een maximum van € 10.000, alsmede de vrouw te machtigen de ontruiming te doen uitvoeren met de hulp van de politie;
- te bepalen dat de lasten van de gezamenlijke woning tot aan de verkoop en levering van de woning door partijen bij helfte zullen worden betaald;
- de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de paspoorten van de vrouw en de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw aftegeven;
- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om zelfstandig, zonder de vereiste toestemming of medewerking van de man, nieuwe reisdocumenten (paspoorten dan wel identiteitskaarten) ten behoeve van de minderjarige kinderen aan te vragen en te verkrijgen bij de gemeente Zuidplas, welke toestemming in de plaats treedt van de toestemming van de man;
- te bepalen dat de man zich zal uitschrijven uit de gezamenlijke woning binnen drie dagen na het te wijzen vonnis;
- althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in justitie juiste en redelijk acht.
3.2
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen verliep problematisch en sinds de vrouw eind 2025 te kennen heeft gegeven de relatie te willen beëindigen, is de situatie verder verergerd en geëscaleerd. Partijen kunnen niet meer gezamenlijk met de kinderen in de woning verblijven. Dit zorgt voor te veel conflicten en spanningen voor de kinderen. De vrouw voelt zich ook in haar veiligheid bedreigd. De zaak is geëscaleerd toen bleek dat de man trackers en airtags had geplaatst waarmee de man kon traceren waar zij en de kinderen waren. Ook bleek de man de Whatsapp gesprekken van de vrouw te controleren en houdt de man de paspoorten van de vrouw en de kinderen onder zich. In samenspraak met de betrokken hulpverlening heeft de vrouw samen met de kinderen op 30 mei 2026 de woning verlaten en verblijven zij nu bij haar moeder in een tweekamerappartement. De vrouw acht het in haar belang en in het belang van de kinderen dat zij kunnen terugkeren naar de (voormalige) gezamenlijke woning. Hun school en sociale activiteiten bevinden zich in de buurt van de woning en de reistijd van en naar de woning van de moeder van de vrouw is een zware belasting voor de vrouw alsook de kinderen. De woning moet worden verkocht, maar de man heeft al te kennen gegeven de woning niet te zullen verlaten. De vrouw wenst daarom dat een dwangsom wordt verbonden aan de nakoming door de man van de door de voorzieningenrechter op te leggen bepalingen.
3.3
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De man vordert – zakelijk weergegeven –:
- een zorgregeling vast te stellen inhoudende "bird nesting", waarbij de man van donderdag 15:00 uur tot de daaropvolgende donderdag 15:00 uur met de oudste drie kinderen in de woning aan het [adres] zal verblijven en de andere week de vrouw in de woning aan de [adres] met de kinderen zal verblijven;
- te bepalen dat het jongste kind van partijen bij de vrouw zal verblijven en te bepalen dat de man in de tijd dat de kinderen bij de man verblijven enkele uren op [minderjarige 4] zal passen;
- subsidiair een zodanige zorgregeling vast te leggen als uw rechtbank in het belang van de kinderen passend acht;
- de vrouw te gelasten zich te onderwerpen aan een onafhankelijk psychologisch onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, met als doel de opvoedingscapaciteit van de moeder, haar emotionele stabiliteit en de mate van beïnvloeding van de kinderen vast te stellen, en met het verzoek dat de Raad tevens aanbevelingen doet omtrent omgang, begeleiding en eventuele randvoorwaarden. De kosten van het onderzoek worden voorlopig verhaald zoals de rechtbank zal bepalen;
- te gelasten dat partijen binnen 7 dagen na aanwijzing van de deskundige alle medewerking verlenen aan het onderzoek en dat de deskundige binnen zes weken na aanwijzing rapporteert, tenzij de rechtbank een andere termijn stelt;
- de vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk op te geven waar de paspoorten van partijen en van de kinderen zich bevinden en deze paspoorten ter inzage te geven;
- de rechtbank te gelasten de Raad voor de Kinderbescherming in haar raadsonderzoek expliciet te laten onderzoeken en te adviseren over het risico op onttrekking van de kinderen en de rol van de paspoorten bij de zorg- en omgangsregeling.
