Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:23246
2026-08-19
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
NL25.40491
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Asiel - Irak - 1F - ernstig niet-politiek misdrijf - seks met een dertienjarige in huwelijksnacht - beroep ongegrond.
Citeert (12)
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:3643 Raad van State 01-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14853 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.925 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40491
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft eiser daarnaast gesignaleerd in het SIS voor de duur van tien jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op het verzoek tot om een voorlopige voorziening wordt afzonderlijk beslist.
2.2.
De rechtbank had de behandeling van het beroep op 16 december 2025 gepland. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank bericht op 15 december 2026 dat zij wegens ziekte niet op de zitting kon verschijnen. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep daarom aangehouden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 17 augustus 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de afwijzing in het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Op grond van dit artikel kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Volgens de minister vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van eiser ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft verklaard dat hij in 2011 traditioneel gehuwd is met een destijds dertienjarig meisje, op 4 december 2011 wettelijk met haar is getrouwd en dat hij in de huwelijksnacht seks met haar heeft gehad. Eiser heeft volgens de minister hierdoor een ernstig, absoluut niet-politiek misdrijf begaan. Het gaat de minister niet om het huwelijk, maar om het feit dat eiser seks heeft gehad met zijn huwelijkspartner terwijl zij toen nog maar dertien was. Omdat eisers gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, heeft de minister ook besloten om eiser voor de duur van tien jaar te laten registeren in het SIS.
Zienswijze herhaald en ingelast
4. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan?
Uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de Afdeling recent uitspraak heeft gedaan over de vraag of en wanneer er sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf bij het hebben van seks met een minderjarige huwelijkspartner. In de zaak die tot die uitspraak leidde, had de vreemdeling seks gehad met een dertienjarige. Uit de uitspraak volgt dat de leeftijd van belang is voor het oordeel of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. Vervolgens heeft de Afdeling uit een brief van de UNHCR opgemaakt dat er sprake is van een internationale consensus dat seks met een dertienjarige een ernstig niet-politiek misdrijf is. De UNHCR heeft namelijk kunnen concluderen dat de meeste staten eisen dat een kind ten minste veertien jaar of ouder is om met seksuele handelingen te kunnen instemmen en dat het daarbij niet uitmaakt of de seksuele handelingen binnen een huwelijk zijn gepleegd. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat het hebben van seks met een dertienjarige, naar zijn aard een ernstig misdrijf is. Een dertienjarige kan niet in staat worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. De Afdeling overweegt ten aanzien van de strafmaat dat de minister kan verwijzen naar de maximale straf die volgens het Nederlandse strafrecht op het misdrijf is gesteld. Seks met een dertienjarige is in het Nederlandse strafrecht aangemerkt als een misdrijf waarop hoge straffen staan. De Afdeling concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf.
5.1.
De Afdeling concludeert dat sprake is van personal participation omdat niet in geschil is dat de vreemdeling seks heeft gehad met de dertienjarige en dat hij dus het misdrijf heeft gepleegd. Ten aanzien van de knowing participation overweegt de Afdeling dat de vreemdeling wist of behoorde te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Daarbij betrekt de Afdeling dat de dertienjarige gelet op de leeftijd niet in staat was om toestemming te geven, de vreemdeling op de hoogte was van haar leeftijd en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij zich ervan bewust was dat de dertienjarige mogelijk bang kon zijn vanwege haar jonge leeftijd toen hij seks met haar had. De Afdeling concludeert hieruit dat ook sprake was van knowing participation.
5.2.
Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de Afdeling dat de aard en ernst van het misdrijf maken dat er weinig betekenis toekomt aan het tijdsverloop sinds de vreemdeling het misdrijf heeft gepleegd. De minister mag er daarbij vanuit gaan dat de dertienjarige in sterke mate afhankelijk is geworden van de vreemdeling.
