Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23571
2026-07-30
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL24.26009
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mvv – nareis – bijkomende elementen van afhankelijkheid – hechte persoonlijke banden – beroep ongegrond.
Citeert (13)
- ECLI:NL:RVS:2024:1188 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:2142 Raad van State 13-05-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3275 Raad van State 18-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2022:379 Raad van State 09-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2024:5072 Raad van State 10-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1187 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:1188 Raad van State 27-03-2024
- ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021
- ECLI:NL:RVS:2025:3275 Raad van State 18-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:2145 Raad van State 29-05-2024
- ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013
- ECLI:CE:ECHR:1998:0609JUD002243093
- ECLI:NL:RVS:2024:4685 Raad van State 15-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.494 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26009
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 30 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Op 25 juni 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [zoon eiseres] (referent), de gemachtigde van eiseres, L. Mourad (tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1965. Zij wil graag in Nederland verblijven bij haar meerderjarige zoon (referent, geboortedatum [geboortedatum 2] 1990), zijn vrouw en hun vier kinderen (hierna: de kleinkinderen). De kleinkinderen zijn geboren op [geboortedatum 3] 2015, [geboortedatum 4] 2016, [geboortedatum 5] 2018 en [geboortedatum 6] 2020. Eiseres heeft op 15 september 2021 een mvv-aanvraag ingediend met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Referent is in februari 2021 gevlucht uit Syrië. Hij heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanaf 12 augustus 2021.
De tegelijkertijd met de onderhavige mvv-aanvraag van eiseres ingediende mvv-aanvragen van de vrouw van referent en hun vier kinderen zijn op 9 juni 2022 ingewilligd. Deze familieleden zijn in december 2022 naar Nederland gekomen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvraag voor eiseres afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit, waarbij verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van EVRM. Er zijn volgens verweerder tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de echtgenote van referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. Tussen eiseres en haar kleinkinderen bestaan geen hechte persoonlijke banden. Het afwijzen van de aanvraag van eiseres is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus verweerder.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd.
Zijn er bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en diens echtgenote?
4. Volgens eiseres bestaat er tussen haar en referent en zijn vrouw familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft aangevoerd dat zij tot aan het noodgedwongen vertrek van referent uit Syrië altijd met hem heeft samengewoond (dus van 1990-2021). In 2014 trouwde referent met zijn vrouw. De vrouw van referent trok vervolgens in bij eiseres en referent. Tot aan de nareis heeft zij ook met haar samengewoond. Er was dagelijks contact en eiseres verzorgde de kinderen van referent en zijn vrouw terwijl zij aan het werk waren. Er was dan ook sprake van één financiële huishouding waarbij alle partijen geld binnenbrachten dan wel taken vervulden die economische waarde vertegenwoordigden. Volgens eiseres was de intensiteit van het familie- en gezinsleven dan ook meer dan gebruikelijk. Volgens eiseres aan de situatie na het vertrek van referent naar Nederland in februari 2021 en het vertrek van zijn vrouw en de kinderen naar Nederland in december 2022. Daarbij is benadrukt dat referent niet vrijwillig is vertrokken, maar daartoe werd gedwongen door de oorlog in Syrië. Het toetsmoment had daarbij moeten aansluiten. Referent heeft vanwege de omstandigheden maatregelen moeten nemen om het welzijn en het levensonderhoud van eiseres te verbeteren, maar haar situatie is beduidend slechter dan de situatie waarbij referent, zijn vrouw en eiseres nog in dezelfde woning aanwezig waren.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen buiten het kerngezin bestaat als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het EHRM heeft dit recent nog als volgt verwoord: “The Court […] reiterates that family life for the purpose of Article 8 of the Convention is normally limited to the core family […] and that there will be no family life between parents and adult children or adult siblings unless they can demonstrate “additional elements of dependence, involving more than the normal emotional ties” (arrest van 2 april 2026, Eyni Mude en Suleyman Mohamed Hussein, zaaknummer 47878/20). De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat het er bij de vraag naar ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ vooral om gaat of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder alle hiervoor genoemde elementen, voor zover aangevoerd, kenbaar en gemotiveerd heeft betrokken bij de beoordeling of tussen eiseres en referent en diens vrouw sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Over die elementen en de weging die verweerder heeft gemaakt, overweegt de rechtbank het volgende.
