Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23581

2026-07-28 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.31970 en NL26.31971
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.31970 en NL26.31971
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, MOB.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.073 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht


zaaknummers: NL26.31970 en NL26.31971


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen





[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Loth)


en




de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 juni 2026. Met dat besluit heeft verweerder de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland in het kader van de Dublinverordening tot achttien maanden verlengd.1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.2. Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.31971) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting.





Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.



Heeft eiser nog procesbelang?



3. Verweerder heeft in het besluit van 1 juni 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Ook heeft verweerder in het briefverweer van 22 juli 2026 laten weten dat eiser zich sindsdien niet meer heeft gemeld, waardoor de verblijfplaats van eiser nog steeds onbekend is. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om hierop te reageren. De gemachtigde van eiser heeft hier op 22 juli 2026 op gereageerd.


3.1.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel vanuit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep over het besluit op zijn asielaanvraag. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.



3.2.

Gelet op deze rechtspraak en het feit dat de gemachtigde van eiser op
22 juli 2026 de rechtbank heeft laten weten niet meer in contact te staan met eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.







Conclusie

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.









De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:



Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening


Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.


Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.