Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23553
2026-08-06
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.5834
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
VA, ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:EU:C:2026:448
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.780 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5834
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: C. van Es).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag). Verweerder heeft met het besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen M.N. Klembo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn procesvertegenwoordiger.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1955. Hij heeft de asielaanvraag op 5 oktober 2023 ingediend.
2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. De zoon van eiser is politiek actief bij de Communist party of India (CPIM) en is rond 2022-2023 gevlucht vanwege problemen met leden van de politieke partij Trimal Congress (TMC) . De vrouw van eiser is ziek geworden en overleden. Dit is gebeurd vanwege de spanningen van de problemen van haar zoon en het zijn van suikerpatiënt. Eiser is door de politieke partij TMC onder druk gezet en drie keer bezocht en bedreigd nadat zijn zoon is gevlucht. Zelf is eiser niet politiek actief. Eiser heeft twee maanden in het ziekenhuis gelegen. Toen eiser uit het ziekenhuis kwam heeft hij vernomen dat de politie naar hem op zoek was en dat er een arrestatiebevel voor hem was uitgevaardigd. Daarom is eiser naar Nederland gekomen. De autoriteiten zijn naar eiser op zoek en zullen hem bij terugkeer oppakken als hij vertelt dat hij terug is. Eiser zal zijn naam veranderen en verhuizen als hij terug moet naar India, zodat de autoriteiten hem niet kunnen vinden. Hij wil in Nederland sterven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de politieke partij TMC vanwege deelname van de zoon van eiser bij communistische partij CPIM.
4.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met de politieke partij TMC vanwege het lidmaatschap van de communistische partij CPIM van eisers zoon acht verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn gestelde problemen niet onderbouwd met documenten. Ook voldoet eiser niet aan van artikel 31, zesde lid, onder a, b, c, en d, van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser heeft namelijk geen inspanning geleverd om aan documenten te komen. Eiser kan ook geen duidelijke verklaringen geven over het ontbreken van documenten. Het gaat dan onder andere over een (kopie) van het arrestatiebevel. De verklaringen van eiser over de problemen met TMC vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Rekening houdend met het referentiekader van eiser mag worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de deelname van zijn zoon bij de CPIM. Ook wordt ongerijmd geacht dat eiser zijn zoon niet is gaan zoeken. Ten slotte heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Eiser is Nederland in maart 2023 ingereisd met een toeristenvisum en is na zeven dagen doorgereisd naar Duitsland. Op 27 september 2023 heeft eiser zich in Nederland gemeld om asiel aan te vragen.
4.2.
Het geloofwaardig geachte element identiteit, nationaliteit en herkomst levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het feit dat eiser Nederland in maart 2026 is ingereisd en pas op 27 september 2026 asiel heeft aangevraagd, is de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Verweerder heeft eiser voorlopig uitstel van vertrek gegeven in afwachting van de ambtshalve beoordeling op toepassing van artikel 64 Vw. Eiser krijgt daarom op dit moment geen terugkeerbesluit.
Het beroep
5. Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die is neergelegd in de werkinstructie WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Ook stelt hij dat hij veel inspanning heeft geleverd om aan documenten te komen en dat er is sprake van een vervolgingspatroon. Ten slotte voldoet eiser wel aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw en heeft hij zich tijdig gemeld voor asiel.
Het oordeel van de rechtbank
WI 2024/6
6.1.
Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die is neergelegd in WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Verweerder had een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846.
6.2.
Uit WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1) en vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeelt (stap 2). In dat kader wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Daarbij wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat met ‘stap 2a’ van WI 2024/6 geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna, bij ‘stap 2b’, alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Met de toepassing van ‘stap 2b’ is niet zonder meer in elke zaak sprake van strijd met het Unierecht. Dit kan wel in strijd met het Unierecht komen als verweerder ‘stap 2b’ te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt.
6.4.
