Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23255
2026-08-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.25853
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Faciliterend visum. Chavez. Eiseres verblijft in Suriname en haar moeder in Nederland met de broer en Nederlandse halfzussen van eiseres. Meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken en afhankelijkheidsverhouding. Gezag. Hoorplicht. Beroep gegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:1918 Raad van State 06-07-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.014 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25853
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag] 2023, van Surinaamse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een faciliterend visum. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 19 september 2024 een aanvraag gedaan voor een faciliterend visum voor verblijf bij haar moeder [referent] (hierna: referent) op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez.
2.1.
Met een besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting gevoegd behandeld met de zaken met de nummers NL26.18783 en NL26.18784. Deze zaken gaan over de afwijzing van de aanvraag van referent om verlening van een verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. De rechtbank heeft in een andere uitspraak van 18 augustus 2026 geoordeeld over deze zaken.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Referent is samen met de broer van eiseres in augustus 2023 naar Nederland gekomen. Eiseres was toen zes maanden oud. Eiseres verblijft in Suriname bij haar tante (de zus van referent). Eiseres heeft twee halfzussen met de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn in juni 2024 vanuit Suriname naar Nederland gekomen. Sindsdien wonen de halfzussen samen met referent en hun halfbroertje in Nederland.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een faciliterend visum. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond. Referent heeft nog geen verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 van het VWEU. Ook is niet gebleken dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken verricht en dat er een afhankelijkheidsverhouding is tussen referent en eiseres. De verklaring van referent dat eiseres altijd tot het gezin van referent heeft behoord en de overgelegde stukken zijn hiervoor onvoldoende. Uit de geldoverboekingen blijkt niet dat het geld wordt gebruikt voor de zorg- en opvoeding van eiseres. Uit de whatsappberichten blijkt niet dat er contact is over meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken. Bovendien heeft de minister in een brief van 12 maart 2025 referent verzocht documenten op te stellen in een in deze brief vermelde taal en is dat voor een deel van de tekst niet gebeurd. Voor zover de achterblijvende ouder in Suriname gezag heeft, is tot slot niet gebleken dat die toestemming geeft aan eiseres om naar Nederland te vertrekken.
Beroepsgronden
5. Eiseres betoogt dat de minister haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres voert ten eerste aan dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken voor haar verricht en dat er tussen hen een afhankelijkheidsverhouding is. Eiseres meent dat zij dit middels de stukken die in bezwaar zijn overgelegd aannemelijk heeft gemaakt. Referent heeft als enige ouder voor eiseres gezorgd tot aan haar vertrek naar Nederland. Inmiddels zijn referent en eiseres al een lange periode gescheiden, maar deze situatie is nooit de intentie van referent geweest. Zij dacht haar zaken beter en sneller te kunnen regelen in Nederland als zij de handen vrij zou hebben van de zorg voor eiseres. Referent verwachtte dat eiseres zich binnen enkele weken bij referent en haar broertje zou kunnen voegen. De realiteit bleek anders, maar dat kan referent bezwaarlijk worden tegengeworpen. Terwijl de procedures in Nederland lopen, heeft referent dagelijkse contact met eiseres en haar tante. Referent draagt de financiële zorg en oefent het ouderlijk gezag uit op afstand. Het dralen van de minister gaat niet alleen evident tegen de belangen van het kind in, maar ook tegen de belangen van de Nederlandse kinderen, nu referent door het tijdsverloop in een positie komt te verkeren waarbij zij genoodzaakt wordt te kiezen tussen enerzijds een verblijf met haar Nederlandse kinderen in Suriname bij eiseres en anderzijds een verblijf in Nederland onder langdurige achterlating van eiseres in Suriname. Dit, terwijl zij rechtmatig verblijf in Nederland uitoefent op grond van artikel 20 van het VWEU in het kader van de vaststelling van de Chavez-rechten. En dat is precies de situatie die het faciliterend visum zou moeten voorkomen.
5.1.
Verder overlegt eiseres in beroep een Surinaamse gezagsverklaring en apostille. Hieruit volgt dat referent van rechtswege gezag heeft.
5.2.
