Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23575
2026-07-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.6626 en NL24.6693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Richtlijn Tijdelijke Bescherming – Eisers zijn geen ontheemde zoals bedoeld in de Richtlijn – Evenredigheidsbeginsel – Hoorplicht – Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:3318 Raad van State 21-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.575 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.6626 en NL24.6693
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer 1] , eiser, en [eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres, gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Procesverloop
Bij besluiten van 13 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn).
Bij besluiten van 24 januari 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is op [geboortedatum 1] 1991 geboren en eiseres op [geboortedatum 2] 1990. Zij hebben de Oekraïense nationaliteit. Op 2 oktober 2023 hebben eisers aangegeven dat zij aanspraak wensen te maken op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn.
2. De Russische strijdkrachten zijn op 24 februari 2022 een grootschalige invasie van Oekraïne begonnen op meerdere locaties vanuit de Russische Federatie, vanuit Belarus en vanuit niet onder het gezag van de regering vallende gebieden van Oekraïne. Omdat de Europese Unie (EU) waarschijnlijk te maken zou krijgen met een situatie van massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne die vanwege de Russische militaire agressie niet zouden kunnen terugkeren naar hun land of regio van oorsprong, en de toestroom waarschijnlijk van dien aard zou zijn dat er ook een duidelijk risico bestond dat de asielstelsels van de lidstaten de aankomsten niet zouden kunnen verwerken zonder nadelige gevolgen voor de goede werking ervan en voor de belangen van de betrokkenen en van andere personen die om bescherming vragen, heeft de EU met het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit) de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in werking gesteld. Zo kon onmiddellijke en tijdelijke opvang in de EU mogelijk worden gemaakt en kon de verantwoordelijkheid voor mensen die Oekraïne ontvluchten ook eenvoudiger tussen de lidstaten worden verdeeld.
De bestreden besluiten
3. Bij de primaire besluiten, gehandhaafd bij de bestreden besluiten, heeft verweerder vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard op 13 februari 2021 uit Oekraïne te zijn vertrokken en eiseres op 13 april 2021. Zij hebben verklaard sindsdien in Polen gewoond en gewerkt te hebben. Volgens verweerder behoren eisers derhalve niet tot de aangewezen groep ontheemden waarvoor de tijdelijke bescherming is bedoeld.
Beroepsgronden
4. Eisers betogen dat zij ontheemd zijn geraakt door de oorlog en dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Vanwege werkgerelateerde redenen verbleven eisers tijdelijk in het buitenland met de bedoeling om daarna terug te keren naar hun familie in Oekraïne. Volgens eisers vallen zij onder de doelgroep van de Richtlijn en heeft verweerder in hun geval ten onrechte een te ver verwijderd verband met de oorlog aangenomen. Dit betoog voeren eisers eveneens aan in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Volgens eisers had verweerder een ruimhartiger beleid moeten voeren zodat ook zij onder de doelgroep vallen. Verweerder verliest namelijk uit het oog dat zij nu gedwongen worden een asielaanvraag in te dienen, dat zij bij toekenning van de tijdelijke bescherming in staat worden gesteld om meteen te werken en dat vasthouden aan de peildatum excessief formalistisch is. Eisers vragen zich ook af of vasthouden aan de peildatum voldoende recht doet aan de oproep in overweging 14 van de preambule van het Uitvoeringsbesluit. Indien zij later waren vertrokken uit Oekraïne zouden zij wel recht hebben gehad op de tijdelijke bescherming. Zij hebben nu ook geen rechtmatig verblijf in Polen. Uit de operationele richtsnoeren van de Europese Commissie van 21 maart 2022 blijkt dat de lidstaten baat hebben bij het verlenen van tijdelijke bescherming aan een ruimere groep personen vanwege de eenvoud van de procedure, wat ook een risico op overbelasting van het asielkader beperkt.
Volgens eisers heeft verweerder ook ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar ondanks hun beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling door de rechtbank
Kader
5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is dat besluit van toepassing op de daar genoemde categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon. In het geval van Oekraïense onderdanen moeten zij vóór 24 februari 2022 in Oekraïne hebben verbleven om voor tijdelijke bescherming in aanmerking te komen.
6. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van de Richtlijn dit besluit ook toepassen op andere personen, onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren.
7. Nederland heeft toepassing gegeven aan deze facultatieve bepaling met artikel 3.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Voor zover hier van belang, volgt daaruit dat mensen met de Oekraïense nationaliteit óók tijdelijke bescherming kunnen krijgen als zij na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd; of als zij kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland verbleven.
