Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23260
2026-08-05
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL26.24695 en NL26.24697
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
asiel; internationale bescherming in Bulgarije; interstatelijk vertrouwensbeginsel; ongegrond.
Citeert (5)
- ECLI:NL:RVS:2015:2621 Raad van State 06-08-2015
- ECLI:NL:RVS:2018:1793 Raad van State 30-05-2018
- ECLI:NL:RVS:2019:2384 Raad van State 15-07-2019
- ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD00356402
- ECLI:NL:RVS:2026:725 Raad van State 11-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.355 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24695 en NL26.24697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaken tussen
[Eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
[Eiseres]
, v-nummer: [nummer] , eiseres
eisers, mede namens hun minderjarige kinderen,
[Kind 1]
, v-nummer: [nummer] ,
[Kind 2]
, v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. Eisers hebben namelijk internationale bescherming in Bulgarije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op [datum] 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 30 april 2026 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
3. Op deze zaken is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
De bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten en uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij internationale bescherming hebben in Bulgarije. Eiser heeft sinds [datum] 2022 internationale bescherming in Bulgarije en eiseres en hun minderjarige kinderen sinds [datum] 2023.
Toetsingskader
5. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met het betreffende land hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de Bulgaarse autoriteiten de verdragsverplichtingen tegenover statushouders nakomen. Statushouders in Bulgarije kunnen in beginsel op grond van de verleende internationale bescherming aanspraak maken op de daaruit voortvloeiende rechten en de minister mag ervan uitgegaan dat zij deze rechten ook kunnen effectueren. De minister mag er ook van uitgaan dat statushouders over een (reëel risico op een) schending van artikel 4 van het EU Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM bij de Bulgaarse autoriteiten effectief kunnen klagen. Het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem een asielvergunning heeft verleend, is onvoldoende om te concluderen dat hij bij terugkeer naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.
Heeft de minister de bestreden besluiten voldoende zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd?
6. Eisers betogen dat de minister de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd. Volgens eisers heeft de minister de door hen aangevoerde individuele risico’s onvoldoende onderzocht en niet inzichtelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet afdoen aan de niet-ontvankelijkheidsverklaringen. Zij wijzen daarbij op de gestelde discriminatie van eiseres en hun minderjarige dochter, de bij hen levende gevoelens van angst in Bulgarije en de diefstal van de telefoon van eiser. De enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de mogelijkheid om bescherming te vragen bij de Bulgaarse autoriteiten is volgens eisers onvoldoende. Daarnaast voeren zij aan dat de minister de belangen van hun minderjarige dochter niet kenbaar en afzonderlijk heeft afgewogen, terwijl juist haar problematiek centraal staat nu zij weigerde naar school te gaan, bang was niet geaccepteerd te worden en mentale problemen had. Volgens eisers benadrukt het EHRM dat de belangen van het kind voorop zouden moeten staan. Verder voeren eisers aan dat de minister onvoldoende is ingegaan op de gevolgen van het tijdsverloop sinds de verlening van de internationale bescherming in Bulgarije en dat de minister heeft nagelaten te toetsen of eisers bij terugkeer feitelijk hun rechten als statushouders kunnen effectueren. Volgens eisers is de verblijfsvergunning van eiser namelijk niet meer geldig en verloopt die van eiseres binnenkort.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat dat de minister de door eisers aangevoerde omstandigheden kenbaar bij de beoordeling in de bestreden besluiten heeft betrokken. Zo is de minister ingegaan op de gestelde discriminatie van eiseres en de minderjarige dochter, de angstgevoelens van eisers in Bulgarije en de diefstal van de telefoon van eiser. De minister heeft vervolgens gemotiveerd waarom deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, niet leiden tot het oordeel dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt en waarom dit niet kan afdoen aan de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvragen. Hoewel uit de verklaringen van eisers blijkt dat sprake is van moeilijke omstandigheden in Bulgarije, blijkt daaruit niet dat sprake is van een situatie die zo slecht is dat gesproken kan worden van een schending van artikel 3 van het EVRM of dat de Bulgaarse autoriteiten hun verdragsverplichtingen niet nakomen. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de door eisers gestelde problemen niet hebben geleid tot een zodanige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor hen onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat eisers zich bij eventuele problemen kunnen wenden tot de Bulgaarse autoriteiten. Eisers hebben daarentegen niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. De enkele verklaring dat zij dachten geen recht te hebben om aangifte te doen of niet wisten wie de telefoon van eiser gestolen had, is onvoldoende om aan te nemen dat het vragen van bescherming van de Bulgaarse autoriteiten bij voorbaat zinloos is.
6.2.
Ook het betoog van eisers dat de minister de belangen van de minderjarige dochter onvoldoende heeft betrokken, slaagt niet. Uit de bestreden besluiten blijkt dat de minister de verklaringen over haar ervaringen in Bulgarije wel heeft betrokken, zij het summier. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat het in haar belang is dat zij met haar ouders als gezin bijeen blijft. Ten aanzien van het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel de minister in de bestreden besluiten heeft gemotiveerd dat kort voor het nemen van de besluiten aan de Bulgaarse autoriteiten is nagevraagd of eisers nog steeds internationale bescherming hebben. Dit wordt door eisers ook niet betwist. Dat de verblijfsvergunning van eiser mogelijk is verlopen en die van eiseres binnenkort verloopt, leidt zonder nadere onderbouwing niet tot een ander oordeel.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de bestreden besluiten zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Zie ook ABRvS 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793.
Zie onder andere ABRvS van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2384.
Eisers wijzen daarbij op de prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 2 augustus 2017 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-540/17.
