Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23580

2026-08-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht AWB 26/10084
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AWB 26/10084
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

afwijzing visum kort verblijf Iran, ec en sociale binding onvoldoende aannemelijk gemaakt

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.792 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: AWB 26/10084


uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen


[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),


en


de minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. A. Sloots).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres voor kort verblijf in Nederland bij haar dochter. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. Eiseres heeft een visumaanvraag voor kort verblijf in Nederland ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 7 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de dochter van eiseres, [dochter eiseres] (referente) en de gemachtigde van verweerder.





(Totstandkoming van) het bestreden besluit


3. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1977. Eiseres heeft op 24 november 2022 een aanvraag voor een visum voor kort verblijf in Nederland ingediend. Zij wenst verblijf bij referente, haar dochter, die sinds enkele jaren in Nederland woont.



3.1.
Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van Nederland (en de andere lidstaten) voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Niet is gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Iran dat voldoende is gewaarborgd dat eiseres tijdig zal terugkeren naar Iran, aldus verweerder.





Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank overweegt allereerst dat voor een kort verblijf in Nederland van maximaal 90 dagen voor een vreemdeling afkomstig uit Iran, een visum nodig is. Een visum wordt onder meer geweigerd als de vreemdeling het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel ii, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode). Een visum wordt ook geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over onder meer het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Als één van voornoemde gronden zich voordoet, is dat voldoende om het visum te weigeren. Daarbij heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge en kan de rechtbank het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen (zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, zaak C-84/12, Koushkaki, ECLI:EU:C:2013:862).



4.1.
In het kader van de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het tijdig verlaten van het grondgebied van de lidstaten, moet verweerder kijken naar de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, waaronder met name zijn sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om Nederland tijdig te verlaten; de redelijke twijfel over dat voornemen volstaat. Zie voormeld arrest in de zaak van Koushkaki (punten 68 en 69).


5. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van het visum te verlaten. Eiseres stelt in dit kader dat zij wel voldoende sociale en economische binding met Iran heeft en dat eerder aan haar een visum is verleend door Frankrijk waarna zij tijdig is teruggekeerd naar Iran.




De sociale binding met het land van herkomst





5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres voldoende sociale binding met Iran heeft om op grond daarvan tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit 46 jaar oud was, weduwe is en dat haar enige dochter (referente) in Nederland woont.
Verweerder heeft hierbij ook kunnen overwegen en betrekken dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres in Iran zorg draagt voor directe familieleden. Verweerder heeft in dit verband kunnen overwegen dat eiseres weliswaar heeft gesteld dat zij voor haar moeder in Iran zorgt, maar dat zij de hulpbehoevendheid van haar moeder niet aannemelijk heeft gemaakt en dat, voor zover haar moeder hulpbehoevend zou zijn, niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres de hulp verleent en dat niemand anders dit kan overnemen. De in beroep overgelegde medische stukken met betrekking tot de moeder van eiseres doen hieraan niet af. Uit deze stukken blijkt weliswaar dat de moeder van eiseres medische klachten had, maar niet is gebleken in hoeverre ze hulpbehoevend was. Bovendien blijkt uit deze stukken ook niet dat eiseres haar moeder toen verzorgde. In dit kader is van belang dat verweerder heeft overwogen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de woonplaats van haar moeder. Eiseres heeft namelijk in bezwaar gesteld dat haar moeder op het adres van eiseres woont, terwijl in de visumvragenlijst en op de affidavit of support is aangegeven dat eiseres in [plaats 1] woont en dat haar moeder in [plaats 2] woont. Dit laatste is in de aanvullende beroepsgronden van 26 juni 2026 en op de zitting door de gemachtigde van eiseres bevestigd. Weliswaar is daarmee de woonplaats van de moeder in beroep gecorrigeerd, maar dat neemt niet weg dat verweerder in het bestreden besluit heeft kunnen overwegen dat er sprake was van tegenstrijdigheden. Dat eiseres op geruime afstand van haar moeder woont, doet bovendien afbreuk aan haar stelling dat zij mantelzorg aan haar moeder verleent. Op de zitting heeft referente toegelicht dat eiseres haar moeder zo’n vijf maal per jaar bezoekt en als zij geopereerd wordt vaker. Verder heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat ook de (in de beroepsgronden van 26 juni 2026 al genoemde en bij de moeder inwonende) broer van eiseres zorgtaken voor hun moeder verricht en dat er altijd wel iemand anders is die de zorg kan verlenen. Uit dit alles volgt dat de noodzakelijkheid van terugkeer van eiseres naar Iran geen gegeven is.
Tot slot is ook niet gebleken dat eiseres in Iran andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft die haar nopen tijdig naar dat land terug te keren. Verweerder heeft tegen deze achtergrond kunnen overwegen dat de omstandigheid dat (zoals in bezwaar nog in algemene termen is aangevoerd) ‘het hele netwerk van vrienden en familie’ van eiseres in Iran is, van onvoldoende gewicht is om te kunnen concluderen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.