5.3.
Ten aanzien van het element ‘samenwoning’ overweegt de rechtbank als volgt.
5.3.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit wel degelijk betrokken dat eiseres langdurig met referent en diens vrouw heeft samengewoond. Verweerder heeft zich daarover echter op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheid op zichzelf niet maakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Samenwoning is in de beoordeling van de vraag naar de bijkomende elementen een relevant gegeven, maar geen zelfstandig beslissend criterium. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2142, onder 5.1, en de toelichting op het element ‘samenwonen’ in informatiebericht (IB) 2024/57 ‘Bijkomende elementen van afhankelijkheid en 8 EVRM’, blz. 2, waarop verweerder ter zitting heeft gewezen. Verweerder heeft daarbij ook betekenis kunnen toekennen aan de periode(n) waarin eiseres, referent en diens echtgenote na de samenwoning van elkaar gescheiden hebben geleefd en aan de wijze waarop eiseres zich in die periode staande heeft gehouden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 6.5. Referent woonde ten tijde van het bestreden besluit al ruim drie jaar niet meer samen met eiseres en voor de echtgenote geldt dat dit gedurende bijna anderhalf jaar niet meer aan de orde was. Eiseres is in die periode(n) in staat geweest om voor zichzelf te zorgen. Dat dit genuanceerder ligt, zoals eiseres heeft aangevoerd, is de rechtbank niet gebleken. Het jarenlang zelfstandig wonen van eiseres kan, gelet op de ex tunc-toetsing van het bestreden besluit, anders dan eiseres stelt, bij de beoordeling worden betrokken. De ex tunc-toetsing houdt immers in dat de bestuursrechter een besluit toetst aan de hand van (a) het toepasselijke recht zoals dat gold en (b) de relevante feiten die zich voordeden ten tijde van het nemen van dat besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.3). Dat de verbreking van de samenwoning niet vrijwillig is geweest maar voortkwam uit de situatie in Syrië, leidt niet tot een ander oordeel.
5.4.
Over het element ‘emotionele afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank het volgende.
5.4.1.
Verweerder heeft aannemelijk geacht dat er een hechte, emotionele band bestaat tussen referent en eiseres. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiseres en referent lange tijd hebben samengewoond, samen veel hebben meegemaakt en sinds het vertrek van referent veel contact onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de emotionele band tussen eiseres en referent uitstijgt boven de tussen ouders en hun meerderjarige kinderen gebruikelijke emotionele banden. Voor zover eiseres erop wijst dat zij, gelet op de Syrische culturele context, afhankelijk is van haar jongste zoon en dat referent na het overlijden van zijn vader zogenoemd als ‘pater familias’ wordt beschouwd, leidt dat niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, is de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in wezen feitelijk van aard. De situatie in het land van herkomst kan daarin wel een rol spelen, maar het gaat er niet om welke status een gezinslid in de culturele context heeft. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5072, onder 3.3.
5.5.
Ten aanzien van het element ‘medische afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt.
5.5.1.
Verweerder heeft aannemelijk geacht dat eiseres medische problemen heeft, bestaande uit knieklachten waardoor zij niet lang kan lopen, en hartklachten. Verweerder heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres vanwege die medische problemen hulpbehoevend is en in welke zin, en evenmin dat zij daarvoor afhankelijk is van referent of zijn vrouw. Eiseres heeft gesteld dat zij hulpbehoevend is, maar dat volgt niet zonder meer uit de overgelegde medische stukken. De gestelde zorgbehoefte is daarom onvoldoende onderbouwd. Maar ook als de medische problematiek van eiseres meebrengt dat zij zorg van anderen nodig heeft, heeft verweerder terecht gesteld dat niet is gebleken dat zij voor die zorg afhankelijk is van referent of zijn vrouw. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiseres zich sinds het vertrek van de vrouw van referent zelfstandig staande heeft weten te houden. Zo is eiseres in staat gebleken om zonder hulp van referent of zijn vrouw aan haar medicatie te komen.
5.6.
Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van het element ‘financiële afhankelijkheid’ het volgende. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres (exclusief) financieel afhankelijk is van referent. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Uit de bij de aanvraag overgelegde stukken blijkt immers dat referent slechts twee keer geld heeft overgemaakt naar eiseres, te weten één keer € 50,- op 5 augustus 2021 en één keer € 15,- op 2 september 2021. De omstandigheid dat er in Syrië sprake was van één financiële huishouding waarbij alle partijen geld binnenbrachten dan wel taken vervulden die economische waarde vertegenwoordigden doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank kan verweerder bovendien volgen in zijn standpunt dat, als wel aannemelijk was gemaakt dat eiseres financieel afhankelijk was van de referent, deze financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet.
5.7.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder, alle elementen van afhankelijkheid in onderlinge samenhang bezien, niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat tussen eiseres enerzijds en referent en zijn vrouw anderzijds geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, zodat geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
5.8.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?
6. Verder heeft eiseres aangevoerd dat er tussen haar en de kleinkinderen familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er bestaan tussen haar en de kleinkinderen namelijk hechte persoonlijke banden. Eiseres heeft met de kinderen samengewoond vanaf hun geboortes tot hun vertrek. Bovendien heeft eiseres de kinderen verzorgd en opgevoed op de momenten dat referent en zijn vrouw aan het werk waren.
7.1.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 2, overwogen dat de vraag of er tussen een grootouder en een minderjarig kleinkind familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, een kwestie van feitelijke aard is en dat dit afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Volgens de Afdeling moet de bestuursrechter het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er familie- of gezinsleven bestaat, volledig toetsen. De rechtbank moet de uitkomst van die beoordeling echter met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden.
7.2.
Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat eiseres jarenlang met de kleinkinderen heeft samengewoond, namelijk vanaf hun geboortes tot hun vertrek in december 2022. Verweerder heeft echter kunnen overwegen dat dit op zichzelf nog niet maakt dat tussen hen hechte persoonlijke banden bestaan in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres een ouderlijke rol op zich heeft genomen. Hoewel aannemelijk is dat eiseres een goede band heeft met de kinderen en zij de kleinkinderen heeft verzorgd en opgevoed op momenten dat referent en zijn vrouw aan het werk waren, stelt verweerder terecht dat niet is geconcretiseerd welke zorg- en opvoedingstaken eiseres voor de kleinkinderen verrichtte en welke betekenis die zorg had voor hun onderlinge verhouding. Ook is onduidelijk hoe vaak referent en zijn vrouw van huis waren om te werken en dus hoe vaak en voor welke duur eiseres alleen was met de kinderen. Referent heeft ter zitting gewezen op de culturele context en de betekenis die eiseres daarin hecht aan de band met de kleinkinderen. Voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM is echter niet alleen van belang welke betekenis eiseres aan die verhouding hecht. Ook moet blijken dat de feitelijke band tussen haar en de kleinkinderen een intensiteit heeft die uitstijgt boven wat tussen grootouders en kleinkinderen gebruikelijk is. De belangen van de kleinkinderen spelen daarbij een rol, maar eiseres heeft die niet nader toegelicht of onderbouwd. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat ervan kan worden uitgegaan dat referent en zijn echtgenote steeds als primaire verzorgers van de kinderen in beeld zijn gebleven. Zij hebben immers altijd met de kinderen samengewoond. Ook nadat referent Syrië had verlaten, bleef zijn echtgenote bij de kinderen in het huis van eiseres wonen tot aan hun gezamenlijke vertrek.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat tussen eiseres en de kleinkinderen geen hechte persoonlijke banden bestaan. Verweerder heeft dan ook terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen.
7.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Nu tussen eiseres enerzijds en referent, diens echtgenote en hun kinderen anderzijds geen sprake is van familie- of gezinsleven, was verweerder niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse Staat enerzijds en die van eiseres, referent, zijn vrouw en de kleinkinderen van eiseres anderzijds. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024.
Conclusie
9. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.3.
Zie het arrest Martinez Alvarado v. The Netherlands van 10 december 2024 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragrafen 41 en 42, en de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 6.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 12.2.
