Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23567
2026-08-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
26.45031
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Grensdetentie. Gezien artikel 54 lid 4 Procedureverordening wordt grensbewakingsbelang juridisch gezien niet prijsgegeven met lichter middel. Unierecht biedt lidstaten ruimte voor eigen afwegingen. Grensdetentie moet niet, maar mag wel mits in overeenstemming met (herziene) Opvangrichtlijn en arrest F.M.S.
Citeert (2)
- ECLI:EU:C:2020:367
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21267 Rechtbank Den Haag 30-07-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.845 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45031
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de grensdetentie in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. Buabeng (40808). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt grensdetentie opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de grensdetentie. Het is niet zo dat het grensbewakingsbelang de grensdetentie noodzakelijk maakt. Er zijn ook Europese landen die grensdetentie helemaal niet kennen. Eiser wijst op overweging 69 van de considerans bij de Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening). Daarin staat dat sprake kán zijn van detentie, dat impliceert dat er ook andere mogelijkheden zijn. Hetzelfde volgt uit de Opvangrichtlijn, artikel 8, tweede en vierde lid (de rechtbank begrijpt: artikel 10, tweede en vierde lid, van richtlijn (EU) 2024/1346, de (herziene) Opvangrichtlijn). Daaruit volgt ook dat in ieder geval een individuele beoordeling moet worden gemaakt van de noodzaak om de vrijheid te ontnemen, zoals ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen in rechtsoverweging 258 van het arrest F.M.S. van 14 mei 2020 (ECLI:EU:C:2020:367). Daarmee valt niet te rijmen dat de minister als uitgangspunt neemt dat grensdetentie wordt opgelegd, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
4. De minister bestrijdt dat de Nederlandse praktijk strijdig is met het Europeesrechtelijk kader. Met de invoering van het Migratiepact zijn op dit punt geen wezenlijke veranderingen doorgevoerd. De minister verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:21267), waarin de rechtbank – kort gezegd – onderkent dat de (herziene) Opvangrichtlijn en Procedureverordening andere keuzes mogelijk maken maar dat de keuzes die in Nederland zijn gemaakt daarmee óók in overeenstemming zijn. Uitgangspunt was en is dat het belang bij grensbewaking een zwaarwegend belang is. Als iemand probeert in te reizen en níet in grensdetentie wordt geplaatst, betekent dat feitelijk het prijsgeven van dit belang. Er is geen manier om met een lichter middel dan grensdetentie het grensbewakingsbelang te waarborgen; eenmaal toegelaten kan die toelating niet teruggedraaid worden. De minister weegt wel in ieder geval af of het grensbewakingsbelang moet worden prijsgegeven.
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. De Procedureverordening verplicht niet tot het toepassen van grensdetentie. Tegelijkertijd laat de Procedureverordening de mogelijkheid voor bewaring nadrukkelijk open, mits deze bewaring voldoet aan de voorwaarden in de (herziene) Opvangrichtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naast overweging 69 in de considerans, naar artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening. Aldus laat het Unierecht ruimte aan de lidstaten om eigen afwegingen te maken. Hoewel ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Procedureverordening ook met een lichter middel juridisch gezien geen toelating wordt verschaft en dus het grensbewakingsbelang in zoverre niet wordt prijsgegeven, valt de afweging om het grensbewakingsbelang te willen handhaven door oplegging van grensdetentie naar het oordeel van de rechtbank binnen die ruimte. Daarbij is wel vereist dat de minister – overeenkomstig het arrest F.M.S. – in iedere zaak steeds afweegt of de oplegging van grensdetentie evenredig is aan het gediende belang. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan deze voorwaarden in de uitvoeringspraktijk tegemoet gekomen doordat wel in iedere zaak wordt onderzocht of er redenen zijn die maken dat het opleggen van de grensdetentie achterwege moet worden gelaten, hoewel het grensbewakingsbelang erop wijst dat grensdetentie aangewezen is.
6. Eiser voert verder toegespitst op de individuele zaak aan dat de grensdetentie in deze zaak niet had moeten worden opgelegd. Eiser is bewust en volledig gedocumenteerd naar Nederland gereisd om hier asiel aan te vragen. Daarnaast heeft eiser last van mentale klachten en last van zijn schouder. De screening heeft onzorgvuldig plaatsgevonden en eisers omstandigheden zijn dan ook niet goed gewogen. Het grensbewakingsbelang weegt in deze situatie niet zwaarder dan eisers belang bij zijn vrijheid; er is geen enkele reden om te verwachten dat eiser niet in een asielzoekerscentrum de behandeling van zijn asielaanvraag kan afwachten.