De economische binding met het land van herkomst





5.2.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiseres voldoende economische binding met Iran heeft om op grond daarvan tijdige terugkeer gewaarborgd te achten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar werkzaamheden als therapeute gebonden is aan Iran. Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat uit de overlegde stukken niet blijkt of zij met haar werkzaamheden als ZZP-er winst of verlies draait en wat de hoogte is van de eventuele winst of verlies. Er zijn ook geen andere stukken overgelegd met betrekking tot haar gestelde onderneming die meer inzicht kunnen geven in haar werk als ZZP-er (bijv. ondernemingsplan, balans, etc.). De brief van [bedrijf] bij de gronden van beroep van 23 juni 2026 doet aan het voorgaande niet af. Daarin staat alleen vermeld dat eiseres sinds 2019 soms wordt ingezet door [bedrijf] als therapeut, maar er zijn geen stukken overgelegd om dit nader toe te lichten en te onderbouwen. Er is bijvoorbeeld geen stuk overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld hoe vaak de hulp van eiseres als therapeute wordt ingeroepen en hoeveel zij daarmee verdient. Ook blijkt bijvoorbeeld niet dat bepaalde cliënten van de hulp van eiseres afhankelijk zijn en bij haar nog onder behandeling staan. Verweerder heeft terecht op de zitting tegengeworpen dat ook geen contract tussen eiseres en [bedrijf] is overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eiseres tijdig terug dient te keren naar Iran. Referente heeft op de zitting verklaard dat eiseres niet heel regelmatig voor [bedrijf] werkt en eiseres zelf heeft gesteld dat de inkomsten die zij met haar werkzaamheden als ZZP-er verdient niet nodig zijn om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit doet verder afbreuk aan de gestelde economische binding met Iran.
Verder heeft eiseres bankverklaringen en bankafschriften van verschillende banken overgelegd en bewijs van het bezit van onroerend goed en stukken over een erfenis. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich echter op het standpunt kunnen stellen dat eiseres met de overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dusdanig sterke economische binding met Iran heeft dat haar terugkeer op grond daarvan voldoende gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft in dit kader relevant gevonden dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres, om toegang te hebben tot haar bankrekening en de erfenis, fysiek in Iran zou moeten verblijven. Verder heeft verweerder overwogen dat eiseres haar onroerend goed in Iran ook vanuit het buitenland kan beheren. Voor zover eiseres heeft gesteld dat zij vanuit het buitenland niet aan het geld op haar Iraanse bankrekening kan komen en ook haar onroerend niet goed kan beheren, vanwege de strenge politieke sancties tegen Iran, heeft zij dit niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar onroerend goed zal moeten terugkeren naar Iran. Dat heeft zij ook niet gedaan met haar enkele stelling dat het geld dat zij ontvangt bij eventuele verkoop van het onroerend goed in Iran, weinig waarde heeft in Nederland. Overigens heeft verweerder ten aanzien van de bankrekeningen nog kunnen overwegen dat vlak voor de besluitvorming hoge stortingen zijn gedaan op de bankrekeningen en dat uit de bankafschriften niet blijkt waar de hoge stortingen op de rekening vandaan komen. De stelling van eiseres dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk als ZZP-er, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd.




