Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23401

2026-08-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL25.14179 en NL25.29693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL25.14179 en NL25.29693
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel Guinee. Het rapport van de AVIM ten aanzien van de leeftijdsschouw is niet inzichtelijk en concludent, daarom had verweerder zich niet zonder meer op de leeftijdsschouw kunnen baseren. Daarnaast had verweerder zonder nader onderzoek niet uit kunnen gaan van de in Spanje opgegeven leeftijd. Het beroep is gegrond.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.666 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam



Bestuursrecht



Zaaknummers: NL25.14179 (beroep) en NL25.29693 (voorlopige voorziening)



V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen



[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E. Berger),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman ).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 juni 2025 alsnog deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.



2.1.

Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet
tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het
beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag, zo heeft hij bij brief van 1 juli 2026 laten weten. In diezelfde brief heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht, die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. Het beroep van eiser heeft daarom mede betrekking op het besluit van 27 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit).




2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 10 augustus 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, mr. J.A. Nijland als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Diaby als tolk in de taal Malinke en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank



Achtergrond


3. Eiser heeft op 6 december 2022 asiel aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2023 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. Het hiertegen ingestelde beroep is op 2 juni 2023 ongegrond verklaard. Eiser is echter niet overgedragen, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. De overdrachtstermijn is toen verstreken en eisers asielaanvraag is daarna in de nationale procedure opgenomen.



Het asielrelaas


4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2006. Eiser is met zijn vriend [naam] en een andere vriend van hem naar een winkel gegaan. Hij wachtte buiten terwijl zijn vrienden de winkel bezochten. De politie kwam ter plaatse en er werd geschoten. Eiser raakte in paniek en is weggegaan. Hij kreeg een ongeluk, waarna een vreemde man hem naar zijn huis heeft gebracht. Een vriend van zijn vader heeft hem vervolgens meegenomen naar een andere plek en daarna om uit Guinee te vertrekken.



Het bestreden besluit


5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotief:


1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. problemen naar aanleiding van het incident bij de winkel.



5.1
Verweerder heeft het eerste asielmotief deels geloofwaardig geacht en het tweede asielmotief niet. Ten aanzien van het eerste asielmotief heeft verweerder tegengeworpen dat eiser dit niet met documenten heeft onderbouwd en zijn opgegeven geboortedatum niet overeenkomt met de gegevens in Eurodac. Ten aanzien van het tweede asielmotief heeft verweerder tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij ten opzichte van de winkel stond. Ook heeft hij wisselend verklaard over zijn reactie toen de politie arriveerde. Verder heeft hij tegenstrijdig verklaard over wanneer er werd geschoten en over hoe zijn ouders zijn overleden. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij tijdens een eerdere Dublinprocedure met onbekende bestemming is vertrokken voordat hij kon worden overgedragen. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond en dat een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar kan worden opgelegd.



Bespreking van de beroepsgronden

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder een onjuiste leeftijdsbepaling en incorrecte uitvoering van eisers leeftijdsbeoordeling heeft uitgevoerd. Verweerder gaat te snel uit van de registratie in Spanje en er is onterecht geen nader onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke leeftijd van eiser. Er moet worden uitgegaan van de presumptie van minderjarigheid, zoals volgt uit het arrest Darboe en Camara. Hiertoe wordt ook verwezen naar de EUAA richtsnoeren, de Procedurerichtlijn (considerans 33 en artikel 25), twee rechtbankuitspraken en twee uitspraken van de Afdeling. De leeftijdsschouw mist een wetenschappelijke basis en er is geen gebruik gemaakt van een multidisciplinaire en holistische methode. Een vermoeden van minderjarigheid moet ondubbelzinnig worden weerlegd, De bewijslast ligt hiervoor bij verweerder. Hiertoe wordt verwezen naar een Afdelingsuitspraak en twee rechtbankuitspraken. Verder kan verweerder zonder nader onderzoek of motivering niet verwijzen naar de registratie in Spanje. Verweerder had meer moeten doen om het vermoeden van minderjarigheid te weerleggen. Indien eiser als minderjarig wordt beschouwd spelen onder andere de belangen van het kind, en de daarbij komende procedurele waarborgen en specifieke behoeften een grote rol. Voorts heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn leeftijd en het feit dat hij laag verstandelijk beperkt is.




6.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van twijfel over de meerderjarigheid van eiser. Zowel de medewerkers van de AVIM als van de IND hebben geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Ook uit de gegevens die eiser in Spanje heeft opgegeven volgt dat hij evident meerderjarig is. Eiser heeft geen documenten overgelegd om het tegendeel te bewijzen. Daarom is er geen twijfel hierover. Verweerder was dus ook niet gehouden om nader onderzoek te doen naar de meerderjarigheid/minderjarigheid van eiser. Verder heeft verweerder rekening gehouden in de besluitvorming met het referentiekader van eiser zoals dat in het voornemen is opgenomen en er is gemotiveerd waarom er ondanks zijn referentiekader op sommige punten toch meer van hem mocht worden verwachten.