7. Voor zover eiser meent dat die screening onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, is dat daarom iets dat de rechtmatigheid van de voorliggende maatregel niet raakt en in de asielprocedure aan de orde gesteld moet worden. De minister heeft er ter zitting in dit verband verder terecht op gewezen dat een eventueel risico op onderduiken niet direct van belang is voor de vraag of de grensdetentie kon worden opgelegd. Het gaat erom dat een beslissing over de toegangsweigering is uitgesteld en dat eiser ten behoeve van screening en de asielprocedure is opgedragen te verblijven op de aangewezen locatie. Wel kan het grensbewakingsbelang naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht toekomen dan normaalgesproken als op voorhand aannemelijk is dat een verzoeker ter beschikking van de autoriteiten zal blijven, maar de rechtbank ziet in de omstandigheid dat eiser in het bezit van (identiteits)documenten bewust naar Nederland is gevlogen daarvoor onvoldoende aanleiding. De ernst van eisers medische klachten heeft de minister evenmin moeten weerhouden van het opleggen van de grensdetentie, in aanmerking genomen dat er medische voorzieningen beschikbaar zijn.
8. Eiser betoogt verder dat de minister na het asielgehoor aanleiding had moeten zien om de grensdetentie op te heffen, uiterlijk binnen twee dagen. Naar aanleiding daarvan is immers duidelijk dat eiser in beeld wil blijven en op een asielvergunning hoopt.
9. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat het afnemen van het asielgehoor geen vanzelfsprekend moment is om het voortduren van de grensdetentie te heroverwegen. Zonder inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek – waarbij het gehoor in dit geval van groot belang is – kan er geen oordeel gegeven worden over een eventueel gewijzigde belangenafweging. De rechtbank merkt daarbij op dat, voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat de minister na het afnemen van het asielgehoor tot de conclusie had moeten komen dat de asielgrensprocedure moest worden gestopt op grond van artikel 53, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, die beoordeling plaatsvindt in de asielprocedure die uitmondt in een beschikking. Ter zitting heeft de minister aangekondigd dat deze vermoedelijk op 18 augustus 2026 gereed zal zijn.
10. Subsidiair is eiser van mening dat de minister een evenredigheidstoets had moeten uitvoeren bij oplegging van de maatregel. Zijns inziens overlapt deze afweging de belangenafweging die de minister heeft gemaakt, maar is deze als een soort resttoets toch anders. De rechtbank ziet dit anders. Zoals ook volgt uit het arrest F.M.S. moet de minister in elk geval steeds nagaan of de oplegging van de grensdetentie evenredig is aan het daarmee gediende belang. Bij deze afweging moet de minister alle relevante individuele omstandigheden van het geval in ogenschouw nemen. De rechtbank ziet niet in welke facetten daarin niet, maar in een resttoets wel betrokken zouden kunnen worden.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45031
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de grensdetentie in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mw. Buabeng (40808). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt grensdetentie opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de grensdetentie. Het is niet zo dat het grensbewakingsbelang de grensdetentie noodzakelijk maakt. Er zijn ook Europese landen die grensdetentie helemaal niet kennen. Eiser wijst op overweging 69 van de considerans bij de Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening). Daarin staat dat sprake kán zijn van detentie, dat impliceert dat er ook andere mogelijkheden zijn. Hetzelfde volgt uit de Opvangrichtlijn, artikel 8, tweede en vierde lid (de rechtbank begrijpt: artikel 10, tweede en vierde lid, van richtlijn (EU) 2024/1346, de (herziene) Opvangrichtlijn). Daaruit volgt ook dat in ieder geval een individuele beoordeling moet worden gemaakt van de noodzaak om de vrijheid te ontnemen, zoals ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen in rechtsoverweging 258 van het arrest F.M.S. van 14 mei 2020 (ECLI:EU:C:2020:367). Daarmee valt niet te rijmen dat de minister als uitgangspunt neemt dat grensdetentie wordt opgelegd, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
4. De minister bestrijdt dat de Nederlandse praktijk strijdig is met het Europeesrechtelijk kader. Met de invoering van het Migratiepact zijn op dit punt geen wezenlijke veranderingen doorgevoerd. De minister verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:21267), waarin de rechtbank – kort gezegd – onderkent dat de (herziene) Opvangrichtlijn en Procedureverordening andere keuzes mogelijk maken maar dat de keuzes die in Nederland zijn gemaakt daarmee óók in overeenstemming zijn. Uitgangspunt was en is dat het belang bij grensbewaking een zwaarwegend belang is. Als iemand probeert in te reizen en níet in grensdetentie wordt geplaatst, betekent dat feitelijk het prijsgeven van dit belang. Er is geen manier om met een lichter middel dan grensdetentie het grensbewakingsbelang te waarborgen; eenmaal toegelaten kan die toelating niet teruggedraaid worden. De minister weegt wel in ieder geval af of het grensbewakingsbelang moet worden prijsgegeven.
