Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23248

2026-08-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45653
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.45653
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, volgberoep, art. 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw, kennisgeving, ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.447 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.45653


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).




Procesverloop


1. De minister heeft op 16 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



1.1.
De minister heeft op 11 augustus 2026 kennisgegeven van het feit dat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. De minister heeft daarbij een voortgangsrapportage overgelegd.



1.2.
Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank toetst het beroep daarom ambtshalve.



1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 19 augustus 2026 gesloten.





Overwegingen


2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.



2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 3 juni 2026.




Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De laissez-passer aanvraag is nog steeds in onderzoek en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. Daar komt bij dat de minister afhankelijk is van de medewerking van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank acht voorts van belang dat niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om aan zijn medewerkingsplicht te voldoen. Niet is gebleken dat eiser concrete stappen heeft ondernomen om identiteitsdocumenten te verkrijgen. Eiser verklaart daarnaast ook zelf in de vertrekgesprekken van 6 juli 2026 en 7 augustus 2026 dat hij geen actie heeft ondernomen om zijn identiteit aan te tonen. Niet kan worden uitgesloten dat de Marokkaanse autoriteiten, indien eiser medewerking verleent, sneller zullen overgaan tot het verlenen van een laissez-passer.




3.1.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er hebben op
10 juni 2026, 6 juli 2026 en 7 augustus 2026 vertrekgesprekken plaatsgevonden. Daarnaast is er op 4 juni 2026, 26 juni 2026, en 16 juli 2026 gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.




3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetten van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.



3.3.

De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
3.4.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.


ECLI:NL:RBDHA:2026:15119.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.


ie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).