Ontheemd volgens de Richtlijn
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eisers vóór de militaire invasie op 24 februari 2022, maar ook al vóór de door verweerder gehanteerde peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne waren vertrokken. Eisers hebben verklaard dat zij op 13 februari 2021 en 14 april 2021 uit Oekraïne zijn vertrokken en sindsdien in Polen hebben gewoond en gewerkt. Zij hebben Oekraïne dan ook niet moeten verlaten door de Russische militaire invasie. Eisers behoren evenmin tot de aangewezen groep vreemdelingen die wordt gelijkgesteld met de personen die als gevolg van de invasie zijn ontheemd. Gelet op het voorgaande hebben zij Oekraïne verlaten vóór de peildatum van 26 november 2021 bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder a, van het VV 2000, in samenhang met artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. Dat eiseres na de militaire invasie is teruggekeerd naar Oekraïne en het land toen opnieuw heeft verlaten, leidt ook niet tot het oordeel dat zij als gevolg van die invasie ontheemd is geraakt. Verder is niet gesteld of gebleken dat eisers in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk in Nederland verbleven. Eisers komen daarom niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3318).
Evenredigheidsbeginsel
9. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de gevolgen van de bestreden besluiten onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zij overweegt het volgende. Ter zitting heeft verweerder terecht gewezen op het doel van de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit. Die zien op minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van deze personen. Verweerder heeft terecht gesteld dat hij beslissingsruimte heeft om de procedure in te richten en te bepalen wie recht heeft op tijdelijke bescherming, zolang het doel en het nuttig effect van de Richtlijn niet in gevaar worden gebracht. Verweerder heeft ervoor gekozen de peildatum te verruimen ten opzichte van het Uitvoeringsbesluit. Dat betekent echter niet dat verweerder méér groepen tijdelijke bescherming moet bieden dan hij heeft gedaan. Dat eisers na die verruiming buiten de reikwijdte van de tijdelijke bescherming vallen, is geen bijzondere omstandigheid die zonder meer tot onevenredigheid leidt. De rechtbank overweegt dat eisers, net als andere Oekraïners, weliswaar zwaar worden getroffen door de oorlog, maar dat dit niet betekent dat verweerder ook aan hen tijdelijke bescherming moet bieden. Zij zijn immers niet ontheemd in de zin van artikel 2, onder c, van de Richtlijn. De rechtbank heeft in soortgelijke zaken al overwogen dat het inherent is aan het stellen van voorwaarden voor tijdelijke bescherming dat er gevallen zijn die buiten die bescherming vallen. Anders dan eisers acht de rechtbank vasthouden aan de bovengenoemde peildatum ook niet excessief formalistisch.
10. Daarbij komt dat eisers een relatief eenvoudige mogelijkheid hebben om hier rechtmatig te verblijven door de asielprocedure te doorlopen. Zij vallen dan onder de reguliere procedures, net als andere vluchtelingen, en krijgen in dat kader ook opvang. Dat eisers zich niet in Ter Apel hebben gemeld en dat hun asielaanvraag, die moet worden ingediend om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming (zie WI 2022/17), buiten behandeling is gesteld, maakt niet dat aan hen alsnog tijdelijke bescherming moet worden verleend. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij hun asielprocedure relatief eenvoudig opnieuw kunnen opstarten. De stelling dat eisers in het kader van een asielaanvraag niet of pas later kunnen werken, is vervelend, maar niet zodanig bijzonder dat de bestreden besluiten daarom onevenredig zijn. Ook als asielzoeker mogen eisers onder voorwaarden werken in Nederland (zie onder meer Bijlage I (Uitvoeringsregels) van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, onder 8.2).
11. Tot slot overweegt de rechtbank dat wat eisers hebben aangevoerd vooral ziet op de wijze waarop verweerder uitvoering heeft gegeven aan het Uitvoeringsbesluit. Daarvoor heeft verweerder beslissingsruimte. Uit wat eisers hebben aangevoerd blijkt niet dat zij daardoor onevenredig in hun belangen worden getroffen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Horen in bezwaar
12. Eisers hebben verder gesteld dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, ondanks hun beroep op artikel 8 van het EVRM.
13. Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
14. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. In bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die redelijkerwijs twijfel konden doen ontstaan over het standpunt dat eisers niet voor tijdelijke bescherming in aanmerking komen. Daarnaast hebben eisers hun beroep op artikel 8 van het EVRM in de bezwaarprocedure niet toegelicht of onderbouwd. De onderhavige procedure strekt tot beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming is voldaan. De enkele, niet nader onderbouwde verwijzing in bezwaar naar artikel 8 van het EVRM bracht niet mee dat verweerder eisers diende te horen. Nu geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM kon volgen, kon verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond achten en met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien. Zoals verweerder verder in de bestreden besluiten naar voren heeft gebracht kunnen eisers, als zij menen een verblijfsrecht te ontlenen aan artikel 8 van het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag indienen. Bovendien kan een beroep op artikel 8 van het EVRM ook in een eventuele nieuwe asielprocedure, al dan niet ambtshalve (door verweerder), aan de orde komen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Uitkomst
15. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.6626 en NL24.6693
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer 1] , eiser, en [eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres, gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Procesverloop
Bij besluiten van 13 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn).
