Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23602
2026-08-05
Strafrecht
09/108091-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, en mishandeling van voormalige vriendin. Onder meer niet fatale verwurging. Ongelijkwaardige relatie vanwege groot leeftijdsverschil en controledrang vanuit de verdachte. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Bijzondere voorwaarden en oplegging van de 38v maatregel, dadelijk uitvoerbaar. Toewijzing van de vordering benadeelde partij met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:246 Hoge Raad 05-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.864 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/108091-26
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. den Haan en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. W.E.R. Geurts naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat:
1hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] een of meerdere malen- bij de nek/keel heeft gegrepen en/of gepakt, en/of- (vervolgens) met zijn hand en/of zijn arm de nek/keel van die [aangeefster] heeft dicht geknepen en/of dicht gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] een of meerdere malen- bij de nek/keel te grijpen en/of te pakken en/of- (vervolgens) met zijn hand en/of zijn arm de nek/keel van die [aangeefster] dicht te knijpen en/of dicht te drukken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;2hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld, door- een of meerdere malen op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan, en/of- een of meerdere malen op/tegen het bovenlichaam en/of de armen, althans het lichaam te slaan, en/of- een of meerdere malen in het bovenlichaam en/of de armen en/of het gezicht, althans in het lichaam te knijpen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde. De verdachte ontkent dat hij [aangeefster] bij haar nek of keel heeft vastgegrepen of gepakt en die heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt. Volgens de raadsvrouw blijkt niet dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook heeft de raadsvrouw namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder feit 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid van het zijn van de levensgezel van [aangeefster] . De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte met betrekking tot het overige op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen bij feit 1
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen bij feit 2
De rechtbank volstaat voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026121704, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 168).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juli 2026.
2. Het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] , opgemaakt op 9 april 2026 (p. 32-60).
3. Het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] , opgemaakt op 12 april 2026 (p. 61-63).
3.5.
Bewijsoverwegingen
De (betrouwbaarheid van) verklaringen van [aangeefster]
Uit de verklaringen van [aangeefster] blijkt dat de verdachte haar op (in ieder geval) drie momenten heeft mishandeld, namelijk begin november 2025 en op 13 en 23 maart 2026. [aangeefster] heeft over de mishandelingen in november 2025 en op 13 maart 2026 verklaard dat de verdachte haar bij de keel heeft gegrepen. Volgens [aangeefster] heeft de verdachte in november 2025 haar strot dichtgeknepen en deed dit erg veel pijn maar kon zij nog wel ademen. Op 13 maart 2026 heeft de verdachte [aangeefster] volgens haar verklaring gewurgd door haar keel dicht te knijpen en haar tegen de muur te duwen en kon zij hierdoor moeilijk ademen. Volgens [aangeefster] begon de verdachte heel hard te drukken, deed het heel veel pijn en was het daarna helemaal blauw en rood. De verdachte heeft erkend dat hij [aangeefster] op die momenten heeft mishandeld, maar betwist dat hij [aangeefster] daarbij bij de keel heeft gegrepen.
De verklaringen van [aangeefster] van 9 en 12 april 2026 zijn consistent, ook voor wat betreft het door de verdachte gepleegde geweld. Onder meer de gedetailleerdheid van met name de eerste verklaring, het feit dat [aangeefster] haar eigen aandeel heeft erkend bij de mishandeling van 23 maart 2026 door te verklaren dat zij de verdachte toen terug heeft geslagen en dat [aangeefster] heeft opgemerkt dat niet al het letsel op de foto’s in het dossier het gevolg zijn van de mishandelingen door de verdachte, maakt dat de rechtbank haar verklaringen authentiek acht.
De verklaringen worden bovendien ondersteund door de foto’s die [aangeefster] heeft gemaakt van het letsel. Op de foto die in het dossier is aangeduid als afbeelding 14 en die is genomen op 8 november 2025 is een bloeduitstorting te zien in de hals van [aangeefster] . Op de foto’s die in het dossier zijn aangeduid als afbeeldingen 19 en 20 en die zijn genomen op 13 maart 2026 zijn bloeduitstortingen te zien in de hals van [aangeefster] .
