Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23569

2026-08-04 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL24.42224
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL24.42224
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

aanvraag verblijf als langdurig ingezeten derdelander in een tweede lidstaat, beroep gg, onvoldoende gemotiveerd dat met vermogen niet aan duurzaamheidsvereiste wordt voldaan, ook gg op hoorplicht en sv wegens overschrijding redelijke termijn

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.800 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL24.42224


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap),


en




de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Sloots).




Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de namens eiser ingediende aanvraag voor verblijf als langdurig ingezeten derdelander. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen met de gegeven motivering. Ook is eiser ten onrechte niet gehoord tijdens het bezwaar. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.





Procesverloop


2. Namens eiser is op 11 mei 2023 een aanvraag ingediend voor verblijf als langdurig ingezeten derdelander. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.





(Totstandkoming van) het bestreden besluit


3. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 4 april 2023 is eiser staande gehouden tijdens een controle in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen en heeft hij een bevel gekregen om zich onmiddellijk te begeven naar het Spaanse grondgebied, omdat eiser in Spanje een verblijfsstatus als EU langdurig ingezetene heeft. Op 11 mei 2023 is namens eiser een aanvraag ingediend om als economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelander in Nederland te verblijven.



3.1.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser niet voldoet aan het vereiste om duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.29a, onder b van het Vreemdelingenbesluit (Vb; het middelenvereiste).





Beoordeling door de rechtbank



Middelenvereiste

4. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet voldoet aan het middelenvereiste. In dit kader voert hij onder meer aan dat hij met de overgelegde bankafschriften heeft aangetoond over voldoende middelen te beschikken om gedurende één jaar in zijn onderhoud te kunnen voorzien, waarmee volgens hem ook aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75, eerste lid van het Vb wordt voldaan. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de bron van de gestorte bedragen op zijn bankrekening niet relevant is en dat hij over het bedrag op zijn bankrekening al sinds de aanvraag kan beschikken. Voorts stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet is gebleken dat zijn middelen zelfstandig zijn.



4.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op grond van artikel 3.29a, onder b van het Vb wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene die duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a van het Vb.
Op grond van artikel 3.75, eerste lid van het Vb zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw bedoelde middelen van bestaan in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.




4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75, eerste lid van het Vb niet is voldaan. Hoewel de rechtbank, net als verweerder, van oordeel is dat de door eiser overgelegde stukken best wat vragen oproepen, neemt dit niet weg dat eiser ten tijde van het bestreden besluit – en ook al ten tijde van de aanvraag - voldoende saldo op zijn bankrekening had staan om een jaar van te leven zonder een beroep te hoeven doen op sociale voorzieningen. Dat blijkt ook uit het bestreden besluit waarin staat vermeld dat het saldo op eisers bankrekening voldoende is om 13 maanden te leven op bijstandsniveau.
De stelling van verweerder dat niet aan het duurzaamheidsvereiste wordt voldaan omdat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn uitgavenpatroon en het dus niet kan worden uitgesloten dat het saldo op eisers bankrekening te weinig is om een jaar op bijstandsniveau van te leven, volgt de rechtbank niet. Aannemelijk is weliswaar dat eiser nog andere inkomsten en/of vermogensbronnen heeft omdat er maar weinig uitgaven staan vermeld op de overgelegde bankafschriften van de betreffende bankrekening en eiser toch kosten voor zijn levensonderhoud heeft moeten maken de afgelopen jaren, maar feit is wel dat het bedrag van € 23.107,29, dat op 28 juli 2024 op eisers bankrekening stond, vanaf de aanvraag (toen was het zelfs nog iets meer) tot aan het bestreden besluit – en overigens nog steeds - op zijn bankrekening staat. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser dat bedrag kennelijk niet nodig heeft (gehad) om in zijn levensonderhoud te voorzien. De door verweerder genoemde omstandigheid dat eiser mogelijk nog belastingen moet afdragen of al heeft afgedragen, is niet relevant omdat het bedrag op de bankrekening stabiel en ter beschikking is gebleven.
De stelling van verweerder dat ook niet aan het duurzaamheidsvereiste wordt voldaan omdat er vlak voor de verblijfsaanvraag hoge stortingen zijn gedaan en het er dus op lijkt dat dit alleen is gedaan om aan het middelenvereiste te voldoen, volgt de rechtbank evenmin. Hoewel de rechtbank de twijfels van verweerder begrijpt, blijft het een feit dat met die stortingen een bedrag is bereikt waarmee minimaal een jaar kan worden geleefd op bijstandsniveau en dat dit bedrag vanaf de aanvraag tot het bestreden besluit – en ook tot op heden - op de bankrekening van eiser staat. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een persoon op wiens naam een bankrekening is gesteld in beginsel de beschikking heeft over het bedrag dat op die rekening staat. Er is geen aanleiding om hier in deze zaak niet van uit te gaan. De stelling van verweerder dat het banksaldo (deels) is opgebouwd met leningen, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest Oti van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 november 2025, ECLI:EU:C:2025:877. Uit dit arrest volgt dat ook inkomsten die door een derde ter beschikking worden gesteld kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of aan het middelenvereiste is voldaan. Verder volgt uit dit arrest dat een vreemdeling niet kan worden verplicht om aan te tonen dat hij definitief en onbeperkt over middelen, zoals een ter beschikking gestelde lening, kan beschikken alsof het een eigen inkomen of vermogen betreft en dat het enkele feit dat na het verblijf een terugbetalingsverplichting geldt ten aanzien van bepaalde middelen niet van invloed is op de vraag of de vreemdeling gedurende het voorgenomen verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat over voldoende middelen zal beschikken. Leningen kunnen dus in beginsel worden meegenomen bij het bepalen van het vermogen van de langdurig ingezeten derdelander en de rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat eiser geen informatie heeft verschaft over de leningen die hij is aangegaan, geen aanleiding om in eisers geval tot een ander oordeel te komen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser, zoals hiervoor is overwogen, ten tijde van het bestreden besluit al gedurende langere tijd over het bedrag op zijn rekening heeft kunnen beschikken en kennelijk nog over andere middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder aan eiser geen informatie heeft verzocht over de aard en de looptijd van de leningen. De rechtbank wijst in dit verband nog op wat zij hierna onder 6.2 overweegt.