Tot slot voert eiseres aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Er leefden kennelijk nog vragen bij de minister over de zorg- en opvoedingstaken die referent op afstand verricht. De minister had deze vragen aan referent en eventueel aan het broertje en de zusjes van eiseres moeten stellen, alvorens een besluit te nemen op het bezwaar.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
Verblijfsrecht referent
7. De rechtbank overweegt dat zij in een andere uitspraak van 18 augustus 2026 in de zaken met de nummers NL26.18783 en NL26.18784 heeft bepaald dat het afgeleide verblijfsrecht van referent feitelijk bestaat sinds 7 augustus 2024. Deze datum ligt vóór de datum van de onderhavige aanvraag voor een faciliterend visum voor eiseres. De minister is er in het bestreden besluit dan ook ten onrechte van uitgegaan dat referent geen afgeleid verblijfsrecht heeft.
Zorg- en/of opvoedtaken en afhankelijkheidsverhouding
8. Het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken voor eiseres verricht en dat er tussen eiseres en referent geen afhankelijkheidsverhouding is, is ondeugdelijk gemotiveerd. Referent heeft als enige ouder voor eiseres gezorgd tot aan haar vertrek naar Nederland. Niets wijst erop dat het haar intentie is geweest om eiseres permanent achter te laten. Ongeveer een jaar na haar vertrek is de onderhavige aanvraag voor eiseres ingediend. In dit tijdsverloop kunnen de zorg- en opvoedtaken op afstand in beginsel zijn voortgezet.
8.1.
In bezwaar zijn stukken overgelegd die deze zorg- en opvoedtaken op afstand onderbouwen. Uit deze stukken blijkt onder meer dat referent regelmatig geldbedragen overmaakt naar haar zus die voor eiseres zorgt. De zus bevestigt dit in een schriftelijke verklaring. Het betreft vijftien geldoverboekingen van december 2023 tot en met oktober 2024. Het gaat hierbij om bedragen van 30 tot 70 euro en eenmaal een bedrag van 681 euro. Niet valt in te zien waarom niet ervan kan worden uitgegaan dat het geld daadwerkelijk wordt gebruikt voor de zorg en opvoeding van eiseres. Voor zover hierover onduidelijkheden bestonden, had het op de weg van de minister gelegen om hiernaar nader onderzoek te doen.
8.2.
Verder is van belang dat uit whatsappberichten blijkt dat referent en de tante van eiseres tussen 31 juli 2024 en 24 maart 2025 vrijwel elke dag contact met elkaar hebben gehad. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de verklaringen van referent op de zitting hoe zij de zorg- en opvoedtaken op afstand uitvoert. Referent heeft verklaard dat zij haar zus belt als er iets voor eiseres geregeld moet worden, bijvoorbeeld als eiseres een vaccinatie moet krijgen. Referent is dan degene die de afspraak voor de vaccinatie maakt. Ook heeft referent de voorschool voor eiseres betaald. Bovendien videobellen referent en haar kinderen elke dag met eiseres. De rechtbank ziet geen grond om aan deze verklaringen te twijfelen.
8.3.
De rechtbank volgt niet het standpunt van de minister dat niet duidelijk is geworden of referent als enige gezag heeft over eiseres. Eiseres heeft een gezagsverklaring overgelegd en er is geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. Uit de gezagsverklaring blijkt dat eiseres niet ingeschreven staat in het gezagsregister. Dit betekent in beginsel dat het gezag van rechtswege tot stand is gekomen. Niet is gebleken dat referent is getrouwd met de vader van eiseres. Blijkens de gezagsverklaring betekent dit dat alleen referent van rechtswege het gezag heeft.
Horen
9. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen in vreemdelingenzaken. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Met deze uitzondering moet terughoudend om worden gegaan.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Eiseres heeft inspanningen geleverd om de benodigde informatie over te leggen. Er is geen grond voor het oordeel dat het bezwaar meteen geen kans van slagen had. Tijdens een hoorzitting had de minister bijvoorbeeld vragen kunnen te stellen over de geldoverboekingen. Nu de minister eiseres en referent niet heeft gehoord, is het bestreden besluit ook in zoverre onzorgvuldig voorbereid.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
12. Tot slot bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.25853
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag] 2023, van Surinaamse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
(gemachtigde: mr. E. Konstapel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een faciliterend visum. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 19 september 2024 een aanvraag gedaan voor een faciliterend visum voor verblijf bij haar moeder [referent] (hierna: referent) op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez.