Zie het arrest Kroeskes tegen Kroatië van 25 november 2014 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013, paragraaf 108, het arrest Bronda tegen Italië van 9 juni 1998 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:1998:0609JUD002243093, paragraaf 51, en de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685, onder 3.3.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26009
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Witteman).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag om eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 30 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Op 25 juni 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [zoon eiseres] (referent), de gemachtigde van eiseres, L. Mourad (tolk) en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1965. Zij wil graag in Nederland verblijven bij haar meerderjarige zoon (referent, geboortedatum [geboortedatum 2] 1990), zijn vrouw en hun vier kinderen (hierna: de kleinkinderen). De kleinkinderen zijn geboren op [geboortedatum 3] 2015, [geboortedatum 4] 2016, [geboortedatum 5] 2018 en [geboortedatum 6] 2020. Eiseres heeft op 15 september 2021 een mvv-aanvraag ingediend met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Referent is in februari 2021 gevlucht uit Syrië. Hij heeft in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanaf 12 augustus 2021.
De tegelijkertijd met de onderhavige mvv-aanvraag van eiseres ingediende mvv-aanvragen van de vrouw van referent en hun vier kinderen zijn op 9 juni 2022 ingewilligd. Deze familieleden zijn in december 2022 naar Nederland gekomen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de mvv-aanvraag voor eiseres afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit, waarbij verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van EVRM. Er zijn volgens verweerder tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de echtgenote van referent geen bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke banden overstijgen. Tussen eiseres en haar kleinkinderen bestaan geen hechte persoonlijke banden. Het afwijzen van de aanvraag van eiseres is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus verweerder.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiseres daartegen heeft aangevoerd.
Zijn er bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en diens echtgenote?
4. Volgens eiseres bestaat er tussen haar en referent en zijn vrouw familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft aangevoerd dat zij tot aan het noodgedwongen vertrek van referent uit Syrië altijd met hem heeft samengewoond (dus van 1990-2021). In 2014 trouwde referent met zijn vrouw. De vrouw van referent trok vervolgens in bij eiseres en referent. Tot aan de nareis heeft zij ook met haar samengewoond. Er was dagelijks contact en eiseres verzorgde de kinderen van referent en zijn vrouw terwijl zij aan het werk waren. Er was dan ook sprake van één financiële huishouding waarbij alle partijen geld binnenbrachten dan wel taken vervulden die economische waarde vertegenwoordigden. Volgens eiseres was de intensiteit van het familie- en gezinsleven dan ook meer dan gebruikelijk. Volgens eiseres aan de situatie na het vertrek van referent naar Nederland in februari 2021 en het vertrek van zijn vrouw en de kinderen naar Nederland in december 2022. Daarbij is benadrukt dat referent niet vrijwillig is vertrokken, maar daartoe werd gedwongen door de oorlog in Syrië. Het toetsmoment had daarbij moeten aansluiten. Referent heeft vanwege de omstandigheden maatregelen moeten nemen om het welzijn en het levensonderhoud van eiseres te verbeteren, maar haar situatie is beduidend slechter dan de situatie waarbij referent, zijn vrouw en eiseres nog in dezelfde woning aanwezig waren.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen buiten het kerngezin bestaat als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het EHRM heeft dit recent nog als volgt verwoord: “The Court […] reiterates that family life for the purpose of Article 8 of the Convention is normally limited to the core family […] and that there will be no family life between parents and adult children or adult siblings unless they can demonstrate “additional elements of dependence, involving more than the normal emotional ties” (arrest van 2 april 2026, Eyni Mude en Suleyman Mohamed Hussein, zaaknummer 47878/20). De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, overwogen dat het er bij de vraag naar ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ vooral om gaat of er sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ zouden kunnen blijken. Verweerder moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Naast de vraag of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, moeten ook elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond, voor zover deze elementen zijn aangevoerd, in de beoordeling een rol spelen. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
5.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder alle hiervoor genoemde elementen, voor zover aangevoerd, kenbaar en gemotiveerd heeft betrokken bij de beoordeling of tussen eiseres en referent en diens vrouw sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Over die elementen en de weging die verweerder heeft gemaakt, overweegt de rechtbank het volgende.
5.3.
Ten aanzien van het element ‘samenwoning’ overweegt de rechtbank als volgt.