Bij besluiten van 24 januari 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen door eisers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is op [geboortedatum 1] 1991 geboren en eiseres op [geboortedatum 2] 1990. Zij hebben de Oekraïense nationaliteit. Op 2 oktober 2023 hebben eisers aangegeven dat zij aanspraak wensen te maken op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn.
2. De Russische strijdkrachten zijn op 24 februari 2022 een grootschalige invasie van Oekraïne begonnen op meerdere locaties vanuit de Russische Federatie, vanuit Belarus en vanuit niet onder het gezag van de regering vallende gebieden van Oekraïne. Omdat de Europese Unie (EU) waarschijnlijk te maken zou krijgen met een situatie van massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne die vanwege de Russische militaire agressie niet zouden kunnen terugkeren naar hun land of regio van oorsprong, en de toestroom waarschijnlijk van dien aard zou zijn dat er ook een duidelijk risico bestond dat de asielstelsels van de lidstaten de aankomsten niet zouden kunnen verwerken zonder nadelige gevolgen voor de goede werking ervan en voor de belangen van de betrokkenen en van andere personen die om bescherming vragen, heeft de EU met het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit) de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in werking gesteld. Zo kon onmiddellijke en tijdelijke opvang in de EU mogelijk worden gemaakt en kon de verantwoordelijkheid voor mensen die Oekraïne ontvluchten ook eenvoudiger tussen de lidstaten worden verdeeld.
De bestreden besluiten
3. Bij de primaire besluiten, gehandhaafd bij de bestreden besluiten, heeft verweerder vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser heeft verklaard op 13 februari 2021 uit Oekraïne te zijn vertrokken en eiseres op 13 april 2021. Zij hebben verklaard sindsdien in Polen gewoond en gewerkt te hebben. Volgens verweerder behoren eisers derhalve niet tot de aangewezen groep ontheemden waarvoor de tijdelijke bescherming is bedoeld.
Beroepsgronden
4. Eisers betogen dat zij ontheemd zijn geraakt door de oorlog en dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Vanwege werkgerelateerde redenen verbleven eisers tijdelijk in het buitenland met de bedoeling om daarna terug te keren naar hun familie in Oekraïne. Volgens eisers vallen zij onder de doelgroep van de Richtlijn en heeft verweerder in hun geval ten onrechte een te ver verwijderd verband met de oorlog aangenomen. Dit betoog voeren eisers eveneens aan in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Volgens eisers had verweerder een ruimhartiger beleid moeten voeren zodat ook zij onder de doelgroep vallen. Verweerder verliest namelijk uit het oog dat zij nu gedwongen worden een asielaanvraag in te dienen, dat zij bij toekenning van de tijdelijke bescherming in staat worden gesteld om meteen te werken en dat vasthouden aan de peildatum excessief formalistisch is. Eisers vragen zich ook af of vasthouden aan de peildatum voldoende recht doet aan de oproep in overweging 14 van de preambule van het Uitvoeringsbesluit. Indien zij later waren vertrokken uit Oekraïne zouden zij wel recht hebben gehad op de tijdelijke bescherming. Zij hebben nu ook geen rechtmatig verblijf in Polen. Uit de operationele richtsnoeren van de Europese Commissie van 21 maart 2022 blijkt dat de lidstaten baat hebben bij het verlenen van tijdelijke bescherming aan een ruimere groep personen vanwege de eenvoud van de procedure, wat ook een risico op overbelasting van het asielkader beperkt.
Volgens eisers heeft verweerder ook ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar ondanks hun beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Beoordeling door de rechtbank
Kader
5. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is dat besluit van toepassing op de daar genoemde categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon. In het geval van Oekraïense onderdanen moeten zij vóór 24 februari 2022 in Oekraïne hebben verbleven om voor tijdelijke bescherming in aanmerking te komen.
6. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 7 van de Richtlijn dit besluit ook toepassen op andere personen, onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren.
7. Nederland heeft toepassing gegeven aan deze facultatieve bepaling met artikel 3.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Voor zover hier van belang, volgt daaruit dat mensen met de Oekraïense nationaliteit óók tijdelijke bescherming kunnen krijgen als zij na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd; of als zij kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland verbleven.