- de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het in verkoop brengen van het pand aan het [adres] , te weten door het ondertekenen van de opdrachtverstrekking daartoe aan een door de man aan te wijzen NVM-makelaar, tegen een door deze makelaar te adviseren marktconforme vraagprijs, met de bepaling dat indien de vrouw daartoe niet overgaat binnen 14 dagen nadat haar medewerking/instemming wordt verlangd, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming en ondertekening van een koopovereenkomst met betrekking de woning aan het [adres] , een en ander onder de voorwaarde dat de koopsom naar het oordeel van de hiervoor sub 1 bedoelde makelaar marktconform is en dat de leveringstermijn wordt vastgesteld overeenkomstig de wens van de potentiële koper(s), met de bepaling dat indien gedaagden daartoe niet overgaat binnen een termijn van 1 4 dagen nadat hun medewerking wordt verlangd, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel. 3:300 lid 2 BW in de plaats zat treden van de instemmende verklaring van gedaagde;
- de vrouw te veroordelen om na verkoop van genoemde woning haar medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de woning, met de bepaling dat indien de vrouw daartoe op een door de notaris vastgestelde datum niet overgaat, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- te bepalen dat aan de man de helft van de verkoopopbrengst minus de hypotheek toekomt en de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen om de helft van de verkoopopbrengst over te maken naar een door de man nader aan te wijzen bankrekening, met de bepaling dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zat treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.5
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man meent dat sprake is van een patroon van ouderverstoting, de vrouw handelt stelselmatig op een wijze die de omgang en het contact tussen de man en de kinderen steeds verder beperkt en bemoeilijkt. De man ontkent dat de vrouw en de kinderen de woning hebben moeten verlaten omdat sprake was van een onveilige situatie. De man acht een bird-nestregeling wenselijk, waarbij het jongste kind buiten de regeling valt en de vrouw zal volgen. Een bijkomend voordeel van deze regeling is dat het verkooptraject kan worden opgestart. De man meent namelijk dat de vrouw, als zij met uitsluiting van de man in de woning mag verblijven, het verkooptraject zal frustreren.
3.6
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
4.1
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen van de vrouw en een deel van de vorderingen in reconventie van de man, zullen deze vorderingen hieronder gezamenlijk worden besproken en beoordeeld.
Uitsluitend gebruik woning en zorgregeling
4.2
De vrouw vordert te bepalen dat zij, met uitsluiting van de man, in de gezamenlijke woning van partijen kan verblijven. De man voert verweer en vordert een bird-nestregeling, waarbij de drie oudste kinderen in de woning blijven en partijen om en om voor de kinderen kunnen zorgen. De jongste dochter van partijen zal, volgens de man, buiten de regeling vallen en de vrouw volgen. De vrouw heeft zich gemotiveerd tegen een bird-nestregeling verzet.
4.3
Tussen partijen is niet in geschil dat zij niet langer gezamenlijk met de kinderen in de woning kunnen zijn, omdat de situatie onhoudbaar is. Gebleken is dat de man in maart 2026 de woning op aanraden van de wijkagent en Veilig Thuis tijdelijk heeft verlaten en toen bij zijn zus en zijn moeder kon verblijven. In die periode is ook ambulante spoedhulp van Enver ingezet. In april 2026 is de man op eigen initiatief weer teruggekeerd naar de woning. Nadat de vrouw trackers en airtags had gevonden in onder meer de kinderwagen en de autostoel van de kinderen, heeft zij samen met de kinderen de woning verlaten. Sindsdien verblijft de vrouw met de vier minderjarige kinderen, waarvan de jongste nog een baby is, bij de moeder van de vrouw op een reisafstand van twee uur, enkele reis.
4.4
De voorzieningenrechter zal een belangenafweging moeten maken. Alles afwegende komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van de vrouw om samen met de vier minderjarige kinderen van partijen in de woning te verblijven zwaarder weegt dan het belang van de man. Op dit moment verblijven de vrouw en de kinderen in een te klein appartement bij de moeder van de vrouw op een grote reisafstand van hun vertrouwde omgeving. Het is in hun belang dat zij kunnen terugkeren naar hun vertrouwde omgeving en tot rust kunnen komen. Dit betekent dat de man de woning dient te verlaten.