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] , ook niet voor zover deze telefonisch door de politie zijn opgenomen en puntsgewijs zijn opgesomd.
De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de bloeduitstortingen in de hals niet heeft toegebracht, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden in het licht van de door haar als betrouwbaar aangemerkte verklaringen van [aangeefster] en de verklaring van de verdachte dat hij verantwoordelijk is voor het overige letsel dat te zien is op de foto’s die volgens de metadata zijn gemaakt op 8 november 2025 en op 13 maart 2026.
Uit de bewijsmiddelen blijkt, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte [aangeefster] tijdens de mishandelingen in november 2025 en op 13 maart 2026 met kracht bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen.
(Voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank moet bij het onder feit 1 primair tenlastegelegde beslissen of de handelingen van verdachte poging tot zware mishandeling opleveren.
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan ook in een relatief kortere tijd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregels ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. Deze wetenschap mag ook bij de verdachte bekend worden verondersteld.
Het handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarmee het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Sprake van een levensgezel?
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de onder feit 1 en 2 opgenomen strafverzwarende omstandigheid van het zijn van levensgezel, omdat verdachte en [aangeefster] niet aangemerkt kunnen worden als levensgezellen. Bij de verdachte en [aangeefster] is, op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is verklaard, geen sprake van een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij in de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] meerdere malen- bij de keel heeft gegrepen, en - (vervolgens) met zijn hand de keel van die [aangeefster] heeftdicht geknepen en/of dicht gedrukt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij in de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld, door- meerdere malen tegen het hoofd te slaan, en- meerdere malen tegen het bovenlichaam te slaan, en- meerdere malen in het bovenlichaam en de armen en het gezicht te knijpen.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De op te leggen straffen en maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Ten slotte heeft de officier van justitie een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met [aangeefster] gevorderd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) voor de duur van vijf jaren, waarbij zeven dagen vervangende hechtenis dient te worden toegepast per geval dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, geen elektronisch toezicht op te leggen en de 38v-maatregel op te leggen voor een kortere duur dan vijf jaren.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zijn toenmalige, 16-jarige vriendin op drie momenten mishandeld, waarbij op twee momenten sprake was van een poging tot zware mishandeling. Door deze mishandelingen, waarbij de verdachte haar heeft geslagen, geknepen en bij de keel heeft gepakt en die heeft dichtgedrukt, heeft het slachtoffer letsel opgelopen dat ook na de mishandelingen nog goed zichtbaar was. Zoals ook blijkt uit haar verklaring is het slachtoffer haar gevoel van veiligheid kwijtgeraakt en kan zij schrikken als iemand onverwacht dichtbij haar gezicht, nek of schouders komt. Bovendien heeft het geweld over een periode van meerdere maanden en deels de openbare weg plaatsgevonden. Deze omstandigheden rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Zoals verdachte ook ter zitting heeft erkend, was tussen hem en [aangeefster] , die op het moment van de mishandelingen pas 16 jaar oud was, sprake van een ongelijkwaardige relatie. Naast het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen de verdachte en [aangeefster] , was ook sprake van controledrang vanuit de verdachte richting [aangeefster] , zoals ook blijkt uit het controleren van haar telefoon en de verwachting dat [aangeefster] haar locatie met hem deelde. Dat het geweld in deze context heeft plaatsgevonden vindt de rechtbank extra kwalijk.
De verdachte heeft ter zitting in enige mate verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen door te erkennen dat hij [aangeefster] heeft mishandeld en te zeggen dat hij spijt heeft van zijn handelingen. Aan de andere kant blijft de verdachte volhouden dat het geweld over en weer plaatsvond en dat hij het slachtoffer nooit bij de keel heeft gepakt. Ook heeft de verdachte het tijdens de voorlopige hechtenis aan hem opgelegde contactverbod overtreden door een post op haar TikTok-account te liken. De rechtbank betrekt dit bij haar oordeel voor wat betreft de noodzaak van de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn aanbevolen door de reclassering en het opleggen van de 38v-maatregel.
Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 10 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordeling wederom schuldig gemaakt aan een soortgelijk misdrijf. De rechtbank acht het zorgelijk dat deze veroordeling de verdachte er niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van geweld in de relationele sfeer.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 15 mei en 15 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico in de periode tot 2 maanden en een gemiddeld recidiverisico in periode daarna. De reclassering ziet bij de verdachte voldoende indicaties om in te zetten op begeleiding en behandeling gericht op emotie- en agressieregulatie, naast het vergroten van relationele vaardigheden.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem gedurende de proeftijd op te leggen: een meldplicht bij de reclassering; diagnostiek en ambulante behandeling door De Waag Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener; een contactverbod met het slachtoffer; een locatieverbod met elektronisch toezicht voor Delft en Den Haag en omstreken; en een locatiegebod met elektronisch toezicht op zijn verblijfadres. Ook adviseert de reclassering aan de verdachte de 38v-maatregel op te leggen voor de duur van vijf jaren.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een taakstraf van 180 uren passend en geboden.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van drie jaren en een deel van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank acht een proeftijd van voornoemde duur aangewezen, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte.
De rechtbank zal niet de door de reclassering aanbevolen bijzondere voorwaarden in de vorm van het contactverbod, de elektronische monitoring van het locatieverbod of het locatiegebod opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de noodzaak van het opleggen van de voorwaarden (in deze vorm) niet gebleken. Het contactverbod met het slachtoffer zal de rechtbank opleggen in de vorm van een dadelijk uitvoerbare 38v-maatregel.
De maatregel
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een 38v-maatregel passend en geboden is. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor de periode van drie jaren. Per geval dat niet aan de maatregel wordt voldaan wordt zeven dagen vervangende hechtenis toegepast met een maximum van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er, gelet op de problematiek bij de verdachte en het (op langere termijn) gemiddelde recidiverisico, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, zal de rechtbank de 38v-maatregel, de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar verklaren.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding voor immateriële schade van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd is en kan worden toegewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, omdat een letselrapportage of andere stukken van een arts ontbreken waaruit het letsel blijkt, en heeft verzocht de schadevergoeding zeer sterk te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het verzoek tot schadevergoeding en de bijlagen blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van de mishandelingen door de verdachte (onder meer) behandeling krijgt in de vorm van een multisysteem-therapie. Volgens de behandelaar zijn (onder meer) de volgende klachten en beperkingen zichtbaar: ernstige slaapproblemen en nachtmerries, angstklachten en een verhoogd gevoel van onveiligheid.
Deze klachten hebben volgens de behandelaar een aanzienlijke invloed op het dagelijks functioneren en de ontwikkeling van de benadeelde partij.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarin bij minder ernstig geestelijk letsel - categorie 14.1(d) - een schadevergoedingsbedrag tussen € 2.675,- en € 4.000,- passend wordt geacht. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 november 2025 waarnaar is verwezen namens de benadeelde partij, waarin soortgelijke schadevergoedingsbedragen werden toegekend als het bedrag dat namens de benadeelde partij is gevorderd.
De vordering is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst gelet op het voorgaande de vordering toe tot een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe met ingang van 8 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten zeker, tweemaal worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 77 (ZEVENENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, gelegen op [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door Ambulant Forensisch (GGZ) Centrum De Waag Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere delictpreventie, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken; en
zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Delft en Den Haag en omstreken (zoals weergegeven op het door de reclassering ingetekende landkaart), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of de veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 180 (HONDERDTACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de 38v-maatregel
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van benadeelde [aangeefster] toe tot een bedrag van € 3.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [aangeefster] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000.-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.
Zie o.a. Hoge Raad, 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246.