Ontheemd volgens de Richtlijn
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eisers vóór de militaire invasie op 24 februari 2022, maar ook al vóór de door verweerder gehanteerde peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne waren vertrokken. Eisers hebben verklaard dat zij op 13 februari 2021 en 14 april 2021 uit Oekraïne zijn vertrokken en sindsdien in Polen hebben gewoond en gewerkt. Zij hebben Oekraïne dan ook niet moeten verlaten door de Russische militaire invasie. Eisers behoren evenmin tot de aangewezen groep vreemdelingen die wordt gelijkgesteld met de personen die als gevolg van de invasie zijn ontheemd. Gelet op het voorgaande hebben zij Oekraïne verlaten vóór de peildatum van 26 november 2021 bedoeld in artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder a, van het VV 2000, in samenhang met artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000. Dat eiseres na de militaire invasie is teruggekeerd naar Oekraïne en het land toen opnieuw heeft verlaten, leidt ook niet tot het oordeel dat zij als gevolg van die invasie ontheemd is geraakt. Verder is niet gesteld of gebleken dat eisers in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk in Nederland verbleven. Eisers komen daarom niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3318).
Evenredigheidsbeginsel
9. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de gevolgen van de bestreden besluiten onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zij overweegt het volgende. Ter zitting heeft verweerder terecht gewezen op het doel van de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit. Die zien op minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van deze personen. Verweerder heeft terecht gesteld dat hij beslissingsruimte heeft om de procedure in te richten en te bepalen wie recht heeft op tijdelijke bescherming, zolang het doel en het nuttig effect van de Richtlijn niet in gevaar worden gebracht. Verweerder heeft ervoor gekozen de peildatum te verruimen ten opzichte van het Uitvoeringsbesluit. Dat betekent echter niet dat verweerder méér groepen tijdelijke bescherming moet bieden dan hij heeft gedaan. Dat eisers na die verruiming buiten de reikwijdte van de tijdelijke bescherming vallen, is geen bijzondere omstandigheid die zonder meer tot onevenredigheid leidt. De rechtbank overweegt dat eisers, net als andere Oekraïners, weliswaar zwaar worden getroffen door de oorlog, maar dat dit niet betekent dat verweerder ook aan hen tijdelijke bescherming moet bieden. Zij zijn immers niet ontheemd in de zin van artikel 2, onder c, van de Richtlijn. De rechtbank heeft in soortgelijke zaken al overwogen dat het inherent is aan het stellen van voorwaarden voor tijdelijke bescherming dat er gevallen zijn die buiten die bescherming vallen. Anders dan eisers acht de rechtbank vasthouden aan de bovengenoemde peildatum ook niet excessief formalistisch.
10. Daarbij komt dat eisers een relatief eenvoudige mogelijkheid hebben om hier rechtmatig te verblijven door de asielprocedure te doorlopen. Zij vallen dan onder de reguliere procedures, net als andere vluchtelingen, en krijgen in dat kader ook opvang. Dat eisers zich niet in Ter Apel hebben gemeld en dat hun asielaanvraag, die moet worden ingediend om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming (zie WI 2022/17), buiten behandeling is gesteld, maakt niet dat aan hen alsnog tijdelijke bescherming moet worden verleend. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zij hun asielprocedure relatief eenvoudig opnieuw kunnen opstarten. De stelling dat eisers in het kader van een asielaanvraag niet of pas later kunnen werken, is vervelend, maar niet zodanig bijzonder dat de bestreden besluiten daarom onevenredig zijn. Ook als asielzoeker mogen eisers onder voorwaarden werken in Nederland (zie onder meer Bijlage I (Uitvoeringsregels) van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022, onder 8.2).
11. Tot slot overweegt de rechtbank dat wat eisers hebben aangevoerd vooral ziet op de wijze waarop verweerder uitvoering heeft gegeven aan het Uitvoeringsbesluit. Daarvoor heeft verweerder beslissingsruimte. Uit wat eisers hebben aangevoerd blijkt niet dat zij daardoor onevenredig in hun belangen worden getroffen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Horen in bezwaar
12. Eisers hebben verder gesteld dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, ondanks hun beroep op artikel 8 van het EVRM.
13. Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
14. Verweerder heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. In bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die redelijkerwijs twijfel konden doen ontstaan over het standpunt dat eisers niet voor tijdelijke bescherming in aanmerking komen. Daarnaast hebben eisers hun beroep op artikel 8 van het EVRM in de bezwaarprocedure niet toegelicht of onderbouwd. De onderhavige procedure strekt tot beoordeling van de vraag of aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming is voldaan. De enkele, niet nader onderbouwde verwijzing in bezwaar naar artikel 8 van het EVRM bracht niet mee dat verweerder eisers diende te horen. Nu geen concrete feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM kon volgen, kon verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond achten en met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien. Zoals verweerder verder in de bestreden besluiten naar voren heeft gebracht kunnen eisers, als zij menen een verblijfsrecht te ontlenen aan artikel 8 van het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag indienen. Bovendien kan een beroep op artikel 8 van het EVRM ook in een eventuele nieuwe asielprocedure, al dan niet ambtshalve (door verweerder), aan de orde komen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Uitkomst
15. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.