4.5
De vordering van de man om een – naar de voorzieningenrechter begrijpt voorlopige – bird-nestregeling vast te stellen waarbij de oudste drie kinderen in de woning blijven en de man en de vrouw om en om een week voor de oudste drie kinderen zorgen, wijst de voorzieningenrechter af. Nog daargelaten dat het voor een bird-nestregeling nodig is dat ouders in staat zijn om goed met elkaar te communiceren om basisafspraken te maken, wat in dit geval niet mogelijk is, acht de voorzieningenrechter de door de man gevorderde regeling ook niet in het belang van de kinderen. De regeling die de man voorstaat brengt mee dat de kinderen van elkaar zouden worden gescheiden en dat de vrouw met de jongste dochter van partijen nog steeds een week in de veertien dagen de gezamenlijke woning zou moeten verlaten. Dat vindt de voorzieningenrechter niet in het belang van de kinderen. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden of de man, mede gelet op zijn ernstige gehoor- en zichtbeperkingen in staat is om gedurende de dag én de nacht alleen de zorg te dragen voor drie minderjarige kinderen in de leeftijd van respectievelijk 5, 8 en 10 jaar. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat er een bodemprocedure aanhangig is, waar het vaststellen van een zorgregeling ook voorligt. De voorzieningenrechter zal ook geen andere voorlopige zorgregeling vastleggen. De situatie tussen partijen is de laatste maanden verder geëscaleerd en de vrouw heeft op 6 juli 2026 tegen de man aangifte gedaan van stalking en bedreiging. De kinderen, maar ook partijen, zijn op dit moment vooral gebaat bij rust. Vanuit die situatie moet vervolgens worden bekeken hoe het contact tussen de kinderen en de man kan worden hersteld. Uitgangspunt is dat kinderen gebaat zijn bij contact met hun beide ouders, mits dat contact veilig is. Op de zitting is gebleken dat in overleg met de betrokken hulpverlening (van wie de Stichting Zo! de regie voert) binnenkort een traject voor omgang tussen de man en de kinderen onder begeleiding van Humanitas wordt opgestart. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat, zoals de vrouw op de zitting heeft toegelicht, op 13 juli 2026 een intake bij BOR Humanitas heeft plaatsgevonden en dat het traject van begeleide omgang op korte termijn opgestart kan worden. Gelet op de spanningen tussen partijen, de lopende bodemprocedure en het traject bij BOR Humanitas dat op het punt staat te beginnen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om (hierop vooruitlopend) een voorlopige zorgregeling vast te stellen. De vordering van de man daartoe wijst de voorzieningenrechter daarom af.
4.6
Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning zal worden toegewezen. Ook zal de voorzieningenrechter de dwangsom opleggen zoals door de vrouw is verzocht. De vordering van de vrouw tot machtiging om de ontruiming te doen uitvoeren met de hulp van de politie wordt afgewezen. Op grond van de artikelen 555 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv is de deurwaarder bevoegd tot executie van de veroordeling tot ontruiming, eventueel met behulp van de sterke arm. Een afzonderlijke machtiging is daarvoor niet vereist.
4.7
De voorzieningenrechter zal de man, zoals door de vrouw gevorderd, ook bevelen om zich uit te schrijven op het adres van de gezamenlijk woning, zodat de vrouw in het belang van de kinderen kinderopvangtoeslag kan aanvragen. Ook de vordering met betrekking tot het verdelen van de lasten van de gezamenlijk woning zal worden toegewezen. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat partijen het hierover eens zijn.
Raadsonderzoek
4.8
De man vordert een onderzoek te gelasten door de Raad dan wel een andere deskundige omdat hij zich zorgen maakt over de opvoedvaardigheden van de vrouw. Deze vordering zal worden afgewezen. De man heeft zijn zorgen onvoldoende onderbouwd en hetgeen hij aanvoert over de familie van de vrouw is onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw niet in staat is om goed voor de kinderen te zorgen. Daarnaast kan in het kader van de bodemprocedure een raadsonderzoek worden gelast indien de rechtbank daar aanleiding toe ziet. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op de betrokken hulpverlening, geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.