5.3.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit wel degelijk betrokken dat eiseres langdurig met referent en diens vrouw heeft samengewoond. Verweerder heeft zich daarover echter op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheid op zichzelf niet maakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Samenwoning is in de beoordeling van de vraag naar de bijkomende elementen een relevant gegeven, maar geen zelfstandig beslissend criterium. De rechtbank verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2142, onder 5.1, en de toelichting op het element ‘samenwonen’ in informatiebericht (IB) 2024/57 ‘Bijkomende elementen van afhankelijkheid en 8 EVRM’, blz. 2, waarop verweerder ter zitting heeft gewezen. Verweerder heeft daarbij ook betekenis kunnen toekennen aan de periode(n) waarin eiseres, referent en diens echtgenote na de samenwoning van elkaar gescheiden hebben geleefd en aan de wijze waarop eiseres zich in die periode staande heeft gehouden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 6.5. Referent woonde ten tijde van het bestreden besluit al ruim drie jaar niet meer samen met eiseres en voor de echtgenote geldt dat dit gedurende bijna anderhalf jaar niet meer aan de orde was. Eiseres is in die periode(n) in staat geweest om voor zichzelf te zorgen. Dat dit genuanceerder ligt, zoals eiseres heeft aangevoerd, is de rechtbank niet gebleken. Het jarenlang zelfstandig wonen van eiseres kan, gelet op de ex tunc-toetsing van het bestreden besluit, anders dan eiseres stelt, bij de beoordeling worden betrokken. De ex tunc-toetsing houdt immers in dat de bestuursrechter een besluit toetst aan de hand van (a) het toepasselijke recht zoals dat gold en (b) de relevante feiten die zich voordeden ten tijde van het nemen van dat besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379, onder 2.3). Dat de verbreking van de samenwoning niet vrijwillig is geweest maar voortkwam uit de situatie in Syrië, leidt niet tot een ander oordeel.
5.4.
Over het element ‘emotionele afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank het volgende.
5.4.1.
Verweerder heeft aannemelijk geacht dat er een hechte, emotionele band bestaat tussen referent en eiseres. Verweerder heeft daarbij betrokken dat eiseres en referent lange tijd hebben samengewoond, samen veel hebben meegemaakt en sinds het vertrek van referent veel contact onderhouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de emotionele band tussen eiseres en referent uitstijgt boven de tussen ouders en hun meerderjarige kinderen gebruikelijke emotionele banden. Voor zover eiseres erop wijst dat zij, gelet op de Syrische culturele context, afhankelijk is van haar jongste zoon en dat referent na het overlijden van zijn vader zogenoemd als ‘pater familias’ wordt beschouwd, leidt dat niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, is de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid in wezen feitelijk van aard. De situatie in het land van herkomst kan daarin wel een rol spelen, maar het gaat er niet om welke status een gezinslid in de culturele context heeft. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5072, onder 3.3.
5.5.
Ten aanzien van het element ‘medische afhankelijkheid’ overweegt de rechtbank als volgt.
5.5.1.
Verweerder heeft aannemelijk geacht dat eiseres medische problemen heeft, bestaande uit knieklachten waardoor zij niet lang kan lopen, en hartklachten. Verweerder heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres vanwege die medische problemen hulpbehoevend is en in welke zin, en evenmin dat zij daarvoor afhankelijk is van referent of zijn vrouw. Eiseres heeft gesteld dat zij hulpbehoevend is, maar dat volgt niet zonder meer uit de overgelegde medische stukken. De gestelde zorgbehoefte is daarom onvoldoende onderbouwd. Maar ook als de medische problematiek van eiseres meebrengt dat zij zorg van anderen nodig heeft, heeft verweerder terecht gesteld dat niet is gebleken dat zij voor die zorg afhankelijk is van referent of zijn vrouw. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat eiseres zich sinds het vertrek van de vrouw van referent zelfstandig staande heeft weten te houden. Zo is eiseres in staat gebleken om zonder hulp van referent of zijn vrouw aan haar medicatie te komen.
5.6.
Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van het element ‘financiële afhankelijkheid’ het volgende. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres (exclusief) financieel afhankelijk is van referent. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Uit de bij de aanvraag overgelegde stukken blijkt immers dat referent slechts twee keer geld heeft overgemaakt naar eiseres, te weten één keer € 50,- op 5 augustus 2021 en één keer € 15,- op 2 september 2021. De omstandigheid dat er in Syrië sprake was van één financiële huishouding waarbij alle partijen geld binnenbrachten dan wel taken vervulden die economische waarde vertegenwoordigden doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank kan verweerder bovendien volgen in zijn standpunt dat, als wel aannemelijk was gemaakt dat eiseres financieel afhankelijk was van de referent, deze financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet.
