Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23428

2026-07-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/09/705751 / FA RK 26-5160
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-21
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/09/705751 / FA RK 26-5160
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.797 tekens)
Rechtbank DEN HAAG


Enkelvoudige kamer


Rekestnummer: FA RK 26-5160
Zaaknummer: C/09/705751
Datum beschikking: 21 juli 2026


Voorlopige voorzieningen



Beschikking op het op 22 mei 2026 ingekomen verzoek van:




[de man] ,

de man,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist te Oegstgeest.



Als belanghebbende wordt aangemerkt:





[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.




Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

 het verzoekschrift van 22 mei 2026, met bijlagen, van de man;
 het F9 formulier van 17 juni 2026, met bijlagen, van de man;
 het F9 formulier van 18 juni 2026, met bijlagen, van de man;
 het aanvullend en gewijzigd verzoek van 1 juli 2026, met bijlage, van de man;
 het verweerschrift van 1 juli 2026, met bijlagen, van de vrouw;
 het F9 formulier van 1 juli 2026, met bijlagen, van de vrouw.



Op 7 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:


 de man, bijgestaan door zijn advocaat;
 de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
 [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.




Feiten

 De man en de vrouw zijn op [datum] 2024 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan.
 De vrouw en de man zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] .
 De vrouw is ook de vrouw van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] .
 De man heeft [minderjarige 1] erkend.
 De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige 1] .





Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat nu luidt strekt ertoe dat:

Primair:


 [minderjarige 1] voorlopig aan de man wordt toevertrouwd;
 Een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] wordt vastgesteld, waarbij [minderjarige 2] hoofdzakelijk bij de man verblijft;
 Een zorg- en contactregeling met de vrouw wordt vastgesteld ten behoeve van beide kinderen, waarbij zij wekelijks van dinsdag na school tot woensdag voor school en om de week van vrijdag na school tot maandag voor school bij de vrouw verblijven, met dien verstande dat dit contact verplicht dient plaats te vinden onder begeleiding dan wel in aanwezigheid van de ouders van de vrouw, haar maatschappelijk begeleider dan wel een andere door de rechtbank te bepalen derde;


Subsidiair:

 een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] wordt vastgesteld, zoals opgenomen onder paragraaf 31 en verder van het verzoekschrift;
 een omgangsregeling en vakantieregeling ten aanzien van [minderjarige 2] wordt vastgesteld, zoals opgenomen onder paragraaf 31 en verder van het verzoekschrift;
 een informatieregeling wordt vastgesteld voor de kinderen, zoals opgenomen onder paragraaf 37 van het verzoekschrift,


een en ander ten laste van een dwangsom;

Meer subsidiair:

 iedere zodanige zorg- en/of omgangsregeling dan wel ordemaatregel wordt getroffen die de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend en geboden acht, met dien verstande dat er per direct concreet contactherstel tussen de man en de kinderen wordt bevolen, zodat aan de voor de kinderen schadelijke onzekerheid onverwijld een einde wordt gemaakt,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.


De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Tevens verzoekt de vrouw zelfstandig:


 te bepalen dat [minderjarige 1] voorlopig aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
 te bepalen dat de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de man, voor de duur van de hulpverlening, voorlopig wordt geschorst;
 te bepalen dat de omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en de man, voor de duur van de hulpverlening, wordt geschorst;
 te bepalen dat de man een voorlopige bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] dient te betalen van € 500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
 te bepalen dat de man een voorlopige bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te betalen van € 2.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.


De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.







Beoordeling


Voorlopige ondertoezichtstelling

De man heeft op de zitting verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:257 jo. artikel 1:255 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een ouder een dergelijk verzoek kan doen, indien de Raad het verzoek niet doet. De Raad heeft op de zitting expliciet aangegeven geen verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling te doen, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.



Inhoudelijk overweegt de rechtbank dat er voor het uitspreken van een voorlopige ondertoezichtstelling sprake moet zijn van een acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van een kind, die moet worden weggenomen. Daar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. De man heeft zich bij zijn verzoek beroepen op het aanhoudingsverzoek dat is ingediend door de vrouw op 28 juni 2026, waarin de vrouw aangeeft dat het niet goed met haar gaat. De vrouw heeft op de zitting toegelicht dat het inmiddels beter met haar gaat vanwege medicatie wisseling, ingezette hulpverlening en het netwerk om haar heen, in de vorm van haar ouders. Zij voelt het aankomen als het minder goed gaat en dan weet zij wat ze moet doen. De rechtbank ziet, uitgaand van deze toelichting van de vrouw, onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de problemen met de gezondheid van de vrouw leiden tot een acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen en zal dan ook geen voorlopige ondertoezichtstelling uitspreken.




