Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23565

2026-08-07 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.28128
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.28128
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin, Zwitserland, MOB, niet-ontvankelijk

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.463 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.28128


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.



Nadat verweerder toestemming heeft gegeven voor het doen van uitspraak zonder zitting en eiser niet binnen de door de rechtbank daartoe gestelde termijn heeft aangegeven ter zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten.





Overwegingen

1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser heeft op 21 februari 2026 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 juli 2025 een asielaanvraag in Zwitserland heeft ingediend. Op 7 april heeft verweerder de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, sub d van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Zwitserland heeft het verzoek op 10 april 2026 op die grond aanvaard.



Het bestreden besluit



2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met
toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.



Beoordeling door de rechtbank



3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij
zijn beroep.

4. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met
onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat en waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).

5. Uit een zich in het digitale dossier bevindende brief van verweerder aan de
rechtbank van 10 juli 2026 blijkt dat eiser met ingang van 5 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 15 juli 2026 schriftelijk medegedeeld dat zij niet langer in contact is met eiser. De rechtbank neemt gelet hierop aan dat de gemachtigde van eiser niet weet waar eiser zich momenteel bevindt en geen contact meer heeft met eiser.

6. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de
door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.



Conclusie



7. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van
procesbelang.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Swarte, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.



De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.