Paspoorten
4.9
Partijen twisten in deze procedure over de paspoorten van de vrouw en de kinderen. Op de zitting heeft de man erkend dat hij de paspoorten van de vrouw en de kinderen in zijn bezit heeft. De man heeft op de zitting het paspoort van de vrouw aan de vrouw overhandigd, waarna de vrouw haar vordering tot afgifte van haar paspoort heeft ingetrokken. De man heeft zijn vordering ten aanzien de paspoorten eveneens ingetrokken. De voorzieningenrechter dient nog slechts een beslissing te nemen op de vordering van de vrouw tot afgifte van de paspoorten van de kinderen aan haar. Nu uit het voorgaande al volgt dat de vrouw de primaire verzorgende ouder is van de kinderen, acht de voorzieningenrechter dat het in het belang van de kinderen dat de vrouw in het bezit is van de paspoorten van de kinderen. De door de man in zijn conclusie van antwoord genoemde vrees dat de vrouw de kinderen zal meenemen naar het buitenland is niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft ook geen aanleiding om aan te nemen dat de vrouw voornemens is om, zonder toestemming van de man die eveneens het gezag over de drie oudste kinderen heeft, met de kinderen naar het buitenland te vertrekken. De vordering van de vrouw zal daarom worden toegewezen. Ook de vordering om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verlenging van de paspoorten zal worden toegewezen. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de paspoorten binnenkort zullen, althans reeds zijn, verlopen en het is in het belang van de kinderen dat zij beschikken over een geldig paspoort.
In reconventie
Verkoop gezamenlijke woning
4.10
De vorderingen van de man ten aanzien van de verkoop van de gezamenlijke woning wijst de voorzieningenrechter af. Tussen partijen is niet geschil dat de gezamenlijke woning moet worden verkocht en dat de verkoopopbrengst, verminderd met de hypotheekschuld, bij helfte dient te worden verdeeld. Beide partijen hebben er belang bij dat de woning zo spoedig mogelijk wordt verkocht en dat daarbij een zo hoog mogelijke opbrengst wordt verkregen. De man heeft bij zijn eenzijdige vorderingen echter geen (spoedeisend) belang, omdat niet is gebleken dat de vrouw niet bereid is om haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De vrouw heeft ook onweersproken gesteld dat zij recent geprobeerd heeft een ander huis te kopen voor zichzelf en de kinderen maar dat het toen niet is gelukt om een overbruggingskrediet op te nemen. Hieruit blijkt dat de vrouw zich inspant voor het vinden van een nieuwe woning. Ter zitting is door de man verklaard dat hij verwacht dat partijen hier samen uit zullen komen, zodat de voorzieningenrechter ook geen reden heeft om in het kader van deze kortgedingprocedure het in verdelingszaken gebruikelijke spoorboekje voor de verkoop van een gemeenschappelijke woning op te nemen. Partijen hebben dat ook niet gevorderd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen met behulp van hun advocaten nadere concrete afspraken kunnen maken over een gezamenlijke verkoop van de woning.
proceskosten
4.11
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning op de dag van betekening van dit vonnis dient te verlaten en verder niet mag betreden zonder toestemming van de vrouw, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de man in strijd hiermee handelt, met een maximum van € 10.000,--;
5.2
bepaalt dat de man zich binnen drie dagen na betekening van dit vonnis dient uit te schrijven uit het adres van de gezamenlijke woning;
5.3
bepaalt dat de lasten van de gezamenlijke woning tot aan de verkoop en levering van de woning door partijen bij helfte zullen worden betaald;
5.4
bepaalt dat de man binnen 24 uur na betekening van het vonnis de paspoorten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw afgeeft;
5.5
verleent de vrouw vervangende toestemming, welke de toestemming van de man vervangt, om nieuwe reisdocumenten ten behoeve van de kinderen aan te vragen en te verkrijgen bij de gemeente Zuidplas;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.7
wijst de vorderingen van de man af;
5.8
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op
23 juli 2026.
ncg
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707887 / KG ZA 26-718
Vonnis in kort geding van 23 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerderster in reconventie,
advocaat mr. M.E. Kreber te Zoetermeer,
tegen:
[de man] te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties;
- de akte van de zijde van de vrouw houdende nadere producties en een vermeerdering van eis;
- de door de vrouw overgelegde nadere producties;
- de op 9 juli 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de zijde van de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.
1.2
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. Op de zitting waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man bijgestaan door zijn advocaat en [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2025 te [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijke gezag over hen. [minderjarige 4] is niet erkend door de man en de vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over haar.