Overige verzoeken
Op grond van artikel 822 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen voorlopige voorzieningen worden gedaan in een echtscheidingsprocedure, waarbij in dit artikel een limitatieve opsomming is opgenomen van de voorlopige voorzieningen die kunnen worden gevraagd. De voorzieningen in artikel 822 Rv zien enkel op de kinderen van de echtgenoten dan wel geregistreerd partners. Dat betekent voor dit geval dat de rechtbank wel voorlopige voorzieningen kan treffen ten aanzien van [minderjarige 1] , maar niet voor [minderjarige 2] . In de hierna volgende overwegingen zal de rechtbank wel rekening houden met [minderjarige 2] .




Toevertrouwing [minderjarige 1]

De ouders hebben beiden verzocht om [minderjarige 1] aan respectievelijk hem of haar toe te vertrouwen. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de feitelijke situatie te veranderen. De kinderen zijn op dit moment bij de vrouw, zodat de rechtbank [minderjarige 1] zal toevertrouwen aan de vrouw.




Voorlopige zorgregeling

De man heeft om een voorlopige zorgregeling verzocht voor de situatie waarbij [minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw. Daartoe heeft hij het volgende naar voren gebracht. Er waren veel spanningen tijdens de relatie. Eind 2025 hebben partijen na een incident het Veilig Verder Team ingeschakeld. Zij besloten hun relatie te beëindigen en via een traject bij het Veilig Verder Team verliep de omgang tussen de man en de kinderen in de eerste weken goed. Daarna is de omgang door de vrouw beperkt en zonder duidelijke reden stopgezet. De man heeft de organisatie Father’s Impact ingeschakeld, maar ook dit heeft niet tot een betere verstandhouding tussen de man en de vrouw geleid. Volgens de advocaat van de vrouw heeft de hulpverlening geadviseerd om omgang stop te zetten en enkel nog onder begeleiding te laten plaatsvinden, maar volgens de man heeft de hulpverlening aangegeven zich hierin totaal niet te herkennen. De man is altijd betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat contact moet worden gecontinueerd in het belang van een evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige 1] . De man woont in een huurwoning 10 minuten met de auto en 15 minuten lopen verwijderd van de gezamenlijke huurwoning. De woning heeft een goede ligging ten opzichte van de crèche en de school en heeft twee slaapkamers. [minderjarige 1] kan dus meerdere dagen en nachten achter elkaar bij de man verblijven. De man wenst graag een regeling, waarbij beide kinderen in de even weken van maandagavond tot woensdagochtend en van vrijdagavond tot maandagochtend bij de man zijn en in de oneven weken van woensdagavond tot vrijdagochtend bij de man zijn. Ook wil de man afspraken maken over de vakanties en feestdagen. Hij stelt voor dat de man en de vrouw de kinderen om de week bij zich hebben. De man wil de kinderen in ieder geval ook op Vaderdag bij zich hebben. Indien Vader- of Moederdag valt op een dag waarop de kinderen bij de andere ouder zijn, dan kan de man of vrouw de kinderen om 17.00 uur op zaterdag ophalen en brengt hij of zij de kinderen op maandag naar school/de opvang.