In deze zaak heeft verweerder de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in India in samenhang met elkaar en alle overige omstandigheden bezien en beoordeeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de in deze zaak verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht of dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met de politieke partij TMC vanwege deelname van de zoon van eiser bij
communistische partij CPIM
7.1
Eiser voert aan dat hij veel moeite heeft gedaan om aan documenten te komen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij niet geprobeerd heeft om met zijn advocaat in India in contact te komen. Eiser weet de naam van zijn advocaat niet meer, ook heeft hij zijn nummer of e-mailadres niet. Het arrestatiebevel ligt waarschijnlijk nog in India. Eiser had de eerste twee tot drie weken in Duitsland een telefoon en heeft deze daarna verloren. Daarnaast voert eiser aan dat er sprake is van een vervolgingspatroon. Eiser is vervolgd en onder druk gezet door de TMC, eiser is in het ziekenhuis opgenomen en zijn grond is afgenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar pagina’s 12 en 17 van het nader gehoor. Eiser is geen lid van de CPIM maar de bedreigingen maken zijn vrees gerechtvaardigd, zoals bevestigd in een nieuwbericht van 18 augustus 2023 ‘CPI(M), CITU Leaders Arrested in Jalpaiguri for Resisting TMC ‘Attack’’. Uit dit nieuwsbericht blijkt dat leden van de CPIM zijn opgepakt en worden vervolgd. De verklaringen van eiser over de problemen van zijn zoon en de dreigingen van de TMC zijn gedetailleerd en samenhangend.
7.2.
Zoals eiser ter zitting terecht heeft gesteld moet de rechtbank gelet op het arrest Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, het standpunt over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen zonder enige terughoudendheid beoordelen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen inspanning heeft verricht om aan documenten te komen om zijn asielrelaas te onderbouwen. Dit mag wel van eiser worden verwacht, ook omdat hij wel stelt over documenten – zoals een arrestatiebevel – te hebben beschikt. Eiser is legaal uit India gereisd en was al van plan om in Duitsland asiel aan te vragen. Verweerder stelt terecht dat niet wordt ingezien dat eiser het arrestatiebevel niet mee zou nemen. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat hij in Duitsland nog twee tot drie weken zijn mobiele telefoon had. Eiser had dus enige tijd wel de mogelijkheid contact op te nemen over het arrestatiebevel met zijn advocaat in India.
7.4.
De rechtbank volgt eiser ook niet in het standpunt dat sprake is van een vervolgingspatroon. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn grond en appartement door zijn broers en niet door de TMC zijn afgepakt. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn broers dit hebben gedaan nadat hij uit India is vertrokken omdat hij in India door de politie werd gezocht. Voor zover eiser hierin gevolgd kan worden maakt dit niet dat sprake is van een vervolgingspatroon. Daarbij werpt verweerder terecht aan eiser tegen dat uit dit nieuwbericht van 18 augustus 2023 wel blijkt dat enige partijleiders van de CPIM zijn opgepakt maar eiser heeft zelf verklaard geen lid te zijn van de CPIM. Ook wordt de naam van eiser of die van zijn zoon in het nieuwsbericht niet genoemd. Uit het artikel blijkt niet of de partijleiders inmiddels veroordeeld zijn, of deze arrestaties al dan niet terecht zouden zijn geweest en op welke manier hier gevolg aan is gegeven. De rechtbank volgt verweerder ten slotte in zijn standpunt dat de verklaringen van eiser over de problemen van zijn zoon en de dreigingen van de TMC niet gedetailleerd en samenhangend zijn. Eiser betwist dit, maar maakt zijn betwisting verder niet concreet. Gelet op het referentiekader van eiser mag van hem worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de problemen van zijn zoon en hoe deze precies maken dat eiser bij terugkeer gevaar loopt.
8. Deze beroepsgronden slagen niet.
Kennelijk ongegrondverklaring
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Eiser is Nederland maart 2026 binnengekomen en heeft zich pas op 27 september 2026 gemeld om in Nederland asiel aan te vragen. Daarmee heeft eiser zich niet binnen 48 uur na binnenkomst gemeld, zoals volgt uit artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw in samenhang met paragraaf C2/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Van een vreemdeling die stelt bescherming nodig te hebben, mag worden verwacht dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt. Dat heeft eiser niet gedaan en dat heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen. Voor zover eiser in Duitsland gelijk asiel aan heeft gevraagd maakt dit het voorgaande niet anders, nu eiser bij eerste aankomst in Nederland zeven dagen heeft gewacht voor hij naar Duitsland is gereisd om daar asiel aan te vragen. Dit maakt de late melding niet verschoonbaar.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5834
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: C. van Es).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag). Verweerder heeft met het besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen M.N. Klembo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn procesvertegenwoordiger.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1955. Hij heeft de asielaanvraag op 5 oktober 2023 ingediend.
2. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. De zoon van eiser is politiek actief bij de Communist party of India (CPIM) en is rond 2022-2023 gevlucht vanwege problemen met leden van de politieke partij Trimal Congress (TMC) . De vrouw van eiser is ziek geworden en overleden. Dit is gebeurd vanwege de spanningen van de problemen van haar zoon en het zijn van suikerpatiënt. Eiser is door de politieke partij TMC onder druk gezet en drie keer bezocht en bedreigd nadat zijn zoon is gevlucht. Zelf is eiser niet politiek actief. Eiser heeft twee maanden in het ziekenhuis gelegen. Toen eiser uit het ziekenhuis kwam heeft hij vernomen dat de politie naar hem op zoek was en dat er een arrestatiebevel voor hem was uitgevaardigd. Daarom is eiser naar Nederland gekomen. De autoriteiten zijn naar eiser op zoek en zullen hem bij terugkeer oppakken als hij vertelt dat hij terug is. Eiser zal zijn naam veranderen en verhuizen als hij terug moet naar India, zodat de autoriteiten hem niet kunnen vinden. Hij wil in Nederland sterven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met de politieke partij TMC vanwege deelname van de zoon van eiser bij communistische partij CPIM.
4.1.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen met de politieke partij TMC vanwege het lidmaatschap van de communistische partij CPIM van eisers zoon acht verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn gestelde problemen niet onderbouwd met documenten. Ook voldoet eiser niet aan van artikel 31, zesde lid, onder a, b, c, en d, van de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser heeft namelijk geen inspanning geleverd om aan documenten te komen. Eiser kan ook geen duidelijke verklaringen geven over het ontbreken van documenten. Het gaat dan onder andere over een (kopie) van het arrestatiebevel. De verklaringen van eiser over de problemen met TMC vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Rekening houdend met het referentiekader van eiser mag worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de deelname van zijn zoon bij de CPIM. Ook wordt ongerijmd geacht dat eiser zijn zoon niet is gaan zoeken. Ten slotte heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend. Eiser is Nederland in maart 2023 ingereisd met een toeristenvisum en is na zeven dagen doorgereisd naar Duitsland. Op 27 september 2023 heeft eiser zich in Nederland gemeld om asiel aan te vragen.
4.2.
Het geloofwaardig geachte element identiteit, nationaliteit en herkomst levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het feit dat eiser Nederland in maart 2026 is ingereisd en pas op 27 september 2026 asiel heeft aangevraagd, is de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Verweerder heeft eiser voorlopig uitstel van vertrek gegeven in afwachting van de ambtshalve beoordeling op toepassing van artikel 64 Vw. Eiser krijgt daarom op dit moment geen terugkeerbesluit.
Het beroep
5. Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die is neergelegd in de werkinstructie WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Ook stelt hij dat hij veel inspanning heeft geleverd om aan documenten te komen en dat er is sprake van een vervolgingspatroon. Ten slotte voldoet eiser wel aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw en heeft hij zich tijdig gemeld voor asiel.
Het oordeel van de rechtbank
WI 2024/6
6.1.
Eiser voert aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die is neergelegd in WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Verweerder had een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846.
6.2.
Uit WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1) en vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeelt (stap 2). In dat kader wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Daarbij wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat met ‘stap 2a’ van WI 2024/6 geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna, bij ‘stap 2b’, alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Met de toepassing van ‘stap 2b’ is niet zonder meer in elke zaak sprake van strijd met het Unierecht. Dit kan wel in strijd met het Unierecht komen als verweerder ‘stap 2b’ te strikt, als een ‘checklist’, toepast en niet alle omstandigheden, waaronder de afgelegde verklaringen en het overgelegde bewijsmateriaal, betrekt en in samenhang beoordeelt.
6.4.