3Het geschil
in conventie
3.1
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – na vermeerdering van eis:
- te bepalen dat de vrouw het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning, gelegen te [adres] heeft met ingang van een dag na het vonnis;
- de man te gelasten de woning uiterlijk op het dag van betekening van het vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden zonder toestemming van de vrouw, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of dagdeel dat de man in strijd hiermee handelt, met een maximum van € 10.000, alsmede de vrouw te machtigen de ontruiming te doen uitvoeren met de hulp van de politie;
- te bepalen dat de lasten van de gezamenlijke woning tot aan de verkoop en levering van de woning door partijen bij helfte zullen worden betaald;
- de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de paspoorten van de vrouw en de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw aftegeven;
- de vrouw vervangende toestemming te verlenen om zelfstandig, zonder de vereiste toestemming of medewerking van de man, nieuwe reisdocumenten (paspoorten dan wel identiteitskaarten) ten behoeve van de minderjarige kinderen aan te vragen en te verkrijgen bij de gemeente Zuidplas, welke toestemming in de plaats treedt van de toestemming van de man;
- te bepalen dat de man zich zal uitschrijven uit de gezamenlijke woning binnen drie dagen na het te wijzen vonnis;
- althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in justitie juiste en redelijk acht.
3.2
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen verliep problematisch en sinds de vrouw eind 2025 te kennen heeft gegeven de relatie te willen beëindigen, is de situatie verder verergerd en geëscaleerd. Partijen kunnen niet meer gezamenlijk met de kinderen in de woning verblijven. Dit zorgt voor te veel conflicten en spanningen voor de kinderen. De vrouw voelt zich ook in haar veiligheid bedreigd. De zaak is geëscaleerd toen bleek dat de man trackers en airtags had geplaatst waarmee de man kon traceren waar zij en de kinderen waren. Ook bleek de man de Whatsapp gesprekken van de vrouw te controleren en houdt de man de paspoorten van de vrouw en de kinderen onder zich. In samenspraak met de betrokken hulpverlening heeft de vrouw samen met de kinderen op 30 mei 2026 de woning verlaten en verblijven zij nu bij haar moeder in een tweekamerappartement. De vrouw acht het in haar belang en in het belang van de kinderen dat zij kunnen terugkeren naar de (voormalige) gezamenlijke woning. Hun school en sociale activiteiten bevinden zich in de buurt van de woning en de reistijd van en naar de woning van de moeder van de vrouw is een zware belasting voor de vrouw alsook de kinderen. De woning moet worden verkocht, maar de man heeft al te kennen gegeven de woning niet te zullen verlaten. De vrouw wenst daarom dat een dwangsom wordt verbonden aan de nakoming door de man van de door de voorzieningenrechter op te leggen bepalingen.
3.3
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De man vordert – zakelijk weergegeven –:
- een zorgregeling vast te stellen inhoudende "bird nesting", waarbij de man van donderdag 15:00 uur tot de daaropvolgende donderdag 15:00 uur met de oudste drie kinderen in de woning aan het [adres] zal verblijven en de andere week de vrouw in de woning aan de [adres] met de kinderen zal verblijven;
- te bepalen dat het jongste kind van partijen bij de vrouw zal verblijven en te bepalen dat de man in de tijd dat de kinderen bij de man verblijven enkele uren op [minderjarige 4] zal passen;
- subsidiair een zodanige zorgregeling vast te leggen als uw rechtbank in het belang van de kinderen passend acht;
- de vrouw te gelasten zich te onderwerpen aan een onafhankelijk psychologisch onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, met als doel de opvoedingscapaciteit van de moeder, haar emotionele stabiliteit en de mate van beïnvloeding van de kinderen vast te stellen, en met het verzoek dat de Raad tevens aanbevelingen doet omtrent omgang, begeleiding en eventuele randvoorwaarden. De kosten van het onderzoek worden voorlopig verhaald zoals de rechtbank zal bepalen;
- te gelasten dat partijen binnen 7 dagen na aanwijzing van de deskundige alle medewerking verlenen aan het onderzoek en dat de deskundige binnen zes weken na aanwijzing rapporteert, tenzij de rechtbank een andere termijn stelt;
- de vrouw te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk op te geven waar de paspoorten van partijen en van de kinderen zich bevinden en deze paspoorten ter inzage te geven;
- de rechtbank te gelasten de Raad voor de Kinderbescherming in haar raadsonderzoek expliciet te laten onderzoeken en te adviseren over het risico op onttrekking van de kinderen en de rol van de paspoorten bij de zorg- en omgangsregeling.