De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij heeft de situatie heel anders ervaren. De man en de vrouw hebben elkaar ontmoet toen de vrouw verwikkeld was in juridische procedures met de man van [minderjarige 2] . Aanvankelijk leek hij de reddende engel, maar al snel veranderde dit. Er was sprake van veel ruzies en controlerend gedrag en de vrouw is van plan om aangifte te doen van huiselijk geweld. Zij ervaart veel gevoelens van onveiligheid in het contact met de man. De vrouw heeft veel hulpverlening ingezet voor haarzelf en de kinderen, juist ook omdat veel hulpverlening heeft aangegeven dat de situatie te complex is voor hen. De vrouw zou graag willen dat de man aansluit bij de hulpverlening die betrokken is. Daarbij gaat het onder andere om de organisatie Father’s Impact, die door de man zelf ook betrokken is. De vrouw vindt het nu niet in het belang van de kinderen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld met de man. Dit staat ook lijnrecht tegenover het advies van de hulpverlening. Juist met behulp van de expertise van de betrokken hulpverlening kan worden bezien wat nodig is om het contact tussen de man en de kinderen te herstellen. De vrouw vindt co-ouderschap al helemaal niet passend en de draagkracht van de vrouw laat dat niet toe. De vrouw verzoekt de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] te schorsen voor de duur van de hulpverlening. Zij zou zich ook kunnen vinden in een raadsonderzoek, om te onderzoeken welke hulpverlening nodig is en welke stappen gezet moeten worden. Mocht er toch worden bepaald dat er een zorgregeling komt tussen de man en [minderjarige 1] , dan dient het contact in ieder geval begeleid plaats te vinden.



De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de man de kinderen sinds eind maart niet meer ziet. Er is sprake van communicatieproblemen en een zeer slechte verstandhouding tussen de man en de vrouw. Zij hebben ieder een totaal andere beleving van wat er is gebeurd binnen hun relatie en staan in hun verhaal lijnrecht tegenover elkaar. De vrouw heeft heel veel hulpverlening ingeschakeld. Niet gebleken is dat die hulpverlening tot nu toe ergens toe heeft geleid ten aanzien van de kinderen en hun contact met de man. Dat terwijl er wel veel zorgen bestaan over wat de huidige situatie voor de kinderen betekent. De rechtbank wil daar graag meer zicht op hebben en zal daarom een raadsonderzoek gelasten. De Raad heeft op de zitting ook geadviseerd om een raadsonderzoek te gelasten, juist om in kaart te brengen welke hulpverlening aangewezen is in deze situatie.



De rechtbank vindt het belangrijk dat de man in afwachting van het raadsonderzoek wel weer contact heeft met de kinderen, De vrouw schetst een beeld dat omgang, en dan zeker onbegeleide omgang, met de man niet in het belang van de kinderen zou zijn. De vrouw heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar standpunt wordt gedeeld door de hulpverlening die door de vrouw is ingeschakeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de omgang tussen de man en de kinderen te schorsen, dan wel om begeleid contact op te leggen. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat begeleid contact mogelijk nodig zou zijn in verband met de verstandhouding tussen de vrouw en de man. De rechtbank is echter van oordeel dat dit ook ondervangen kan worden door een regeling waarbij er zo min mogelijk contact hoeft te zijn tussen de vrouw en de man. Voor nu acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] dat voor hem een zorgregeling wordt bepaald waarbij hij elke week van dinsdag uit de kinderopvang tot woensdag naar de kinderopvang bij de man is en om het weekend van vrijdag uit de kinderopvang tot maandag naar de kinderopvang. Daarbij geldt dat de regeling aanvangt met de week waarin [minderjarige 1] enkel van dinsdag tot woensdag bij de man is en dan de week daarop is hij – behalve van dinsdag op woensdag – ook een weekend bij de man. Deze beschikking wordt afgegeven op dinsdag 21 juli 2026. Om de vrouw de mogelijkheid te bieden [minderjarige 1] voor te bereiden op het contact met zijn man, zal deze regeling ingaan op dinsdag 28 juli 2026. De rechtbank vindt het nog te vroeg om een volledige co-ouderschapsregeling op te leggen, nu de kinderen de man al even niet hebben gezien en het draagvlak voor een dergelijke regeling bij de vrouw ontbreekt. De Raad zal onderzoek gaan doen naar de mogelijkheden. De rechtbank zal in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure geen aparte vakantieregeling bepalen, maar bepalen dat de reguliere voorlopige zorgregeling doorloopt.