In deze zaak heeft verweerder de verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in India in samenhang met elkaar en alle overige omstandigheden bezien en beoordeeld. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de in deze zaak verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht of dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met de politieke partij TMC vanwege deelname van de zoon van eiser bij
communistische partij CPIM
7.1
Eiser voert aan dat hij veel moeite heeft gedaan om aan documenten te komen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij niet geprobeerd heeft om met zijn advocaat in India in contact te komen. Eiser weet de naam van zijn advocaat niet meer, ook heeft hij zijn nummer of e-mailadres niet. Het arrestatiebevel ligt waarschijnlijk nog in India. Eiser had de eerste twee tot drie weken in Duitsland een telefoon en heeft deze daarna verloren. Daarnaast voert eiser aan dat er sprake is van een vervolgingspatroon. Eiser is vervolgd en onder druk gezet door de TMC, eiser is in het ziekenhuis opgenomen en zijn grond is afgenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar pagina’s 12 en 17 van het nader gehoor. Eiser is geen lid van de CPIM maar de bedreigingen maken zijn vrees gerechtvaardigd, zoals bevestigd in een nieuwbericht van 18 augustus 2023 ‘CPI(M), CITU Leaders Arrested in Jalpaiguri for Resisting TMC ‘Attack’’. Uit dit nieuwsbericht blijkt dat leden van de CPIM zijn opgepakt en worden vervolgd. De verklaringen van eiser over de problemen van zijn zoon en de dreigingen van de TMC zijn gedetailleerd en samenhangend.
7.2.
Zoals eiser ter zitting terecht heeft gesteld moet de rechtbank gelet op het arrest Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, het standpunt over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen zonder enige terughoudendheid beoordelen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen inspanning heeft verricht om aan documenten te komen om zijn asielrelaas te onderbouwen. Dit mag wel van eiser worden verwacht, ook omdat hij wel stelt over documenten – zoals een arrestatiebevel – te hebben beschikt. Eiser is legaal uit India gereisd en was al van plan om in Duitsland asiel aan te vragen. Verweerder stelt terecht dat niet wordt ingezien dat eiser het arrestatiebevel niet mee zou nemen. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat hij in Duitsland nog twee tot drie weken zijn mobiele telefoon had. Eiser had dus enige tijd wel de mogelijkheid contact op te nemen over het arrestatiebevel met zijn advocaat in India.
7.4.
De rechtbank volgt eiser ook niet in het standpunt dat sprake is van een vervolgingspatroon. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn grond en appartement door zijn broers en niet door de TMC zijn afgepakt. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn broers dit hebben gedaan nadat hij uit India is vertrokken omdat hij in India door de politie werd gezocht. Voor zover eiser hierin gevolgd kan worden maakt dit niet dat sprake is van een vervolgingspatroon. Daarbij werpt verweerder terecht aan eiser tegen dat uit dit nieuwbericht van 18 augustus 2023 wel blijkt dat enige partijleiders van de CPIM zijn opgepakt maar eiser heeft zelf verklaard geen lid te zijn van de CPIM. Ook wordt de naam van eiser of die van zijn zoon in het nieuwsbericht niet genoemd. Uit het artikel blijkt niet of de partijleiders inmiddels veroordeeld zijn, of deze arrestaties al dan niet terecht zouden zijn geweest en op welke manier hier gevolg aan is gegeven. De rechtbank volgt verweerder ten slotte in zijn standpunt dat de verklaringen van eiser over de problemen van zijn zoon en de dreigingen van de TMC niet gedetailleerd en samenhangend zijn. Eiser betwist dit, maar maakt zijn betwisting verder niet concreet. Gelet op het referentiekader van eiser mag van hem worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de problemen van zijn zoon en hoe deze precies maken dat eiser bij terugkeer gevaar loopt.
8. Deze beroepsgronden slagen niet.
Kennelijk ongegrondverklaring
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Eiser is Nederland maart 2026 binnengekomen en heeft zich pas op 27 september 2026 gemeld om in Nederland asiel aan te vragen. Daarmee heeft eiser zich niet binnen 48 uur na binnenkomst gemeld, zoals volgt uit artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw in samenhang met paragraaf C2/7.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Van een vreemdeling die stelt bescherming nodig te hebben, mag worden verwacht dat hij zich zo spoedig mogelijk meldt. Dat heeft eiser niet gedaan en dat heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen. Voor zover eiser in Duitsland gelijk asiel aan heeft gevraagd maakt dit het voorgaande niet anders, nu eiser bij eerste aankomst in Nederland zeven dagen heeft gewacht voor hij naar Duitsland is gereisd om daar asiel aan te vragen. Dit maakt de late melding niet verschoonbaar.
Conclusie en gevolgen
10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld.