Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23261
2026-08-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.44536
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kennisgeving artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is allereerst van oordeel dat tussen de inbewaringstelling van eiser en het vertrek uit de politiecel zijn in dit geval minder dan 24 uur verstreken. Gelet hierop heeft eiser niet te lang in een politiecel gedetineerd gezeten. Verder kunnen de bewaringsgronden de maatregel van bewaring dragen en zijn deze voldoende om een onderduikrisico aan te nemen. Daarnaast heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan een lichter middel dan de inbewaringstelling. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister ook voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Beroep ongegrond
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2024:2181 Raad van State 28-05-2024
- ECLI:EU:C:2022:858
- ECLI:EU:C:2025:647
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.981 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44536
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Jankovic als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt van Bosnische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1965.
4. Eiser voert aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiser na de inbewaringstelling binnen 24 uur is overgeplaatst naar Detentiecentrum [plaats]. Dat maakt het opleggen, dan wel het voortduren van de maatregel onrechtmatig.
4.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de beoordeling of een vreemdeling te lang in een politiecel heeft verbleven afhankelijk is van het moment van de inbewaringstelling en het moment waarop de vreemdeling, na opheffing van de inbewaringstelling of in verband met transport naar een gespecialiseerde inrichting, de politiecel heeft verlaten. Eiser is op 5 augustus 2026 om 21:57 uur in vreemdelingenbewaring gesteld en op 6 augustus 2026 om 19:00 uur opgehaald op het politiebureau voor vervoer naar Detentiecentrum [plaats]. Tussen de inbewaringstelling van eiser en het vertrek uit de politiecel zijn in dit geval dus minder dan 24 uur verstreken. Gelet hierop heeft eiser niet te lang in een politiecel gedetineerd gezeten. De beroepsgrond slaagt niet.
5. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
5.1.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
5.2.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5.3.
Eiser betwist gronden f en t die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hiertoe voert eiser aan dat het in beide gevallen gaat om zeer oude strafrechtelijke feiten.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden f en t terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. De minister mag bij het tegenwerpen van grond f volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Uit de justitiële documentatie blijkt dat eiser meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor het gebruik van valse of vervalste documenten. Dit maakt grond f feitelijk juist. De minister heeft ook grond t terecht tegengeworpen. Eiser is in de afgelopen jaren meerdere malen onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor strafbare feiten. Dat de meest recente zaak van eiser is geseponeerd is, doet daar niet aan af. De eerdere onherroepelijke veroordelingen blijven immers relevant voor de beoordeling of grond t zich voordoet. De omstandigheid dat de strafrechtelijke feiten van enige tijd geleden zijn, maakt dan ook niet dat de grond reeds daarom niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd.
5.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Zijn vriendin in Nederland heeft haar been gebroken en hij wil graag voor haar zorgen, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. In dit kader acht de rechtbank allereerst van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en er rust op hem een vertrekplicht. Op 19 december 2014 is aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd. Toch is eiser de afgelopen jaren meerdere keren Nederland ingereisd en heeft hij niet voldaan aan zijn vertrekplicht, die sinds 2024 voor hem geldt. Dat eiser een vriendin heeft in Nederland voor wie hij moet zorgen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan een lichter middel dan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Tot slot voert eiser aan dat onduidelijk is welke uitzettingshandelingen door de minister zijn verricht en dat niet blijkt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Ter zitting heeft de minister desgevraagd laten weten dat er contact is opgenomen met de regievoerder en dat die heeft laten weten dat er diezelfde dag een vertrekgesprek met eiser zou plaatsvinden. Daarin zal eiser gevraagd worden naar zijn paspoort. Als hij deze niet kan overleggen, zal een laissez-passer traject worden opgestart. De regievoerder is eveneens op de hoogte van de zitting van deze ochtend. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44536
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Jankovic als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt van Bosnische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1965.
4. Eiser voert aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiser na de inbewaringstelling binnen 24 uur is overgeplaatst naar Detentiecentrum [plaats]. Dat maakt het opleggen, dan wel het voortduren van de maatregel onrechtmatig.
4.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de beoordeling of een vreemdeling te lang in een politiecel heeft verbleven afhankelijk is van het moment van de inbewaringstelling en het moment waarop de vreemdeling, na opheffing van de inbewaringstelling of in verband met transport naar een gespecialiseerde inrichting, de politiecel heeft verlaten. Eiser is op 5 augustus 2026 om 21:57 uur in vreemdelingenbewaring gesteld en op 6 augustus 2026 om 19:00 uur opgehaald op het politiebureau voor vervoer naar Detentiecentrum [plaats]. Tussen de inbewaringstelling van eiser en het vertrek uit de politiecel zijn in dit geval dus minder dan 24 uur verstreken. Gelet hierop heeft eiser niet te lang in een politiecel gedetineerd gezeten. De beroepsgrond slaagt niet.
5. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
5.1.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.
5.2.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
5.3.
Eiser betwist gronden f en t die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hiertoe voert eiser aan dat het in beide gevallen gaat om zeer oude strafrechtelijke feiten.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de gronden f en t terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. De minister mag bij het tegenwerpen van grond f volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. Uit de justitiële documentatie blijkt dat eiser meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor het gebruik van valse of vervalste documenten. Dit maakt grond f feitelijk juist. De minister heeft ook grond t terecht tegengeworpen. Eiser is in de afgelopen jaren meerdere malen onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor strafbare feiten. Dat de meest recente zaak van eiser is geseponeerd is, doet daar niet aan af. De eerdere onherroepelijke veroordelingen blijven immers relevant voor de beoordeling of grond t zich voordoet. De omstandigheid dat de strafrechtelijke feiten van enige tijd geleden zijn, maakt dan ook niet dat de grond reeds daarom niet aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd.
5.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Zijn vriendin in Nederland heeft haar been gebroken en hij wil graag voor haar zorgen, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. In dit kader acht de rechtbank allereerst van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en er rust op hem een vertrekplicht. Op 19 december 2014 is aan eiser een zwaar inreisverbod opgelegd. Toch is eiser de afgelopen jaren meerdere keren Nederland ingereisd en heeft hij niet voldaan aan zijn vertrekplicht, die sinds 2024 voor hem geldt. Dat eiser een vriendin heeft in Nederland voor wie hij moet zorgen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan een lichter middel dan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Tot slot voert eiser aan dat onduidelijk is welke uitzettingshandelingen door de minister zijn verricht en dat niet blijkt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Ter zitting heeft de minister desgevraagd laten weten dat er contact is opgenomen met de regievoerder en dat die heeft laten weten dat er diezelfde dag een vertrekgesprek met eiser zou plaatsvinden. Daarin zal eiser gevraagd worden naar zijn paspoort. Als hij deze niet kan overleggen, zal een laissez-passer traject worden opgestart. De regievoerder is eveneens op de hoogte van de zitting van deze ochtend. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Op grond van artikel 5.6, derde lid, van het Vb.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.