Onderhavige zaak
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser seks heeft gehad met een dertienjarige. Eiser is in 2011 traditioneel getrouwd en op 4 december 2011 wettelijk getrouwd met de dertienjarige en heeft op de laatstgenoemde datum seks met haar gehad. Zoals de Afdeling heeft overwogen, heeft de minister hieruit kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat sprake van een dertienjarige, dat het hebben van seks met een dertienjarige in zijn aard een ernstig misdrijf is en dat op dit misdrijf hoge straffen staan in het Nederlandse strafrecht.
6.1.
De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat eiser het misdrijf heeft gepleegd, en dat dus sprake is van personal participation. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook heeft kunnen tegenwerpen dat in het geval van eiser sprake is van knowing participation. Zo was de dertienjarige niet in staat toestemming te geven, was eiser op de hoogte van haar leeftijd en blijkt uit zijn verklaringen dat hij zich bewust was van haar jonge leeftijd. Zo verklaarde eiser: “Als het een normale situatie was, dan zou ik het niet goedkeuren en het niet doen omdat zij jong is”.
6.2.
Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de rechtbank dat dit ook geen aanleiding vormt voor een ander oordeel. De rechtbank verwijst naar de overweging van de Afdeling zoals weergegeven onder 5.2.
6.3.
De rechtbank volgt eiser verder niet in de stelling dat de minister een onjuiste toetsingsvolgorde heeft gebruikt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de minister, nu de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het vaststellen van vluchtelingschap, allereerst nagaan of het Vluchtelingenverdrag gelet op die bepaling op eiser van toepassing is. De minister hoefde dus niet eerst de redenen voor het aanvragen van eiser te beoordelen alvorens aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te toetsen. Het beroep op het arrest Ahmed leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. Uit het arrest volgt dat een beslissing waarbij een persoon van de vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten, vooraf moet worden gegaan door een volledig onderzoek van alle omstandigheden van zijn individuele geval en niet automatisch kan worden genomen. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het door de minister tegengeworpen misdrijf en eisers betrokkenheid daarbij (personal and knowing participation) volgt dat sprake is van een dergelijk volledig onderzoek van alle omstandigheden van het geval. Van strijd met het arrest Ahmed is de rechtbank dus niet gebleken. Ook de stelling van eiser dat de minister een beroep doet op een vervallen richtlijn maakt het oordeel niet anders. Zoals de minister terecht overweegt in de beschikking wordt enkel naar de richtlijn verwezen om te laten zien wat seksueel misbruik met een minderjarige doet en dat het een grote inbreuk heeft op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.
6.4.
De beroepsgronden slagen niet.
Heeft de minister een goede geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?
7. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij de toets in het kader van WI 2024/6 geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht, dan wordt aangesloten bij het Unierecht.
7.1.
In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de minister dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. In dit geval is de geloofwaardigheid beoordeeld in het kader van het al dan niet bestaan van een reëel risico op ernstige schade. Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
7.2.
Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle voorwaarden heeft getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder WI 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser, waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser over de bedreiging door de sjiitische militie niet geloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank legt dit hierna uit.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer?
8. Niet in geschil is dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de Soennitische-islamitische geloofsovertuiging geloofwaardig zijn. De minister heeft de bedreigingen door de Sjiitische milities niet geloofwaardig geacht.
9. Eiser stelt dat de minister op meerdere punten de samenwerkingsplicht heeft geschonden door hem in het gehoor niet met de tegenstrijdige en summiere verklaringen te confronteren. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser voldoende is bevraagd tijdens de gehoren en voldoende de gelegenheid heeft gekregen om zijn verhaal te doen. De minister wijst in dit kader terecht op p. 4 van het aanmeldgehoor en p. 6 en 7 van het nader gehoor. De samenwerkingsplicht gaat niet zo ver dat eiser met elke tegenstrijdige en summiere verklaring dient te worden geconfronteerd ten tijde van het gehoor. Eiser heeft zijn zienswijze gegeven op het voornemen en heeft in de beroepsgronden kunnen reageren op de tegenstrijdigheden en summiere verklaringen die aan hem worden tegengeworpen door de minister.
