Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23253

2026-08-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.33655
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.33655
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Asiel- en migratiebeheerverordening, Kroatië, overgangsrecht, interstatelijk vertrouwen, C.K, beroep ongegrond.

Citeert (10)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.139 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Arnhem


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.33655


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2026 in de zaak tussen



[Eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),


en




de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Wieman).




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 15 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.



1.1.
De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.33656) op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet bij de behandeling op de zitting verschenen.




Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.



2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Welk recht is van toepassing?

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving vastgesteld voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Ten tijde van het indienen van het verzoek van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing.




3.1.
Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening ziet op de situatie waarin aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank neemt aan dat hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening. Dat betreft zaken waarin sprake is van een overnamesituatie. Die situatie doet zich hier niet voor. De minister heeft immers geen overnameverzoek gedaan, maar een verzoek tot terugname van eiser, dat Kroatië heeft aanvaard. De verantwoordelijkheid van Kroatië vloeit daarmee niet voort uit de toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria waarop artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening betrekking heeft. Het overgangsrecht brengt daarom niet mee dat op dit verzoek de Dublinverordening van toepassing is gebleven.



3.2.
De minister heeft in het bestreden besluit desondanks verwezen naar (artikel 32 van) de Dublinverordening. Ook heeft hij op de zitting, naar aanleiding van de beroepsgrond van eiser over artikel 17 van de Dublinverordening, verklaard dat hij de aanvraag aan de hand van de Dublinverordening heeft beoordeeld. Aan deze verwijzingen en deze verklaring komt echter niet de betekenis toe die de minister daaraan kennelijk heeft willen geven. De toepasselijkheid van rechtstreeks werkend Unierecht is immers niet afhankelijk van de wijze waarop een bestuursorgaan de toepasselijke rechtsgrondslag in zijn besluit aanduidt. Vanaf het moment waarop de Amb-verordening van toepassing is geworden, diende deze verordening te worden toegepast op onderwerpen die niet onder het overgangsrecht van artikel 84 vallen. De nationale rechter moet aan het rechtstreeks toepasselijke Unierecht volle werking geven en kan een daarmee strijdige praktijk zo nodig buiten toepassing laten. Zie het arrest van het Hof van Justitie van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, ECLI:EU:C:1978:49.



3.3.
Dit betekent dat de verwijzing van de minister naar de Dublinverordening niet tot gevolg kan hebben dat artikel 17 van die verordening in deze zaak van toepassing is. Voor zover de minister heeft beoordeeld of hij de asielaanvraag onverplicht zelf zou behandelen, moet die beoordeling worden aangemerkt als een beoordeling in het kader van artikel 35 van de Amb-verordening. Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en artikel 35, eerste lid, van de Amb-verordening voorzien immers in dezelfde discretionaire bevoegdheid: beide bepalingen stellen een lidstaat in staat een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, ook als hij daartoe op grond van de toepasselijke verantwoordelijkheidscriteria niet verplicht is. De omstandigheid dat de minister daarbij heeft verwezen naar artikel 17 van de inmiddels ingetrokken Dublinverordening, maakt daarom niet dat die bepaling van toepassing is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de aanduiding van het toepasselijke recht in het bestreden besluit en aan de verklaring van de minister ter zitting dat hij de zaak aan de hand van de Dublinverordening heeft beoordeeld. Die aanduiding en verklaring kunnen, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van de Amb-verordening, niet afdoen aan het recht dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit van toepassing was.



3.4.
De rechtbank merkt het bestreden besluit daarom aan als een besluit op grond van de Amb-verordening. Ook gaat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep uit van artikel 43 van de Amb-verordening. De rechtbank zal daarop onder 6 nader ingaan.



Mag de minister voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat de minister voor Kroatië niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen. In Kroatië zal eiser geen goede medische zorg ontvangen voor zijn vaatziekten. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het AIDA-rapport Update 2024, van augustus 2025. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 31 maart 2026, waar de minister ter onderbouwing van het standpunt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan naar verwijst, dekt volgens eiser niet de lading. De minister bagatelliseert eisers medische situatie en stelt ten onrechte dat de medische zorg in Kroatië vergelijkbaar is met de medische zorg in Nederland. Daarmee miskent de minister eisers ernstige medische gezondheidssituatie. Met de vaatchirurg van het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) in Nijmegen wordt gesproken over een mogelijke amputatie van eisers been en voet. Ook wordt een second opinion gevraagd in het Radboud UMC.




4.1.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in beginsel van uitgaan dat andere lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Unierecht en de toepasselijke mensenrechtenverdragen naleven. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit uitgangspunt kan worden uitgegaan. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Kroatië. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van het bestaan van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die tot gevolg hebben dat die vreemdeling bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest.