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/108091-26
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. den Haan en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. W.E.R. Geurts naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat:
1hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] een of meerdere malen- bij de nek/keel heeft gegrepen en/of gepakt, en/of- (vervolgens) met zijn hand en/of zijn arm de nek/keel van die [aangeefster] heeft dicht geknepen en/of dicht gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] een of meerdere malen- bij de nek/keel te grijpen en/of te pakken en/of- (vervolgens) met zijn hand en/of zijn arm de nek/keel van die [aangeefster] dicht te knijpen en/of dicht te drukken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;2hij op en of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld, door- een of meerdere malen op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan, en/of- een of meerdere malen op/tegen het bovenlichaam en/of de armen, althans het lichaam te slaan, en/of- een of meerdere malen in het bovenlichaam en/of de armen en/of het gezicht, althans in het lichaam te knijpen,terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde. De verdachte ontkent dat hij [aangeefster] bij haar nek of keel heeft vastgegrepen of gepakt en die heeft dichtgeknepen of dichtgedrukt. Volgens de raadsvrouw blijkt niet dat sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook heeft de raadsvrouw namens de verdachte vrijspraak bepleit van de onder feit 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid van het zijn van de levensgezel van [aangeefster] . De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte met betrekking tot het overige op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen bij feit 1
De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen bij feit 2
De rechtbank volstaat voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026121704, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 168).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juli 2026.
2. Het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] , opgemaakt op 9 april 2026 (p. 32-60).
3. Het proces-verbaal van verhoor van [aangeefster] , opgemaakt op 12 april 2026 (p. 61-63).
3.5.
Bewijsoverwegingen
De (betrouwbaarheid van) verklaringen van [aangeefster]
Uit de verklaringen van [aangeefster] blijkt dat de verdachte haar op (in ieder geval) drie momenten heeft mishandeld, namelijk begin november 2025 en op 13 en 23 maart 2026. [aangeefster] heeft over de mishandelingen in november 2025 en op 13 maart 2026 verklaard dat de verdachte haar bij de keel heeft gegrepen. Volgens [aangeefster] heeft de verdachte in november 2025 haar strot dichtgeknepen en deed dit erg veel pijn maar kon zij nog wel ademen. Op 13 maart 2026 heeft de verdachte [aangeefster] volgens haar verklaring gewurgd door haar keel dicht te knijpen en haar tegen de muur te duwen en kon zij hierdoor moeilijk ademen. Volgens [aangeefster] begon de verdachte heel hard te drukken, deed het heel veel pijn en was het daarna helemaal blauw en rood. De verdachte heeft erkend dat hij [aangeefster] op die momenten heeft mishandeld, maar betwist dat hij [aangeefster] daarbij bij de keel heeft gegrepen.
De verklaringen van [aangeefster] van 9 en 12 april 2026 zijn consistent, ook voor wat betreft het door de verdachte gepleegde geweld. Onder meer de gedetailleerdheid van met name de eerste verklaring, het feit dat [aangeefster] haar eigen aandeel heeft erkend bij de mishandeling van 23 maart 2026 door te verklaren dat zij de verdachte toen terug heeft geslagen en dat [aangeefster] heeft opgemerkt dat niet al het letsel op de foto’s in het dossier het gevolg zijn van de mishandelingen door de verdachte, maakt dat de rechtbank haar verklaringen authentiek acht.
De verklaringen worden bovendien ondersteund door de foto’s die [aangeefster] heeft gemaakt van het letsel. Op de foto die in het dossier is aangeduid als afbeelding 14 en die is genomen op 8 november 2025 is een bloeduitstorting te zien in de hals van [aangeefster] . Op de foto’s die in het dossier zijn aangeduid als afbeeldingen 19 en 20 en die zijn genomen op 13 maart 2026 zijn bloeduitstortingen te zien in de hals van [aangeefster] .
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] , ook niet voor zover deze telefonisch door de politie zijn opgenomen en puntsgewijs zijn opgesomd.