9.1.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op het feit dat de vernieling van de fabriek van eiser in Irak een grote rol speelt in zijn relaas. De minister heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij meer kan verklaren over de vernieling van de fabriek. Te meer nu eiser zelf heeft verklaard dat hij contact heeft met ooggetuigen en de dreigbrief heeft ontvangen via familie en vrienden die nog in het gebied wonen. De door eiser overgelegde foto’s en dreigbrief maken het oordeel niet anders. De minister heeft deze documenten kenbaar betrokken in de beoordeling. Zo werpt de minister eiser tegen dat de verklaringen over de foto’s en de dreigbrief vaag en summier zijn. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij hier meer over verklaart omdat de bedreiging een grote rol speelt in zijn asielrelaas. De minister heeft ook de verklaringen van eiser over de telefonische dreigementen onsamenhangend en niet aannemelijk kunnen vinden. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij summier verklaart over de reden van de telefonische bedreigingen. Ook heeft de minister het niet aannemelijk kunnen vinden dat de milities niet aan zijn nieuwe telefoonnummer konden komen, omdat eiser heeft verklaard dat de milities regelmatig familie en kennissen van hem bezochten in Irak en zij wel contact met eiser onderhielden. De minister werpt eiser ook niet ten onrechte tegen dat hij innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of de milities nog actief op zoek zijn naar eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
9.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Schengeninformatiesysteem.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder nummer NL25.40492.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 4. e.v.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.4.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.5.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.5.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.6.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.7.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 6.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 6.4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 7.3.
Pagina 19 van het nader gehoor.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2003, in zaak no. 200305116/1 (JV 2003/555).
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2018 in de zaak Ahmed tegen Hongarije (zaaknummer C-369/17).
De richtlijn van strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen (2015/Ro47) van het Openbaar Ministerie.
Zie de uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
WI 2024/6, p. 7.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40491
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft eiser daarnaast gesignaleerd in het SIS voor de duur van tien jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op het verzoek tot om een voorlopige voorziening wordt afzonderlijk beslist.
2.2.
De rechtbank had de behandeling van het beroep op 16 december 2025 gepland. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank bericht op 15 december 2026 dat zij wegens ziekte niet op de zitting kon verschijnen. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep daarom aangehouden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 17 augustus 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de afwijzing in het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw. Op grond van dit artikel kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Volgens de minister vormt eiser een gevaar voor de openbare orde, omdat ten aanzien van eiser ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft verklaard dat hij in 2011 traditioneel gehuwd is met een destijds dertienjarig meisje, op 4 december 2011 wettelijk met haar is getrouwd en dat hij in de huwelijksnacht seks met haar heeft gehad. Eiser heeft volgens de minister hierdoor een ernstig, absoluut niet-politiek misdrijf begaan. Het gaat de minister niet om het huwelijk, maar om het feit dat eiser seks heeft gehad met zijn huwelijkspartner terwijl zij toen nog maar dertien was. Omdat eisers gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, heeft de minister ook besloten om eiser voor de duur van tien jaar te laten registeren in het SIS.
Zienswijze herhaald en ingelast
4. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan?
Uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de Afdeling recent uitspraak heeft gedaan over de vraag of en wanneer er sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf bij het hebben van seks met een minderjarige huwelijkspartner. In de zaak die tot die uitspraak leidde, had de vreemdeling seks gehad met een dertienjarige. Uit de uitspraak volgt dat de leeftijd van belang is voor het oordeel of sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. Vervolgens heeft de Afdeling uit een brief van de UNHCR opgemaakt dat er sprake is van een internationale consensus dat seks met een dertienjarige een ernstig niet-politiek misdrijf is. De UNHCR heeft namelijk kunnen concluderen dat de meeste staten eisen dat een kind ten minste veertien jaar of ouder is om met seksuele handelingen te kunnen instemmen en dat het daarbij niet uitmaakt of de seksuele handelingen binnen een huwelijk zijn gepleegd. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat het hebben van seks met een dertienjarige, naar zijn aard een ernstig misdrijf is. Een dertienjarige kan niet in staat worden geacht om zijn of haar seksuele integriteit te bewaken en weerstand te bieden aan een volwassene. De Afdeling overweegt ten aanzien van de strafmaat dat de minister kan verwijzen naar de maximale straf die volgens het Nederlandse strafrecht op het misdrijf is gesteld. Seks met een dertienjarige is in het Nederlandse strafrecht aangemerkt als een misdrijf waarop hoge straffen staan. De Afdeling concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf.