4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt is meermaals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder andere in haar uitspraken van 9 oktober 2024 en 6 maart 2025. Ter onderbouwing dat voor Kroatië nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft de minister verder verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 31 maart 2026. Eiser heeft slechts gesteld, zonder dit nader te onderbouwen, dat deze uitspraak de door de minister gestelde situatie niet dekt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om op dit betoog nader in te gaan. Daarbij betrekt zij ook dat gelet op de hierboven genoemde Afdelingsuitspraken als uitgangspunt geldt dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië is niet gebleken. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen in zijn aanmeldgehoor in de eerste plaats onvoldoende zijn voor de conclusie dat hij in Kroatië geen toegang heeft tot de basisvoorzieningen in de opvang, zoals eten, een bad en adequate woonruimte. Eiser heeft verklaard tijdens zijn verblijf in Kroatië geen problemen te hebben ondervonden. Eiser betoogt dat de opvangomstandigheden in het [kamp] erg slecht zijn en verwijst daarvoor naar het AIDA-rapport Update 2024. Eiser wijst er verder op dat in het rapport melding wordt gemaakt van ontoereikende hygiëne in de opvangvoorzieningen, beperkte toegang tot de gezondheidszorg en onvoldoende voorzieningen. De minister stelt zich echter terecht op het standpunt dat uit het AIDA-rapport Update 2024 weliswaar volgt dat de opvangomstandigheden in Kroatië gebreken kennen, maar daaruit niet volgt dat de belangrijkste basisvoorzieningen op het gebied van voeding en leefomstandigheden niet beschikbaar zijn. Eiser heeft met de verwijzing naar het rapport niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen. Asielzoekers in Kroatië hebben recht op drie maaltijden per dag en er is sprake van huisvesting met waarborgen voor kwetsbare asielzoekers.



4.3.
Voor wat betreft de gezondheidssituatie van eiser is bekend dat hij een infectie heeft gehad aan zijn grote teen. Zijn teen is daarom twee maanden geleden geamputeerd. Ook maken de verstopte aders in zijn rechteronderbeen de plaatsing van een stent noodzakelijk. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eisers medische omstandigheden geen reden vormen om af te zien van de overdracht aan Kroatië. Uit de door eiser overgelegde documenten blijkt niet dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Uit de vermelding in het AIDA rapport, dat de toegang tot medische zorg beperkt is, volgt niet dat er helemaal geen medische zorg wordt geboden. Verder blijkt uit het AIDA-rapport dat er geen gedetailleerde richtlijnen zijn voor hoe eventuele kwetsbaarheden bij asielzoekers kunnen worden herkend, maar wel dat de Kroatische autoriteiten dergelijke kwetsbaarheden moeten herkennen. De minister mocht concluderen dat Kroatië dezelfde verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Daarnaast kan een uitwisseling van medische gegevens tussen Nederland en Kroatië plaatsvinden. De beroepsgrond slaagt niet.



Is overdracht aan Kroatië in strijd het arrest C.K.?

5. Eiser betoogt dat een overdracht aan Kroatië in strijd is met het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië. Ter onderbouwing verwijst eiser ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 22 mei 2026. Bij overdracht aan Kroatië zal namelijk sprake zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Eiser meent dat de vliegreis naar Kroatië maakt dat zijn vaatziekte snel zal verslechteren. In het geval een operatie dan niet mogelijk is moet een volledig andere, langdurige behandeling plaatsvinden om een amputatie bij eiser te kunnen voorkomen. Een dergelijke behandeling mag en kan ook niet onderbroken worden. Het is volgens het arrest C.K. aan de minister om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op eisers gezondheidstoestand weg te nemen. Daarnaast heeft de minister geen medische overdrachtsinformatie met Kroatië gedeeld.




5.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, een overdracht op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het EU Handvest kan opleveren. Dit is het geval als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich (op de zitting) terecht op het standpunt gesteld dat overdracht aan Kroatië in eisers situatie geen strijd oplevert met het arrest C.K en artikel 4 van het EU Handvest. Uit de door eiser overgelegde medische stukken volgt niet dat door een medisch specialist is vastgesteld dat de overdracht van eiser aan Kroatië aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor eisers gezondheid zal hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser als gevolg van zijn medische problemen in een situatie terecht zal komen die strijdig is met het arrest C.K en artikel 4 van het EU Handvest. In de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De uitspraak bevat geen vergelijkbare situatie. De beroepsgrond slaagt niet.



Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?

6. Voor zover eiser betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat hij gehouden was zijn asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen kan dit betoog niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat. Uit artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening volgt dat eiser hiertegen niet in rechte kan opkomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



7.1.
De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt twee weken. Hoewel de minister in het bestreden besluit en ter zitting is uitgegaan van de Dublinverordening, is de Amb-verordening op deze aanvraag van toepassing. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de verwijzingen van de minister naar de Dublinverordening niet afdoen aan de toepasselijkheid van de Amb-verordening. Daarom is artikel 69, vijfde lid, van de Vw 2000, zoals dat met ingang van 12 juni 2026 is komen te luiden, op eiser van toepassing.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



HvJ EU 27 juni 2017, ECLI:EU:T:2017:437, par. 36 (arrest NC/Commissie) en 6 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:141, par. 72 (arrest ONB).


HvJ EU 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280 (arrest H. en R).


Rb. Den Haag 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7377.


AIDA Country Report: Croatia Update 2024, augustus 2025, pagina’s 71, 113 e.v. en 118.


ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.


ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919.


Rb. Den Haag, zp. Middelburg, 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7377.


AIDA Country Report: Croatia Update 2024, augustus 2025, pagina 118.


HvJEU 16 februari 2017, C.K. e.a. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.).


Rb. Den Haag, zp. Zwolle 22 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13227.