Zoals hierboven weergegeven, kan de rechtbank in het dictum geen regeling bepalen voor [minderjarige 2] . De rechtbank benadrukt echter dat zij het in het belang van [minderjarige 2] acht dat de regeling ook voor [minderjarige 2] wordt uitgevoerd. Gebleken is dat [minderjarige 2] de man ziet als zijn man. Het is van groot belang dat de kinderen gelijk worden behandeld en dat [minderjarige 2] niet achterblijft als [minderjarige 1] naar de man gaat. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op de vrouw om [minderjarige 2] mee te laten lopen in de regeling die hierbij voor [minderjarige 1] gaat gelden.Wegens de limitatieve opsomming die is opgenomen in artikel 822 Rv, zal de rechtbank in het dictum de man niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van zijn verzoek voor een omgangsregeling voor [minderjarige 2] .



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende vragen stellen aan de Raad:


 Is een co-ouderschapsregeling in het belang van de kinderen?
 Welke hulpverlening is nodig voor de kinderen en de vrouw en de man?
 Is een kinderbeschermingsmaatregel nodig?



De rechtbank vraagt de Raad om terug te rapporteren in de bodemprocedure, waarbij de advocaat van de man wordt verzocht om het zaaksnummer van de bodemprocedure aan de Raad door te geven, zodra dit bekend is.




Dwangsom

De man heeft verzocht om een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een dwangsom. Indien de vrouw niet meewerkt aan de bij deze beschikking vast te stellen voorlopige zorgregeling, dan zal de rechtbank dat meenemen in de overwegingen in de bodemprocedure.




Informatieregeling

De man heeft verzocht om een informatieregeling te bepalen voor [minderjarige 1] . De man wil graag dat de vrouw hem een maandelijkse update geeft met alle belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen, zoals artsen bezoeken, informatie van de BSO, bezoeken en oproepen voor het CJG en andere belangrijke informatie. Andersom zal de man de vrouw ook op de hoogte houden over belangrijke zaken.



De rechtbank overweegt dat de man mede het gezag heeft over [minderjarige 1] . Dat betekent dat de man zelf informatie kan opvragen over [minderjarige 1] waar nodig. De rechtbank gaat er verder vanuit dat de ouders elkaar per e-mail informeren over wat van belang is om te weten voor de uitvoering van de voorlopige zorgregeling. De rechtbank zal het verzoek van de man tot het vaststellen van een informatieregeling dan ook bij gebrek aan belang afwijzen.
Wegens de limitatieve opsomming die is opgenomen in artikel 822 Rv, zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van zijn verzoeken voor een omgangsregeling en een informatieregeling voor [minderjarige 2] .




Kinder- en partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht een kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Op de zitting heeft de man toegezegd dat hij € 300,- wil en kan betalen voor beide kinderen. Gelet op het bepaalde in artikel 822 Rv kan de rechtbank in het dictum enkel een bepaling opnemen voor [minderjarige 1] en daarom zal de rechtbank bepalen dat de man een bedrag van € 300,- per maand aan kinderalimentatie zal betalen voor [minderjarige 1] . De man heeft echter met zijn toezegging bedoeld dat hij dit bedrag betaalt ten behoeve van beide kinderen.



De rechtbank heeft geen gegevens om de behoefte van de kinderen te berekenen. Op de zitting is met de advocaten besproken dat zij aan de hand van de financiële gegevens van de vrouw en de man aan de slag gaan om een alimentatieberekening te maken waaruit blijkt wat de behoefte is van de kinderen en de draagkracht van de vrouw en de man, zodat een alimentatie kan worden vastgesteld die voldoet aan de wettelijke maatstaven.



Het verzoek van de vrouw om partneralimentatie zal worden afgewezen, omdat partijen hierover geen afspraak hebben gemaakt en dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.




Proceskosten

Nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als hierna vermeld.





Beslissing
De rechtbank:


*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 te [geboorteplaats 1] , aan de vrouw zal worden toevertrouwd;



*
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige 1] bij zich te hebben van dinsdag uit de kinderopvang tot woensdag naar de kinderopvang en om het weekend van vrijdag uit de kinderopvang tot maandag naar de kinderopvang, welke regeling start op dinsdag 28 juli 2026 en doorloopt in de vakanties;



*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;



bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming zijn rapport met advies uit te brengen aan de rechtbank, met kopie aan beide de vrouw en de man en hun advocaten, in de bodemprocedure, waarvan de advocaat van de man het zaaksnummer aan de Raad voor de Kinderbescherming zal doorgeven;



*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] van € 300,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



*
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling en informatieregeling voor [minderjarige 2] ;



*
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2026.