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond niet slaagt. De Procedureverordening verplicht niet tot het toepassen van grensdetentie. Tegelijkertijd laat de Procedureverordening de mogelijkheid voor bewaring nadrukkelijk open, mits deze bewaring voldoet aan de voorwaarden in de (herziene) Opvangrichtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naast overweging 69 in de considerans, naar artikel 54, eerste lid, van de Procedureverordening. Aldus laat het Unierecht ruimte aan de lidstaten om eigen afwegingen te maken. Hoewel ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Procedureverordening ook met een lichter middel juridisch gezien geen toelating wordt verschaft en dus het grensbewakingsbelang in zoverre niet wordt prijsgegeven, valt de afweging om het grensbewakingsbelang te willen handhaven door oplegging van grensdetentie naar het oordeel van de rechtbank binnen die ruimte. Daarbij is wel vereist dat de minister – overeenkomstig het arrest F.M.S. – in iedere zaak steeds afweegt of de oplegging van grensdetentie evenredig is aan het gediende belang. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan deze voorwaarden in de uitvoeringspraktijk tegemoet gekomen doordat wel in iedere zaak wordt onderzocht of er redenen zijn die maken dat het opleggen van de grensdetentie achterwege moet worden gelaten, hoewel het grensbewakingsbelang erop wijst dat grensdetentie aangewezen is.
6. Eiser voert verder toegespitst op de individuele zaak aan dat de grensdetentie in deze zaak niet had moeten worden opgelegd. Eiser is bewust en volledig gedocumenteerd naar Nederland gereisd om hier asiel aan te vragen. Daarnaast heeft eiser last van mentale klachten en last van zijn schouder. De screening heeft onzorgvuldig plaatsgevonden en eisers omstandigheden zijn dan ook niet goed gewogen. Het grensbewakingsbelang weegt in deze situatie niet zwaarder dan eisers belang bij zijn vrijheid; er is geen enkele reden om te verwachten dat eiser niet in een asielzoekerscentrum de behandeling van zijn asielaanvraag kan afwachten.
7. Voor zover eiser meent dat die screening onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, is dat daarom iets dat de rechtmatigheid van de voorliggende maatregel niet raakt en in de asielprocedure aan de orde gesteld moet worden. De minister heeft er ter zitting in dit verband verder terecht op gewezen dat een eventueel risico op onderduiken niet direct van belang is voor de vraag of de grensdetentie kon worden opgelegd. Het gaat erom dat een beslissing over de toegangsweigering is uitgesteld en dat eiser ten behoeve van screening en de asielprocedure is opgedragen te verblijven op de aangewezen locatie. Wel kan het grensbewakingsbelang naar het oordeel van de rechtbank minder gewicht toekomen dan normaalgesproken als op voorhand aannemelijk is dat een verzoeker ter beschikking van de autoriteiten zal blijven, maar de rechtbank ziet in de omstandigheid dat eiser in het bezit van (identiteits)documenten bewust naar Nederland is gevlogen daarvoor onvoldoende aanleiding. De ernst van eisers medische klachten heeft de minister evenmin moeten weerhouden van het opleggen van de grensdetentie, in aanmerking genomen dat er medische voorzieningen beschikbaar zijn.
8. Eiser betoogt verder dat de minister na het asielgehoor aanleiding had moeten zien om de grensdetentie op te heffen, uiterlijk binnen twee dagen. Naar aanleiding daarvan is immers duidelijk dat eiser in beeld wil blijven en op een asielvergunning hoopt.
9. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat het afnemen van het asielgehoor geen vanzelfsprekend moment is om het voortduren van de grensdetentie te heroverwegen. Zonder inhoudelijke beoordeling van het asielverzoek – waarbij het gehoor in dit geval van groot belang is – kan er geen oordeel gegeven worden over een eventueel gewijzigde belangenafweging. De rechtbank merkt daarbij op dat, voor zover het betoog zo moet worden begrepen dat de minister na het afnemen van het asielgehoor tot de conclusie had moeten komen dat de asielgrensprocedure moest worden gestopt op grond van artikel 53, tweede lid, aanhef en onder a, van de Procedureverordening, die beoordeling plaatsvindt in de asielprocedure die uitmondt in een beschikking. Ter zitting heeft de minister aangekondigd dat deze vermoedelijk op 18 augustus 2026 gereed zal zijn.
10. Subsidiair is eiser van mening dat de minister een evenredigheidstoets had moeten uitvoeren bij oplegging van de maatregel. Zijns inziens overlapt deze afweging de belangenafweging die de minister heeft gemaakt, maar is deze als een soort resttoets toch anders. De rechtbank ziet dit anders. Zoals ook volgt uit het arrest F.M.S. moet de minister in elk geval steeds nagaan of de oplegging van de grensdetentie evenredig is aan het daarmee gediende belang. Bij deze afweging moet de minister alle relevante individuele omstandigheden van het geval in ogenschouw nemen. De rechtbank ziet niet in welke facetten daarin niet, maar in een resttoets wel betrokken zouden kunnen worden.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 augustus 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.