5.7.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder, alle elementen van afhankelijkheid in onderlinge samenhang bezien, niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat tussen eiseres enerzijds en referent en zijn vrouw anderzijds geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen, zodat geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
5.8.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar kleinkinderen?
6. Verder heeft eiseres aangevoerd dat er tussen haar en de kleinkinderen familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er bestaan tussen haar en de kleinkinderen namelijk hechte persoonlijke banden. Eiseres heeft met de kinderen samengewoond vanaf hun geboortes tot hun vertrek. Bovendien heeft eiseres de kinderen verzorgd en opgevoed op de momenten dat referent en zijn vrouw aan het werk waren.
7.1.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 2, overwogen dat de vraag of er tussen een grootouder en een minderjarig kleinkind familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, een kwestie van feitelijke aard is en dat dit afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Volgens de Afdeling moet de bestuursrechter het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering over of er familie- of gezinsleven bestaat, volledig toetsen. De rechtbank moet de uitkomst van die beoordeling echter met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden.
7.2.
Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat eiseres jarenlang met de kleinkinderen heeft samengewoond, namelijk vanaf hun geboortes tot hun vertrek in december 2022. Verweerder heeft echter kunnen overwegen dat dit op zichzelf nog niet maakt dat tussen hen hechte persoonlijke banden bestaan in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres een ouderlijke rol op zich heeft genomen. Hoewel aannemelijk is dat eiseres een goede band heeft met de kinderen en zij de kleinkinderen heeft verzorgd en opgevoed op momenten dat referent en zijn vrouw aan het werk waren, stelt verweerder terecht dat niet is geconcretiseerd welke zorg- en opvoedingstaken eiseres voor de kleinkinderen verrichtte en welke betekenis die zorg had voor hun onderlinge verhouding. Ook is onduidelijk hoe vaak referent en zijn vrouw van huis waren om te werken en dus hoe vaak en voor welke duur eiseres alleen was met de kinderen. Referent heeft ter zitting gewezen op de culturele context en de betekenis die eiseres daarin hecht aan de band met de kleinkinderen. Voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM is echter niet alleen van belang welke betekenis eiseres aan die verhouding hecht. Ook moet blijken dat de feitelijke band tussen haar en de kleinkinderen een intensiteit heeft die uitstijgt boven wat tussen grootouders en kleinkinderen gebruikelijk is. De belangen van de kleinkinderen spelen daarbij een rol, maar eiseres heeft die niet nader toegelicht of onderbouwd. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat ervan kan worden uitgegaan dat referent en zijn echtgenote steeds als primaire verzorgers van de kinderen in beeld zijn gebleven. Zij hebben immers altijd met de kinderen samengewoond. Ook nadat referent Syrië had verlaten, bleef zijn echtgenote bij de kinderen in het huis van eiseres wonen tot aan hun gezamenlijke vertrek.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat tussen eiseres en de kleinkinderen geen hechte persoonlijke banden bestaan. Verweerder heeft dan ook terecht geen familie- of gezinsleven aangenomen.
7.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Nu tussen eiseres enerzijds en referent, diens echtgenote en hun kinderen anderzijds geen sprake is van familie- of gezinsleven, was verweerder niet gehouden een belangenafweging te maken tussen de belangen van de Nederlandse Staat enerzijds en die van eiseres, referent, zijn vrouw en de kleinkinderen van eiseres anderzijds. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024.
Conclusie
9. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Eiseres krijgt het betaalde griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.3.
Zie het arrest Martinez Alvarado v. The Netherlands van 10 december 2024 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, paragrafen 41 en 42, en de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, onder 6.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145, onder 12.2.
Zie het arrest Kroeskes tegen Kroatië van 25 november 2014 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013, paragraaf 108, het arrest Bronda tegen Italië van 9 juni 1998 van het EHRM, ECLI:CE:ECHR:1998:0609JUD002243093, paragraaf 51, en de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685, onder 3.3.