Eerder verleend visum





5.3.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat iedere aanvraag op zijn eigen merites beoordeeld dient te worden en dat een visumaanvrager telkens opnieuw aan alle voorwaarden voor visumafgifte moet voldoen. Hoewel eiseres in het verleden met een visum het Schengengebied is ingereisd en verweerder niet heeft weersproken dat zij toen ook weer tijdig is teruggekeerd, wijst verweerder er terecht op dat het visum toen door Frankrijk is afgegeven en dat niet bekend is wat er aan die visumaanvraag ten grondslag heeft gelegen. Verweerder wijst er bovendien terecht op dat sinds de vorige visumverlening ook enkele jaren zijn verstreken en dat niet is gebleken dat de omstandigheden toen gelijk waren. In ieder geval is een relevant verschil tussen die visumverlening en de nu voorliggende visumaanvraag, zoals verweerder terecht ter zitting heeft opgemerkt, dat eiseres in Frankrijk geen dochter heeft wonen en in Nederland wel. Verweerder heeft in de eerdere visumverlening door Frankrijk op zichzelf dan ook geen reden hoeven zien om de onderhavige aanvraag van eiseres in te willigen. De stelling van eiseres dat zij en referente elkaar eerder in Turkije hebben bezocht en dat eiseres toen ook weer is teruggekeerd naar Iran, kan ook om diezelfde reden niet tot het daarmee door eiseres beoogde resultaat leiden.



Conclusie over tijdige terugkeer





5.4.
Verweerder heeft de sociale en de economische binding in samenhang bekeken en in redelijkheid het standpunt ingenomen dat de binding van eiseres met Iran onvoldoende garantie vormt dat zij tijdig naar dat land zal terugkeren. De enkele algemene stelling van de gemachtigde van eiseres dat in deze zaak, anders dan in de zaak van zijn schoonmoeder, een zware bewijslast is gesteld, is niet nader onderbouwd en kan dus niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat over de situatie van de schoonmoeder van de gemachtigde van eiseres, aan wie recentelijk een visum zou zijn verstrekt, verder geen nadere informatie is verstrekt.



5.5.
De beroepsgrond slaagt niet.



Hoorplicht




6. Eiseres stelt tot slot dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar zodat het bestreden besluit volgens haar onzorgvuldig tot stand is gekomen.




6.1.
Uit vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat verweerder slechts in uitzonderlijke gevallen van het horen in bezwaar kan afzien. Hierbij is onder meer van belang hoe de vreemdeling zich heeft opgesteld in de bezwaarprocedure. Als een vreemdeling actief inspanningen heeft verricht om informatie te leveren en met verweerder heeft gecommuniceerd om informatie naar boven te krijgen, moet verweerder sneller aanleiding zien om hem te horen.



6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder van horen van eiseres of referente af kunnen zien. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven dat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de sociale en economische binding, heeft verweerder kunnen stellen dat op voorhand vast stond dat dit niet kon leiden tot een andere uitkomst. Eiseres heeft weliswaar nieuwe bewijsstukken over haar economische binding met Iran overgelegd in bezwaar, maar verweerder was in het primaire besluit al uitgegaan van het vermogen van eiseres en haar bezit van onroerend goed, zodat de stukken die daarop zien geen ander licht laten schijnen op de afwijzingsgronden. Bovendien heeft eiseres in bezwaar aangegeven niet meer als docent te werken en als ZZP-er aan de slag te zijn gegaan, maar dat heeft zij, zoals hiervoor al is overwogen, onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de sociale binding heeft eiseres gesteld dat zij een hulpbehoevende moeder heeft waarvoor zij zorgt, maar ook deze stelling heeft zij, zoals ook hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd. Ook heeft eiseres niet aangegeven dat zij graag wenste te worden gehoord in bezwaar. Onder deze omstandigheden heeft verweerder dan ook van horen in bezwaar kunnen afzien.



6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.






Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 augustus 2026.





De griffier is buiten staat deze uitspraak


mede te ondertekenen





griffier rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
























Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.