2.1.
Met een besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting gevoegd behandeld met de zaken met de nummers NL26.18783 en NL26.18784. Deze zaken gaan over de afwijzing van de aanvraag van referent om verlening van een verblijfsdocument EU voor verblijf als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. De rechtbank heeft in een andere uitspraak van 18 augustus 2026 geoordeeld over deze zaken.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Referent is samen met de broer van eiseres in augustus 2023 naar Nederland gekomen. Eiseres was toen zes maanden oud. Eiseres verblijft in Suriname bij haar tante (de zus van referent). Eiseres heeft twee halfzussen met de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn in juni 2024 vanuit Suriname naar Nederland gekomen. Sindsdien wonen de halfzussen samen met referent en hun halfbroertje in Nederland.
Bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een faciliterend visum. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond. Referent heeft nog geen verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 van het VWEU. Ook is niet gebleken dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken verricht en dat er een afhankelijkheidsverhouding is tussen referent en eiseres. De verklaring van referent dat eiseres altijd tot het gezin van referent heeft behoord en de overgelegde stukken zijn hiervoor onvoldoende. Uit de geldoverboekingen blijkt niet dat het geld wordt gebruikt voor de zorg- en opvoeding van eiseres. Uit de whatsappberichten blijkt niet dat er contact is over meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken. Bovendien heeft de minister in een brief van 12 maart 2025 referent verzocht documenten op te stellen in een in deze brief vermelde taal en is dat voor een deel van de tekst niet gebeurd. Voor zover de achterblijvende ouder in Suriname gezag heeft, is tot slot niet gebleken dat die toestemming geeft aan eiseres om naar Nederland te vertrekken.
Beroepsgronden
5. Eiseres betoogt dat de minister haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres voert ten eerste aan dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken voor haar verricht en dat er tussen hen een afhankelijkheidsverhouding is. Eiseres meent dat zij dit middels de stukken die in bezwaar zijn overgelegd aannemelijk heeft gemaakt. Referent heeft als enige ouder voor eiseres gezorgd tot aan haar vertrek naar Nederland. Inmiddels zijn referent en eiseres al een lange periode gescheiden, maar deze situatie is nooit de intentie van referent geweest. Zij dacht haar zaken beter en sneller te kunnen regelen in Nederland als zij de handen vrij zou hebben van de zorg voor eiseres. Referent verwachtte dat eiseres zich binnen enkele weken bij referent en haar broertje zou kunnen voegen. De realiteit bleek anders, maar dat kan referent bezwaarlijk worden tegengeworpen. Terwijl de procedures in Nederland lopen, heeft referent dagelijkse contact met eiseres en haar tante. Referent draagt de financiële zorg en oefent het ouderlijk gezag uit op afstand. Het dralen van de minister gaat niet alleen evident tegen de belangen van het kind in, maar ook tegen de belangen van de Nederlandse kinderen, nu referent door het tijdsverloop in een positie komt te verkeren waarbij zij genoodzaakt wordt te kiezen tussen enerzijds een verblijf met haar Nederlandse kinderen in Suriname bij eiseres en anderzijds een verblijf in Nederland onder langdurige achterlating van eiseres in Suriname. Dit, terwijl zij rechtmatig verblijf in Nederland uitoefent op grond van artikel 20 van het VWEU in het kader van de vaststelling van de Chavez-rechten. En dat is precies de situatie die het faciliterend visum zou moeten voorkomen.
5.1.
Verder overlegt eiseres in beroep een Surinaamse gezagsverklaring en apostille. Hieruit volgt dat referent van rechtswege gezag heeft.
5.2.
