Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23258
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsdocument EU[1] voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor het verblijfsdocument, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij ouder is van een minderjarig Nederlands kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze procedure moet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit van de kinderen van eiseres. De enkele terugmelding die de minister bij de gemeente Amsterdam heeft gedaan, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en voorziet zelf in de zaak
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22675 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23116 Rechtbank Den Haag 12-08-2026
- ECLI:NL:RVS:2024:3368 Raad van State 22-08-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.842 tekens)
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.18783 (beroep) en NL26.18784 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1], [v-nummer 2] en [v-nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag 1] 1998, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 2] 2021
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 3] 2023
allen van Surinaamse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 1 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een ‘verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind’ (hierna: het verblijfsdocument). Eiseres beoogt verblijf bij haar kinderen [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 4] 2018, en [minderjarige 4], geboren op [geboortedag 5] 2019.
2.1.
Met het primaire besluit van 3 juli 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 31 maart 2026 heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van het bestreden besluit wordt opgeschort en eiseres het beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op de zitting gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer NL25.25853. Deze zaak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de dochter van eiseres ([minderjarige 2]) voor een faciliterend visum. [minderjarige 2] verblijft in Suriname. De rechtbank heeft in een andere uitspraak van 18 augustus 2026 geoordeeld over deze zaak.
Beoordeling door de rechtbank
Griffierecht
3. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor het verblijfsdocument, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij ouder is van een minderjarig Nederlands kind. Hoewel uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) blijkt dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de Nederlandse nationaliteit bezitten, vindt de minister dat hij niet hoeft uit te gaan van dit gegeven. De minister vermoedt namelijk dat de erkenning door de Nederlandse vader van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is ingegeven door het migratierechtelijk voordeel dat door deze erkenning wordt verkregen en niet door zuivere familierechtelijke motieven. De minister heeft daarom de gemeente Amsterdam verzocht om de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] uit de BRP te schrappen, hun Nederlandse paspoort in te nemen en hun nationaliteit te wijzigen naar de Surinaamse nationaliteit. Volgens de minister is het bij deze stand van zaken aan eiseres om aan te tonen dat zij de ouder is van een minderjarig kind met de Nederlandse nationaliteit. Zij kan dit niet doen door de melding aan de gemeente inhoudelijk in deze procedure te weerspreken. Zij moet de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] laten vaststellen via een procedure op grond van artikel 17 van de RWN. In die procedure kan eiseres de melding van de minister op inhoudelijke gronden weerspreken en onderbouwen waarom [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wel degelijk de Nederlandse nationaliteit bezitten.
Moet de minister uitgaan van de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige 3] en [minderjarige 4]?
5. Eiseres voert aan dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de Nederlandse nationaliteit hebben en dat de minister daar in deze procedure van moet uitgaan.
6. In geschil is alleen of [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de Nederlandse nationaliteit hebben en daarmee dus of eiseres ouder is van een minderjarig Nederlands kind. Niet in geschil is dat eiseres voldoet aan de overige voorwaarden voor het verblijfsdocument. Zij heeft haar identiteit en nationaliteit aannemelijk gemaakt en er is sprake van een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] dat laatstgenoemden gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond slaagt. De minister moet in deze procedure uitgaan van de Nederlandse nationaliteit van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en overweegt daartoe als volgt, waarbij zij aansluit bij de overwegingen van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraken van 12 augustus 2026. Vaststaat dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander zijn erkend. Dit betekent dat zij Nederlander zijn geworden. Niet in geschil is dat geen verlies van het Nederlanderschap heeft plaatsgevonden als bedoeld in hoofdstuk 5 van de RWN. Ook staat vast dat de gemeente Amsterdam tot op heden geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de terugmelding van de minister. In reactie op een verzoek van de gemachtigde van eiseres op grond van de Wet open overheid, heeft de gemeente Amsterdam laten weten dat de terugmeldingen van de minister die betrekking hebben op ‘schijnerkenningen’ niet kunnen leiden tot wijziging van de BRP.
7.1.
De enkele terugmelding die de minister bij de gemeente Amsterdam heeft gedaan, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Als volgens de minister sprake is van een schijnerkenning van [minderjarige 3] en [minderjarige 4], waardoor zij het Nederlanderschap op frauduleuze wijze hebben verkregen, is het aan de minister om de daartoe op grond van de RWN aangewezen procedure te doorlopen, voordat hij zich in het kader van de beoordeling van de hier aan de orde zijnde aanvraag op het standpunt kan stellen dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Anders dan de minister betoogt, is de daartoe aangewezen procedure als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2024, enkel een procedure op grond van de RWN. Dit volgt uit artikel 14, zevende lid, van de RWN, waarin dwingend is verwoord dat het Nederlanderschap niet wordt verloren dan op grond van een van de bepalingen van dit hoofdstuk (lees: hoofdstuk 5 van de RWN).
7.2.
De minister kan niet zelf een verzoek om vernietiging van een erkenning doen als bedoeld in artikel 1:205, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Zo een verzoek is voorbehouden aan het openbaar ministerie. Pas als de civiele rechter de erkenning op verzoek van het openbaar ministerie heeft vernietigd, kan de minister vervolgens onderzoeken of [minderjarige 3] en [minderjarige 4] daardoor het Nederlanderschap zijn verloren, als bedoeld in artikel 14, zesde lid van de RWN.
7.3.
De rechtbank concludeert dat eiseres voldoet aan alle voorwaarden voor het verblijfsdocument.
De overige beroepsgronden
8. Eiseres voert verder nog aan dat de minister discriminatoir handelt. Uit de informatie die de gemachtigde van eiseres heeft ontvangen van de gemeente Amsterdam, volgt dat het overgrote deel van de terugmeldingen van de minister aan de gemeente Amsterdam zag op Nederlandse kinderen van een Surinaamse ouder. Het lijkt er sterk op dat de minister zich in het project ‘schijnerkenning’ met name richt op ouders met een Surinaamse achtergrond.
9. Gelet op wat de rechtbank onder 7-7.3 heeft overwogen, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en zal zelf in de zaak voorzien. Eiseres voldoet immers aan alle voorwaarden voor verlening van het verblijfsdocument.
11. De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zal de rechtbank bepalen dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, namelijk 7 augustus 2024, en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. De minister moet aan eiseres een verblijfsdocument afgeven waaruit dit afgeleide verblijfsrecht volgt. De minister krijgt daarvoor een termijn van twee weken.
12. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
13. Omdat het beroep en het bezwaar gegrond zijn, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten in beroep en bezwaar. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 4.134,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in de bezwaarfase, met een waarde van € 666,- per punt en een wegingsfactor 1, en 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.18783:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat het afgeleide verblijfsrecht van eiseres feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, zijnde 7 augustus 2024;
- draagt verweerder op om het verblijfsdocument af te geven binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.18784:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Europese Unie.
Waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez.
Op grond van artikel 1.7, tweede lid, onder b, van de Wet BRP.
Op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP.
Rijkswet op het Nederlanderschap.
Paragraaf B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2026:22675 en ECLI:NL:RBDHA:2026:23116.
Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2024:3368.
Algemene wet bestuursrecht.