- de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het in verkoop brengen van het pand aan het [adres] , te weten door het ondertekenen van de opdrachtverstrekking daartoe aan een door de man aan te wijzen NVM-makelaar, tegen een door deze makelaar te adviseren marktconforme vraagprijs, met de bepaling dat indien de vrouw daartoe niet overgaat binnen 14 dagen nadat haar medewerking/instemming wordt verlangd, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming en ondertekening van een koopovereenkomst met betrekking de woning aan het [adres] , een en ander onder de voorwaarde dat de koopsom naar het oordeel van de hiervoor sub 1 bedoelde makelaar marktconform is en dat de leveringstermijn wordt vastgesteld overeenkomstig de wens van de potentiële koper(s), met de bepaling dat indien gedaagden daartoe niet overgaat binnen een termijn van 1 4 dagen nadat hun medewerking wordt verlangd, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel. 3:300 lid 2 BW in de plaats zat treden van de instemmende verklaring van gedaagde;
- de vrouw te veroordelen om na verkoop van genoemde woning haar medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de woning, met de bepaling dat indien de vrouw daartoe op een door de notaris vastgestelde datum niet overgaat, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- te bepalen dat aan de man de helft van de verkoopopbrengst minus de hypotheek toekomt en de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen om de helft van de verkoopopbrengst over te maken naar een door de man nader aan te wijzen bankrekening, met de bepaling dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent, het in dezen door uw rechtbank te wijzen vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zat treden van de instemmende verklaring van de vrouw;
- de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.5
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man meent dat sprake is van een patroon van ouderverstoting, de vrouw handelt stelselmatig op een wijze die de omgang en het contact tussen de man en de kinderen steeds verder beperkt en bemoeilijkt. De man ontkent dat de vrouw en de kinderen de woning hebben moeten verlaten omdat sprake was van een onveilige situatie. De man acht een bird-nestregeling wenselijk, waarbij het jongste kind buiten de regeling valt en de vrouw zal volgen. Een bijkomend voordeel van deze regeling is dat het verkooptraject kan worden opgestart. De man meent namelijk dat de vrouw, als zij met uitsluiting van de man in de woning mag verblijven, het verkooptraject zal frustreren.
3.6
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
4.1
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de vorderingen van de vrouw en een deel van de vorderingen in reconventie van de man, zullen deze vorderingen hieronder gezamenlijk worden besproken en beoordeeld.
Uitsluitend gebruik woning en zorgregeling
4.2
De vrouw vordert te bepalen dat zij, met uitsluiting van de man, in de gezamenlijke woning van partijen kan verblijven. De man voert verweer en vordert een bird-nestregeling, waarbij de drie oudste kinderen in de woning blijven en partijen om en om voor de kinderen kunnen zorgen. De jongste dochter van partijen zal, volgens de man, buiten de regeling vallen en de vrouw volgen. De vrouw heeft zich gemotiveerd tegen een bird-nestregeling verzet.
4.3
Tussen partijen is niet in geschil dat zij niet langer gezamenlijk met de kinderen in de woning kunnen zijn, omdat de situatie onhoudbaar is. Gebleken is dat de man in maart 2026 de woning op aanraden van de wijkagent en Veilig Thuis tijdelijk heeft verlaten en toen bij zijn zus en zijn moeder kon verblijven. In die periode is ook ambulante spoedhulp van Enver ingezet. In april 2026 is de man op eigen initiatief weer teruggekeerd naar de woning. Nadat de vrouw trackers en airtags had gevonden in onder meer de kinderwagen en de autostoel van de kinderen, heeft zij samen met de kinderen de woning verlaten. Sindsdien verblijft de vrouw met de vier minderjarige kinderen, waarvan de jongste nog een baby is, bij de moeder van de vrouw op een reisafstand van twee uur, enkele reis.
4.4
De voorzieningenrechter zal een belangenafweging moeten maken. Alles afwegende komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van de vrouw om samen met de vier minderjarige kinderen van partijen in de woning te verblijven zwaarder weegt dan het belang van de man. Op dit moment verblijven de vrouw en de kinderen in een te klein appartement bij de moeder van de vrouw op een grote reisafstand van hun vertrouwde omgeving. Het is in hun belang dat zij kunnen terugkeren naar hun vertrouwde omgeving en tot rust kunnen komen. Dit betekent dat de man de woning dient te verlaten.