6.2

De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in de voornoemde uitspraak van 20 augustus 2025 geoordeeld dat een leeftijdsschouw op zichzelf als deugdelijk middel kan worden gebruikt bij het vaststellen van de meerderjarigheid/minderjarigheid van een vreemdeling. De rapporten hierover dienen wel inzichtelijk en concludent te zijn om te gebruiken. De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat het rapport van de AVIM niet inzichtelijk en concludent is. In het rapport van de AVIM worden lichamelijke kenmerken opgesomd, die niet overeenkomen met de bevindingen van de medewerker van de IND. Zo hebben de medewerkers van de AVIM geconstateerd dat eiser kraaienpootjes en een terugwijkende haarlijn heeft, terwijl de medewerker van de IND heeft opgetekend dat hij dit niet heeft. Daarnaast hebben de medewerkers van de AVIM opgetekend waar het gedrag van eiser uit bestaat en dat dit ook duidt op evidente meerderjarigheid. Het waargenomen gedrag bestaat uit het volgende:

‘’Betrokkene verklaart wisselend en geeft geen antwoorden op de gestelde vragen, maar ontwijkt de antwoorden evenwel. Geconfronteerd met feiten (vingerafdrukken in Spanje) weet betrokkene zich geen houding te geven. De wijze waarop betrokkene antwoord en ook schrijft wanneer hem dat gevraagd wordt (de naam van de geboorteplaats) wordt vlot en netjes opgeschreven. Deze zaken wijzen op een vorm van opleiding / scholing die niet past bij hetgeen betrokkene verklaart, maar meer bij een jongvolwassene. Ook geconfronteerd met het verhaal over de opsluiting in een woning en de “verplichte” seks geeft betrokkene geen antwoord op specifieke en gerichte vragen zoals wie de man was / naam / plaats enz.’’




De rechtbank mist echter de verbinding tussen het waargenomen gedrag van eiser en de conclusie dat dit duidt op evidente meerderjarigheid. Naar het oordeel van de rechtbank duidt het beschreven gedrag, zonder nadere motivering, niet op evidente meerderjarigheid. Het rapport van de AVIM is daarom niet inzichtelijk en concludent. De leeftijdsschouw bestaat uit twee onafhankelijke onderzoeken en nu één van de rapporten hierover niet inzichtelijk en concludent is, maakt dat de evidente meerderjarigheid niet vaststaat en dat verweerder zich hier dus niet zonder meer op de leeftijdsschouw had kunnen baseren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook niet zonder meer heeft kunnen uitgaan van de opgegeven leeftijd in Spanje. Onduidelijk is wat eiser daar heeft verklaard over zijn geboortedatum en of hij met bijstand van tolk in een voor hem begrijpelijke taal is gehoord. Daarbij gaat verweerder uit van de geboortedatum [geboortedag] 2004 en niet van het geboortejaar 2000 zoals in het voornemen wel staat. Deze omstandigheden maken dat sprake is van twijfel over de meerderjarigheid en dat dus van de presumptie van minderjarigheid moet worden uitgegaan. Verweerder heeft dit vermoeden niet ontzenuwd. Nu niet vaststaat dat eiser onbetwist meerderjarig is, is verweerder van een verkeerd referentiekader uitgegaan. Als verweerder zich nog steeds op het standpunt stelt dat eiser evident meerderjarig is, dan moet hieraan nader onderzoek ten grondslag worden gelegd. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat niet met medische stukken is onderbouwd dat eiser laag verstandelijk beperkt is en dat verweerder hier dus niet van uit hoefde te gaan met betrekking tot het referentiekader.



7. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.





Conclusie en gevolgen


8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gelet op hetgeen onder 6.2. is overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).



8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.



8.2.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen.



8.3.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing




De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.



Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:




Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.





Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep niet tijdig is ingediend op 26 maart 2025.


Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw (oud).


Algemene wet bestuursrecht.


Zaaknummer: NL23.12546 (niet gepubliceerd).


Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022 Darboe en Camara tegen Italië, zaaknummer 5797/17 (ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717).


European Union Agency for Asylum.


Richtlijn 2013/32/EU.


Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 13 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1990) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2894).


Uitspraken van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992 en ECLI:NL:RVS:2024:4086).


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Uitspraak van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801).


De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 4 december 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22255).


Zie de Afdelingsuitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:73).


Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.


Immigratie- en Naturalisatiedienst.


Zie rechtsoverweging 19.1 van de Afdelingsuitspraak van [..], ECLI:NL:RVS:2025:3801.