EHRM 31 maart 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD00356402 (X t. Georgië).
ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:725.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.24695 en NL26.24697
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2026 in de zaken tussen
[Eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
[Eiseres]
, v-nummer: [nummer] , eiseres
eisers, mede namens hun minderjarige kinderen,
[Kind 1]
, v-nummer: [nummer] ,
[Kind 2]
, v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaringen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. Eisers hebben namelijk internationale bescherming in Bulgarije. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op [datum] 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 30 april 2026 deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
3. Op deze zaken is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
De bestreden besluiten
4. De minister heeft de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit informatie van de Bulgaarse autoriteiten en uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij internationale bescherming hebben in Bulgarije. Eiser heeft sinds [datum] 2022 internationale bescherming in Bulgarije en eiseres en hun minderjarige kinderen sinds [datum] 2023.
Toetsingskader
5. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met het betreffende land hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft.
5.1.
Als uitgangspunt geldt dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat de Bulgaarse autoriteiten de verdragsverplichtingen tegenover statushouders nakomen. Statushouders in Bulgarije kunnen in beginsel op grond van de verleende internationale bescherming aanspraak maken op de daaruit voortvloeiende rechten en de minister mag ervan uitgegaan dat zij deze rechten ook kunnen effectueren. De minister mag er ook van uitgaan dat statushouders over een (reëel risico op een) schending van artikel 4 van het EU Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM bij de Bulgaarse autoriteiten effectief kunnen klagen. Het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem een asielvergunning heeft verleend, is onvoldoende om te concluderen dat hij bij terugkeer naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.
Heeft de minister de bestreden besluiten voldoende zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd?
6. Eisers betogen dat de minister de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd. Volgens eisers heeft de minister de door hen aangevoerde individuele risico’s onvoldoende onderzocht en niet inzichtelijk gemotiveerd waarom deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet afdoen aan de niet-ontvankelijkheidsverklaringen. Zij wijzen daarbij op de gestelde discriminatie van eiseres en hun minderjarige dochter, de bij hen levende gevoelens van angst in Bulgarije en de diefstal van de telefoon van eiser. De enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de mogelijkheid om bescherming te vragen bij de Bulgaarse autoriteiten is volgens eisers onvoldoende. Daarnaast voeren zij aan dat de minister de belangen van hun minderjarige dochter niet kenbaar en afzonderlijk heeft afgewogen, terwijl juist haar problematiek centraal staat nu zij weigerde naar school te gaan, bang was niet geaccepteerd te worden en mentale problemen had. Volgens eisers benadrukt het EHRM dat de belangen van het kind voorop zouden moeten staan. Verder voeren eisers aan dat de minister onvoldoende is ingegaan op de gevolgen van het tijdsverloop sinds de verlening van de internationale bescherming in Bulgarije en dat de minister heeft nagelaten te toetsen of eisers bij terugkeer feitelijk hun rechten als statushouders kunnen effectueren. Volgens eisers is de verblijfsvergunning van eiser namelijk niet meer geldig en verloopt die van eiseres binnenkort.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat dat de minister de door eisers aangevoerde omstandigheden kenbaar bij de beoordeling in de bestreden besluiten heeft betrokken. Zo is de minister ingegaan op de gestelde discriminatie van eiseres en de minderjarige dochter, de angstgevoelens van eisers in Bulgarije en de diefstal van de telefoon van eiser. De minister heeft vervolgens gemotiveerd waarom deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, niet leiden tot het oordeel dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen niet nakomt en waarom dit niet kan afdoen aan de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvragen. Hoewel uit de verklaringen van eisers blijkt dat sprake is van moeilijke omstandigheden in Bulgarije, blijkt daaruit niet dat sprake is van een situatie die zo slecht is dat gesproken kan worden van een schending van artikel 3 van het EVRM of dat de Bulgaarse autoriteiten hun verdragsverplichtingen niet nakomen. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de door eisers gestelde problemen niet hebben geleid tot een zodanige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor hen onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Bulgarije mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat ervan uit wordt gegaan dat eisers zich bij eventuele problemen kunnen wenden tot de Bulgaarse autoriteiten. Eisers hebben daarentegen niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. De enkele verklaring dat zij dachten geen recht te hebben om aangifte te doen of niet wisten wie de telefoon van eiser gestolen had, is onvoldoende om aan te nemen dat het vragen van bescherming van de Bulgaarse autoriteiten bij voorbaat zinloos is.
6.2.
Ook het betoog van eisers dat de minister de belangen van de minderjarige dochter onvoldoende heeft betrokken, slaagt niet. Uit de bestreden besluiten blijkt dat de minister de verklaringen over haar ervaringen in Bulgarije wel heeft betrokken, zij het summier. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat het in haar belang is dat zij met haar ouders als gezin bijeen blijft. Ten aanzien van het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel de minister in de bestreden besluiten heeft gemotiveerd dat kort voor het nemen van de besluiten aan de Bulgaarse autoriteiten is nagevraagd of eisers nog steeds internationale bescherming hebben. Dit wordt door eisers ook niet betwist. Dat de verblijfsvergunning van eiser mogelijk is verlopen en die van eiseres binnenkort verloopt, leidt zonder nadere onderbouwing niet tot een ander oordeel.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de bestreden besluiten zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvragen terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Zie ook ABRvS 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621 en ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793.
Zie onder andere ABRvS van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2384.
Eisers wijzen daarbij op de prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 2 augustus 2017 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-540/17.
EHRM 31 maart 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD00356402 (X t. Georgië).
ABRvS 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:725.