De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de bloeduitstortingen in de hals niet heeft toegebracht, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden in het licht van de door haar als betrouwbaar aangemerkte verklaringen van [aangeefster] en de verklaring van de verdachte dat hij verantwoordelijk is voor het overige letsel dat te zien is op de foto’s die volgens de metadata zijn gemaakt op 8 november 2025 en op 13 maart 2026.
Uit de bewijsmiddelen blijkt, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte [aangeefster] tijdens de mishandelingen in november 2025 en op 13 maart 2026 met kracht bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen.
(Voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank moet bij het onder feit 1 primair tenlastegelegde beslissen of de handelingen van verdachte poging tot zware mishandeling opleveren.
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan ook in een relatief kortere tijd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregels ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. Deze wetenschap mag ook bij de verdachte bekend worden verondersteld.
Het handelen van de verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarmee het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Sprake van een levensgezel?
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de onder feit 1 en 2 opgenomen strafverzwarende omstandigheid van het zijn van levensgezel, omdat verdachte en [aangeefster] niet aangemerkt kunnen worden als levensgezellen. Bij de verdachte en [aangeefster] is, op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is verklaard, geen sprake van een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij in de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] meerdere malen- bij de keel heeft gegrepen, en - (vervolgens) met zijn hand de keel van die [aangeefster] heeftdicht geknepen en/of dicht gedrukt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij in de periode van 1 november 2025 tot en met 31 maart 2026 te 's-Gravenhage, [aangeefster] heeft mishandeld, door- meerdere malen tegen het hoofd te slaan, en- meerdere malen tegen het bovenlichaam te slaan, en- meerdere malen in het bovenlichaam en de armen en het gezicht te knijpen.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De op te leggen straffen en maatregel
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Ten slotte heeft de officier van justitie een dadelijk uitvoerbaar contactverbod met [aangeefster] gevorderd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) voor de duur van vijf jaren, waarbij zeven dagen vervangende hechtenis dient te worden toegepast per geval dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, geen elektronisch toezicht op te leggen en de 38v-maatregel op te leggen voor een kortere duur dan vijf jaren.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zijn toenmalige, 16-jarige vriendin op drie momenten mishandeld, waarbij op twee momenten sprake was van een poging tot zware mishandeling. Door deze mishandelingen, waarbij de verdachte haar heeft geslagen, geknepen en bij de keel heeft gepakt en die heeft dichtgedrukt, heeft het slachtoffer letsel opgelopen dat ook na de mishandelingen nog goed zichtbaar was. Zoals ook blijkt uit haar verklaring is het slachtoffer haar gevoel van veiligheid kwijtgeraakt en kan zij schrikken als iemand onverwacht dichtbij haar gezicht, nek of schouders komt. Bovendien heeft het geweld over een periode van meerdere maanden en deels de openbare weg plaatsgevonden. Deze omstandigheden rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Zoals verdachte ook ter zitting heeft erkend, was tussen hem en [aangeefster] , die op het moment van de mishandelingen pas 16 jaar oud was, sprake van een ongelijkwaardige relatie. Naast het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen de verdachte en [aangeefster] , was ook sprake van controledrang vanuit de verdachte richting [aangeefster] , zoals ook blijkt uit het controleren van haar telefoon en de verwachting dat [aangeefster] haar locatie met hem deelde. Dat het geweld in deze context heeft plaatsgevonden vindt de rechtbank extra kwalijk.
De verdachte heeft ter zitting in enige mate verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen door te erkennen dat hij [aangeefster] heeft mishandeld en te zeggen dat hij spijt heeft van zijn handelingen. Aan de andere kant blijft de verdachte volhouden dat het geweld over en weer plaatsvond en dat hij het slachtoffer nooit bij de keel heeft gepakt. Ook heeft de verdachte het tijdens de voorlopige hechtenis aan hem opgelegde contactverbod overtreden door een post op haar TikTok-account te liken. De rechtbank betrekt dit bij haar oordeel voor wat betreft de noodzaak van de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn aanbevolen door de reclassering en het opleggen van de 38v-maatregel.
Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 10 juli 2026. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordeling wederom schuldig gemaakt aan een soortgelijk misdrijf. De rechtbank acht het zorgelijk dat deze veroordeling de verdachte er niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van geweld in de relationele sfeer.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 15 mei en 15 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico in de periode tot 2 maanden en een gemiddeld recidiverisico in periode daarna. De reclassering ziet bij de verdachte voldoende indicaties om in te zetten op begeleiding en behandeling gericht op emotie- en agressieregulatie, naast het vergroten van relationele vaardigheden.
De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem gedurende de proeftijd op te leggen: een meldplicht bij de reclassering; diagnostiek en ambulante behandeling door De Waag Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener; een contactverbod met het slachtoffer; een locatieverbod met elektronisch toezicht voor Delft en Den Haag en omstreken; en een locatiegebod met elektronisch toezicht op zijn verblijfadres. Ook adviseert de reclassering aan de verdachte de 38v-maatregel op te leggen voor de duur van vijf jaren.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een taakstraf van 180 uren passend en geboden.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van drie jaren en een deel van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank acht een proeftijd van voornoemde duur aangewezen, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte.
De rechtbank zal niet de door de reclassering aanbevolen bijzondere voorwaarden in de vorm van het contactverbod, de elektronische monitoring van het locatieverbod of het locatiegebod opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de noodzaak van het opleggen van de voorwaarden (in deze vorm) niet gebleken. Het contactverbod met het slachtoffer zal de rechtbank opleggen in de vorm van een dadelijk uitvoerbare 38v-maatregel.
De maatregel
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een contactverbod met het slachtoffer in de vorm van een 38v-maatregel passend en geboden is. De rechtbank zal deze maatregel opleggen voor de periode van drie jaren. Per geval dat niet aan de maatregel wordt voldaan wordt zeven dagen vervangende hechtenis toegepast met een maximum van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er, gelet op de problematiek bij de verdachte en het (op langere termijn) gemiddelde recidiverisico, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, zal de rechtbank de 38v-maatregel, de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar verklaren.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding voor immateriële schade van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd is en kan worden toegewezen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, omdat een letselrapportage of andere stukken van een arts ontbreken waaruit het letsel blijkt, en heeft verzocht de schadevergoeding zeer sterk te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het verzoek tot schadevergoeding en de bijlagen blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van de mishandelingen door de verdachte (onder meer) behandeling krijgt in de vorm van een multisysteem-therapie. Volgens de behandelaar zijn (onder meer) de volgende klachten en beperkingen zichtbaar: ernstige slaapproblemen en nachtmerries, angstklachten en een verhoogd gevoel van onveiligheid.
Deze klachten hebben volgens de behandelaar een aanzienlijke invloed op het dagelijks functioneren en de ontwikkeling van de benadeelde partij.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarin bij minder ernstig geestelijk letsel - categorie 14.1(d) - een schadevergoedingsbedrag tussen € 2.675,- en € 4.000,- passend wordt geacht. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 november 2025 waarnaar is verwezen namens de benadeelde partij, waarin soortgelijke schadevergoedingsbedragen werden toegekend als het bedrag dat namens de benadeelde partij is gevorderd.
De vordering is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst gelet op het voorgaande de vordering toe tot een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe met ingang van 8 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten zeker, tweemaal worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan.
8De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2
mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 77 (ZEVENENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, gelegen op [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door Ambulant Forensisch (GGZ) Centrum De Waag Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onder andere delictpreventie, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken; en
zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Delft en Den Haag en omstreken (zoals weergegeven op het door de reclassering ingetekende landkaart), zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of de veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 180 (HONDERDTACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de 38v-maatregel
legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
de vordering van de benadeelde partij
wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van benadeelde [aangeefster] toe tot een bedrag van € 3.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [aangeefster] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000.-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 augustus 2026.
Zie o.a. Hoge Raad, 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:246.