4.3.
De stelling van verweerder dat het vermogen van eiser niet zelfstandig is, omdat de herkomst van de middelen niet duidelijk is en dus niet kan worden bepaald of over deze middelen belasting is betaald, leidt evenmin tot het daarmee door verweerder beoogde doel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat indien het bedrag op eisers bankrekening eigen vermogen is, daarover geen belasting hoeft te worden betaald omdat het bedrag daarvoor te laag is. Bovendien is de bron van de middelen – en dus ook de vraag of er belasting over is afgedragen - volgens verweerders eigen beleid (zie paragraaf B11/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000) niet relevant om die middelen te kunnen aanmerken als middelen van bestaan in de zin van artikel 3.29a, onder b van het Vb.

5. Gelet op het voorgaande is verweerder niet op goede gronden tot de conclusie gekomen dat niet aan de vereisten van artikel 3.29a, onder b en artikel 3.75, eerste lid van het Vb wordt voldaan. Verweerder heeft daarom de aanvraag van eiser om als economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelander in Nederland te verblijven ten onrechte op die gronden afgewezen. De beroepsgronden slagen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen omdat het in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Hoorplicht


6. Eiser betoogt verder dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.



6.1.

Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.




6.2.
Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, volgt dat een bezwaar alleen kennelijk ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander oordeel dan vervat in het primaire besluit. Van een dergelijke situatie is geen sprake, gelet op wat hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat er bij verweerder nog onduidelijkheden bestonden over de door eiser aangeleverde stukken en dat die stukken bij verweerder vragen opriepen. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om eiser hierover te horen. Ook deze beroepsgrond slaagt.



Terugkeerverplichting

7. Tot slot betoogt eiser dat verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem heeft uitgevaardigd.




7.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de besluitvorming niet duidelijk volgt of nu wel of geen terugkeerbesluit is opgelegd aan eiser. Verweerder heeft op zitting gesteld dat dit niet het geval is en dat alleen een terugkeerverplichting naar Spanje aan eiser is opgelegd. Uit artikel 62a, derde lid van het Vb volgt dat aan een vreemdeling die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf een terugkeerbesluit kan opgelegd indien hij een eerder bevel om terug te keren naar de lidstaat waar hij dit verblijfsrecht heeft, niet naleeft. Uit het dossier blijkt dat aan eiser op 4 april 2023 een bevel is gegeven om Nederland onmiddellijk te verlaten en naar Spanje terug te keren. Indien eiser hieraan geen gehoor heeft gegeven, was verweerder bevoegd om op grond van voormeld artikel een terugkeerbesluit op te leggen. Onduidelijk is echter, zoals hiervoor is overwogen, of daadwerkelijk een terugkeerbesluit is opgelegd aan eiser. De rechtbank verzoekt verweerder dan ook in een eventuele nieuwe afwijzende beslissing op bezwaar duidelijk aan te geven of aan eiser een terugkeerbevel naar Spanje dan wel een terugkeerbesluit wordt opgelegd.



Schadevergoeding

8. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.




8.1.
Volgens vaste rechtspraak (waaronder de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668) is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar). Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn onder meer relevant de complexiteit van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang.



8.2.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 26 oktober 2023, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift van eiser heeft ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn op 26 oktober 2025 verliep. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met (afgerond naar boven) tien maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,-. Hierna bespreekt de rechtbank of dit kan worden toegerekend aan verweerder en/ of de Staat en zo ja, voor welk bedrag.


8.2.1.
De bestuurlijke fase heeft geduurd van 26 oktober 2023 (ontvangst bezwaarschrift door verweerder) tot het bestreden besluit van 25 oktober 2024. Dit is een periode van twaalf maanden. De bestuurlijke fase mag maximaal zes maanden duren. De redelijke behandelingsduur is in de bestuurlijke fase dus met zes maanden overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. De overschrijding van de behandelduur van zes maanden in de bestuurlijke fase is daarom volledig toerekenbaar aan verweerder.



8.2.2.
De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit van 25 oktober 2024 heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 28 oktober 2024 tot aan de uitspraak begin augustus 2026 bijna 22 maanden geduurd. Dit is (afgerond naar boven) vier maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld die een langere behandelduur kunnen rechtvaardigen. De overschrijding van de redelijke termijn met vier maanden is dan ook volledig toerekenbaar aan de Staat.




8.3.
Het bedrag van € 1.000,- zal daarom naar evenredigheid worden toegerekend aan verweerder en de Staat. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 600,- (6/10 x € 1.000,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 400,- (4/10 x € 1.000,-).




Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb.

10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen. Indien verweerder zich daarbij nog steeds op het standpunt stelt dat de door eiser overgelegde of eventueel nog over te leggen stukken – voor zover relevant - onduidelijk zijn en vragen oproepen, zal verweerder eiser eerst moeten horen en de daar afgelegde verklaringen ook bij de heroverweging in bezwaar moeten betrekken. Verweerder moet binnen zes weken opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het betaalde griffierecht van € 187,- vergoeden.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 600,-;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 400,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.