5.1.
De Afdeling concludeert dat sprake is van personal participation omdat niet in geschil is dat de vreemdeling seks heeft gehad met de dertienjarige en dat hij dus het misdrijf heeft gepleegd. Ten aanzien van de knowing participation overweegt de Afdeling dat de vreemdeling wist of behoorde te weten dat hij een ernstig misdrijf pleegde. Daarbij betrekt de Afdeling dat de dertienjarige gelet op de leeftijd niet in staat was om toestemming te geven, de vreemdeling op de hoogte was van haar leeftijd en uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij zich ervan bewust was dat de dertienjarige mogelijk bang kon zijn vanwege haar jonge leeftijd toen hij seks met haar had. De Afdeling concludeert hieruit dat ook sprake was van knowing participation.
5.2.
Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de Afdeling dat de aard en ernst van het misdrijf maken dat er weinig betekenis toekomt aan het tijdsverloop sinds de vreemdeling het misdrijf heeft gepleegd. De minister mag er daarbij vanuit gaan dat de dertienjarige in sterke mate afhankelijk is geworden van de vreemdeling.
Onderhavige zaak
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser seks heeft gehad met een dertienjarige. Eiser is in 2011 traditioneel getrouwd en op 4 december 2011 wettelijk getrouwd met de dertienjarige en heeft op de laatstgenoemde datum seks met haar gehad. Zoals de Afdeling heeft overwogen, heeft de minister hieruit kunnen concluderen dat sprake is van een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat sprake van een dertienjarige, dat het hebben van seks met een dertienjarige in zijn aard een ernstig misdrijf is en dat op dit misdrijf hoge straffen staan in het Nederlandse strafrecht.
6.1.
De rechtbank overweegt verder dat niet in geschil is dat eiser het misdrijf heeft gepleegd, en dat dus sprake is van personal participation. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook heeft kunnen tegenwerpen dat in het geval van eiser sprake is van knowing participation. Zo was de dertienjarige niet in staat toestemming te geven, was eiser op de hoogte van haar leeftijd en blijkt uit zijn verklaringen dat hij zich bewust was van haar jonge leeftijd. Zo verklaarde eiser: “Als het een normale situatie was, dan zou ik het niet goedkeuren en het niet doen omdat zij jong is”.
6.2.
Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt de rechtbank dat dit ook geen aanleiding vormt voor een ander oordeel. De rechtbank verwijst naar de overweging van de Afdeling zoals weergegeven onder 5.2.
6.3.
De rechtbank volgt eiser verder niet in de stelling dat de minister een onjuiste toetsingsvolgorde heeft gebruikt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de minister, nu de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan het vaststellen van vluchtelingschap, allereerst nagaan of het Vluchtelingenverdrag gelet op die bepaling op eiser van toepassing is. De minister hoefde dus niet eerst de redenen voor het aanvragen van eiser te beoordelen alvorens aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag te toetsen. Het beroep op het arrest Ahmed leidt in dit kader niet tot een ander oordeel. Uit het arrest volgt dat een beslissing waarbij een persoon van de vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten, vooraf moet worden gegaan door een volledig onderzoek van alle omstandigheden van zijn individuele geval en niet automatisch kan worden genomen. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het door de minister tegengeworpen misdrijf en eisers betrokkenheid daarbij (personal and knowing participation) volgt dat sprake is van een dergelijk volledig onderzoek van alle omstandigheden van het geval. Van strijd met het arrest Ahmed is de rechtbank dus niet gebleken. Ook de stelling van eiser dat de minister een beroep doet op een vervallen richtlijn maakt het oordeel niet anders. Zoals de minister terecht overweegt in de beschikking wordt enkel naar de richtlijn verwezen om te laten zien wat seksueel misbruik met een minderjarige doet en dat het een grote inbreuk heeft op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.