4.5
De vordering van de man om een – naar de voorzieningenrechter begrijpt voorlopige – bird-nestregeling vast te stellen waarbij de oudste drie kinderen in de woning blijven en de man en de vrouw om en om een week voor de oudste drie kinderen zorgen, wijst de voorzieningenrechter af. Nog daargelaten dat het voor een bird-nestregeling nodig is dat ouders in staat zijn om goed met elkaar te communiceren om basisafspraken te maken, wat in dit geval niet mogelijk is, acht de voorzieningenrechter de door de man gevorderde regeling ook niet in het belang van de kinderen. De regeling die de man voorstaat brengt mee dat de kinderen van elkaar zouden worden gescheiden en dat de vrouw met de jongste dochter van partijen nog steeds een week in de veertien dagen de gezamenlijke woning zou moeten verlaten. Dat vindt de voorzieningenrechter niet in het belang van de kinderen. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden of de man, mede gelet op zijn ernstige gehoor- en zichtbeperkingen in staat is om gedurende de dag én de nacht alleen de zorg te dragen voor drie minderjarige kinderen in de leeftijd van respectievelijk 5, 8 en 10 jaar. Ook weegt de voorzieningenrechter mee dat er een bodemprocedure aanhangig is, waar het vaststellen van een zorgregeling ook voorligt. De voorzieningenrechter zal ook geen andere voorlopige zorgregeling vastleggen. De situatie tussen partijen is de laatste maanden verder geëscaleerd en de vrouw heeft op 6 juli 2026 tegen de man aangifte gedaan van stalking en bedreiging. De kinderen, maar ook partijen, zijn op dit moment vooral gebaat bij rust. Vanuit die situatie moet vervolgens worden bekeken hoe het contact tussen de kinderen en de man kan worden hersteld. Uitgangspunt is dat kinderen gebaat zijn bij contact met hun beide ouders, mits dat contact veilig is. Op de zitting is gebleken dat in overleg met de betrokken hulpverlening (van wie de Stichting Zo! de regie voert) binnenkort een traject voor omgang tussen de man en de kinderen onder begeleiding van Humanitas wordt opgestart. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat, zoals de vrouw op de zitting heeft toegelicht, op 13 juli 2026 een intake bij BOR Humanitas heeft plaatsgevonden en dat het traject van begeleide omgang op korte termijn opgestart kan worden. Gelet op de spanningen tussen partijen, de lopende bodemprocedure en het traject bij BOR Humanitas dat op het punt staat te beginnen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om (hierop vooruitlopend) een voorlopige zorgregeling vast te stellen. De vordering van de man daartoe wijst de voorzieningenrechter daarom af.
4.6
Het voorgaande betekent dat de vordering van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning zal worden toegewezen. Ook zal de voorzieningenrechter de dwangsom opleggen zoals door de vrouw is verzocht. De vordering van de vrouw tot machtiging om de ontruiming te doen uitvoeren met de hulp van de politie wordt afgewezen. Op grond van de artikelen 555 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 444 Rv is de deurwaarder bevoegd tot executie van de veroordeling tot ontruiming, eventueel met behulp van de sterke arm. Een afzonderlijke machtiging is daarvoor niet vereist.
4.7
De voorzieningenrechter zal de man, zoals door de vrouw gevorderd, ook bevelen om zich uit te schrijven op het adres van de gezamenlijk woning, zodat de vrouw in het belang van de kinderen kinderopvangtoeslag kan aanvragen. Ook de vordering met betrekking tot het verdelen van de lasten van de gezamenlijk woning zal worden toegewezen. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat partijen het hierover eens zijn.
Raadsonderzoek
4.8
De man vordert een onderzoek te gelasten door de Raad dan wel een andere deskundige omdat hij zich zorgen maakt over de opvoedvaardigheden van de vrouw. Deze vordering zal worden afgewezen. De man heeft zijn zorgen onvoldoende onderbouwd en hetgeen hij aanvoert over de familie van de vrouw is onvoldoende om aan te nemen dat de vrouw niet in staat is om goed voor de kinderen te zorgen. Daarnaast kan in het kader van de bodemprocedure een raadsonderzoek worden gelast indien de rechtbank daar aanleiding toe ziet. Vooralsnog ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op de betrokken hulpverlening, geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.