Tot slot voert eiseres aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Er leefden kennelijk nog vragen bij de minister over de zorg- en opvoedingstaken die referent op afstand verricht. De minister had deze vragen aan referent en eventueel aan het broertje en de zusjes van eiseres moeten stellen, alvorens een besluit te nemen op het bezwaar.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
Verblijfsrecht referent
7. De rechtbank overweegt dat zij in een andere uitspraak van 18 augustus 2026 in de zaken met de nummers NL26.18783 en NL26.18784 heeft bepaald dat het afgeleide verblijfsrecht van referent feitelijk bestaat sinds 7 augustus 2024. Deze datum ligt vóór de datum van de onderhavige aanvraag voor een faciliterend visum voor eiseres. De minister is er in het bestreden besluit dan ook ten onrechte van uitgegaan dat referent geen afgeleid verblijfsrecht heeft.
Zorg- en/of opvoedtaken en afhankelijkheidsverhouding
8. Het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat referent meer dan marginale zorg- en/of opvoedtaken voor eiseres verricht en dat er tussen eiseres en referent geen afhankelijkheidsverhouding is, is ondeugdelijk gemotiveerd. Referent heeft als enige ouder voor eiseres gezorgd tot aan haar vertrek naar Nederland. Niets wijst erop dat het haar intentie is geweest om eiseres permanent achter te laten. Ongeveer een jaar na haar vertrek is de onderhavige aanvraag voor eiseres ingediend. In dit tijdsverloop kunnen de zorg- en opvoedtaken op afstand in beginsel zijn voortgezet.
8.1.
In bezwaar zijn stukken overgelegd die deze zorg- en opvoedtaken op afstand onderbouwen. Uit deze stukken blijkt onder meer dat referent regelmatig geldbedragen overmaakt naar haar zus die voor eiseres zorgt. De zus bevestigt dit in een schriftelijke verklaring. Het betreft vijftien geldoverboekingen van december 2023 tot en met oktober 2024. Het gaat hierbij om bedragen van 30 tot 70 euro en eenmaal een bedrag van 681 euro. Niet valt in te zien waarom niet ervan kan worden uitgegaan dat het geld daadwerkelijk wordt gebruikt voor de zorg en opvoeding van eiseres. Voor zover hierover onduidelijkheden bestonden, had het op de weg van de minister gelegen om hiernaar nader onderzoek te doen.
8.2.
Verder is van belang dat uit whatsappberichten blijkt dat referent en de tante van eiseres tussen 31 juli 2024 en 24 maart 2025 vrijwel elke dag contact met elkaar hebben gehad. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de verklaringen van referent op de zitting hoe zij de zorg- en opvoedtaken op afstand uitvoert. Referent heeft verklaard dat zij haar zus belt als er iets voor eiseres geregeld moet worden, bijvoorbeeld als eiseres een vaccinatie moet krijgen. Referent is dan degene die de afspraak voor de vaccinatie maakt. Ook heeft referent de voorschool voor eiseres betaald. Bovendien videobellen referent en haar kinderen elke dag met eiseres. De rechtbank ziet geen grond om aan deze verklaringen te twijfelen.
8.3.
De rechtbank volgt niet het standpunt van de minister dat niet duidelijk is geworden of referent als enige gezag heeft over eiseres. Eiseres heeft een gezagsverklaring overgelegd en er is geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. Uit de gezagsverklaring blijkt dat eiseres niet ingeschreven staat in het gezagsregister. Dit betekent in beginsel dat het gezag van rechtswege tot stand is gekomen. Niet is gebleken dat referent is getrouwd met de vader van eiseres. Blijkens de gezagsverklaring betekent dit dat alleen referent van rechtswege het gezag heeft.
Horen
9. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen in vreemdelingenzaken. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Met deze uitzondering moet terughoudend om worden gegaan.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Eiseres heeft inspanningen geleverd om de benodigde informatie over te leggen. Er is geen grond voor het oordeel dat het bezwaar meteen geen kans van slagen had. Tijdens een hoorzitting had de minister bijvoorbeeld vragen kunnen te stellen over de geldoverboekingen. Nu de minister eiseres en referent niet heeft gehoord, is het bestreden besluit ook in zoverre onzorgvuldig voorbereid.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
12. Tot slot bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid vanmr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Europese Unie.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.