6.4.
De beroepsgronden slagen niet.
Heeft de minister een goede geloofwaardigheidsbeoordeling verricht?
7. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij de toets in het kader van WI 2024/6 geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht, dan wordt aangesloten bij het Unierecht.
7.1.
In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de minister dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. In dit geval is de geloofwaardigheid beoordeeld in het kader van het al dan niet bestaan van een reëel risico op ernstige schade. Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
7.2.
Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle voorwaarden heeft getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder WI 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser, waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser over de bedreiging door de sjiitische militie niet geloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank legt dit hierna uit.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer?
8. Niet in geschil is dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de Soennitische-islamitische geloofsovertuiging geloofwaardig zijn. De minister heeft de bedreigingen door de Sjiitische milities niet geloofwaardig geacht.
9. Eiser stelt dat de minister op meerdere punten de samenwerkingsplicht heeft geschonden door hem in het gehoor niet met de tegenstrijdige en summiere verklaringen te confronteren. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser voldoende is bevraagd tijdens de gehoren en voldoende de gelegenheid heeft gekregen om zijn verhaal te doen. De minister wijst in dit kader terecht op p. 4 van het aanmeldgehoor en p. 6 en 7 van het nader gehoor. De samenwerkingsplicht gaat niet zo ver dat eiser met elke tegenstrijdige en summiere verklaring dient te worden geconfronteerd ten tijde van het gehoor. Eiser heeft zijn zienswijze gegeven op het voornemen en heeft in de beroepsgronden kunnen reageren op de tegenstrijdigheden en summiere verklaringen die aan hem worden tegengeworpen door de minister.
9.1.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op het feit dat de vernieling van de fabriek van eiser in Irak een grote rol speelt in zijn relaas. De minister heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij meer kan verklaren over de vernieling van de fabriek. Te meer nu eiser zelf heeft verklaard dat hij contact heeft met ooggetuigen en de dreigbrief heeft ontvangen via familie en vrienden die nog in het gebied wonen. De door eiser overgelegde foto’s en dreigbrief maken het oordeel niet anders. De minister heeft deze documenten kenbaar betrokken in de beoordeling. Zo werpt de minister eiser tegen dat de verklaringen over de foto’s en de dreigbrief vaag en summier zijn. De minister heeft van eiser mogen verwachten dat hij hier meer over verklaart omdat de bedreiging een grote rol speelt in zijn asielrelaas. De minister heeft ook de verklaringen van eiser over de telefonische dreigementen onsamenhangend en niet aannemelijk kunnen vinden. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij summier verklaart over de reden van de telefonische bedreigingen. Ook heeft de minister het niet aannemelijk kunnen vinden dat de milities niet aan zijn nieuwe telefoonnummer konden komen, omdat eiser heeft verklaard dat de milities regelmatig familie en kennissen van hem bezochten in Irak en zij wel contact met eiser onderhielden. De minister werpt eiser ook niet ten onrechte tegen dat hij innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over de vraag of de milities nog actief op zoek zijn naar eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
9.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser bij terugkeer naar Irak geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Schengeninformatiesysteem.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder nummer NL25.40492.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 4. e.v.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.4.6.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.5.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.5.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.6.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 5.7.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 6.1.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 6.4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643, r.o. 7.3.
Pagina 19 van het nader gehoor.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2003, in zaak no. 200305116/1 (JV 2003/555).
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2018 in de zaak Ahmed tegen Hongarije (zaaknummer C-369/17).
De richtlijn van strafvordering seksueel misbruik van minderjarigen (2015/Ro47) van het Openbaar Ministerie.
Zie de uitspraken van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14846 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14853.
WI 2024/6, p. 7.