Paspoorten
4.9
Partijen twisten in deze procedure over de paspoorten van de vrouw en de kinderen. Op de zitting heeft de man erkend dat hij de paspoorten van de vrouw en de kinderen in zijn bezit heeft. De man heeft op de zitting het paspoort van de vrouw aan de vrouw overhandigd, waarna de vrouw haar vordering tot afgifte van haar paspoort heeft ingetrokken. De man heeft zijn vordering ten aanzien de paspoorten eveneens ingetrokken. De voorzieningenrechter dient nog slechts een beslissing te nemen op de vordering van de vrouw tot afgifte van de paspoorten van de kinderen aan haar. Nu uit het voorgaande al volgt dat de vrouw de primaire verzorgende ouder is van de kinderen, acht de voorzieningenrechter dat het in het belang van de kinderen dat de vrouw in het bezit is van de paspoorten van de kinderen. De door de man in zijn conclusie van antwoord genoemde vrees dat de vrouw de kinderen zal meenemen naar het buitenland is niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft ook geen aanleiding om aan te nemen dat de vrouw voornemens is om, zonder toestemming van de man die eveneens het gezag over de drie oudste kinderen heeft, met de kinderen naar het buitenland te vertrekken. De vordering van de vrouw zal daarom worden toegewezen. Ook de vordering om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verlenging van de paspoorten zal worden toegewezen. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de paspoorten binnenkort zullen, althans reeds zijn, verlopen en het is in het belang van de kinderen dat zij beschikken over een geldig paspoort.
In reconventie
Verkoop gezamenlijke woning
4.10
De vorderingen van de man ten aanzien van de verkoop van de gezamenlijke woning wijst de voorzieningenrechter af. Tussen partijen is niet geschil dat de gezamenlijke woning moet worden verkocht en dat de verkoopopbrengst, verminderd met de hypotheekschuld, bij helfte dient te worden verdeeld. Beide partijen hebben er belang bij dat de woning zo spoedig mogelijk wordt verkocht en dat daarbij een zo hoog mogelijke opbrengst wordt verkregen. De man heeft bij zijn eenzijdige vorderingen echter geen (spoedeisend) belang, omdat niet is gebleken dat de vrouw niet bereid is om haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De vrouw heeft ook onweersproken gesteld dat zij recent geprobeerd heeft een ander huis te kopen voor zichzelf en de kinderen maar dat het toen niet is gelukt om een overbruggingskrediet op te nemen. Hieruit blijkt dat de vrouw zich inspant voor het vinden van een nieuwe woning. Ter zitting is door de man verklaard dat hij verwacht dat partijen hier samen uit zullen komen, zodat de voorzieningenrechter ook geen reden heeft om in het kader van deze kortgedingprocedure het in verdelingszaken gebruikelijke spoorboekje voor de verkoop van een gemeenschappelijke woning op te nemen. Partijen hebben dat ook niet gevorderd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen met behulp van hun advocaten nadere concrete afspraken kunnen maken over een gezamenlijke verkoop van de woning.
proceskosten
4.11
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning op de dag van betekening van dit vonnis dient te verlaten en verder niet mag betreden zonder toestemming van de vrouw, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de man in strijd hiermee handelt, met een maximum van € 10.000,--;
5.2
bepaalt dat de man zich binnen drie dagen na betekening van dit vonnis dient uit te schrijven uit het adres van de gezamenlijke woning;
5.3
bepaalt dat de lasten van de gezamenlijke woning tot aan de verkoop en levering van de woning door partijen bij helfte zullen worden betaald;
5.4
bepaalt dat de man binnen 24 uur na betekening van het vonnis de paspoorten van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw afgeeft;
5.5
verleent de vrouw vervangende toestemming, welke de toestemming van de man vervangt, om nieuwe reisdocumenten ten behoeve van de kinderen aan te vragen en te verkrijgen bij de gemeente Zuidplas;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.7
wijst de vorderingen van de man af;
5.8
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Vliet en in het openbaar uitgesproken op
23 juli 2026.
ncg