Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23538
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.31198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dublin, MOB
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:2662 Raad van State 01-07-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.441 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag
van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
(asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is
voor de behandeling ervan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder en de gemachtigde van eiser hebben bij berichten van 4 augustus 2026 toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 5 augustus 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 3 september 2026 geen doorgang vindt. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende
bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in
beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken
(‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens
gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met
zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel
prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli
2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
2. Verweerder heeft op 21 juli 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 15 juli 2026 heeft geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft vervolgens aan
de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 30 juli 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet weet waar eiser verblijft.
3. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang
van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan
worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland
gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een
inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2026.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet
inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31198
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag
van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
(asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is
voor de behandeling ervan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder en de gemachtigde van eiser hebben bij berichten van 4 augustus 2026 toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 5 augustus 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 3 september 2026 geen doorgang vindt. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende
bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in
beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.
Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken
(‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens
gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met
zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel
prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli
2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
2. Verweerder heeft op 21 juli 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 15 juli 2026 heeft geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft vervolgens aan
de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 30 juli 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet weet waar eiser verblijft.
3. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang
van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan
worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland
gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een
inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2026.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet
inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.