Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:23229

2026-08-19 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.45275
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.45275
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

bewaring, art. 59, eerste lid aanhef en onder a Vw, ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (11.940 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.45275


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),



en


de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.





Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.



2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank



Toetsingskader


3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.



De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring


4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens
heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.


4.1.
De minister heeft op de zitting de gronden d, j en t laten vallen.



Voortraject


5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. Wel heeft eiser opgemerkt dat hij (op een andere grondslag) al in vreemdelingenbewaring in Rotterdam verbleef, maar toch voor het gehoor dat vooraf ging aan deze maatregel, naar Coevorden is gebracht. Volgens eiser heeft deze reis veel impact op hem gehad en was deze niet nodig omdat hij al in Rotterdam verbleef. De minister heeft op de zitting toegelicht dat dit te maken heeft met een gebrek aan capaciteit. De rechtbank begrijpt dat deze gang van zaken voor eiser misschien belastend is geweest. Dit leidt, zoals eiser zelf al aangaf, niet tot een gebrek in het voortraject. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.



Grondslag


6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op
1 augustus 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd en een inreisverbod van 2 jaar. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd



Gronden


7. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist. Ter zitting heeft de minister de gronden d, j en t laten vallen. Deze gronden hoeven daarom niet meer besproken te worden.



7.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onvoldoende te achten. De rechtbank verwijst voor de bespreking van de gronden a, p, r en s naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 juli 2026, rechtsoverweging 7.1, over het beroep van eiser tegen de eerder aan hem opgelegde maatregel. Dat eiser hoger beroep tegen deze uitspraak heeft ingesteld, maakt dit niet anders. Ook grond b is terecht aan eiser tegengeworpen: eiser heeft op 1 augustus 2026 een beschikking ontvangen waarin staat dat hij Nederland meteen moet verlaten en een inreisverbod van 2 jaar is opgelegd. Voor zover eiser aanvoert dat er een beroeps- en voorlopige voorzieningsprocedure loopt tegen de afwijzing van deze asielaanvraag, en dat hij de uitkomst daarvan in Nederland wil afwachten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft niets gedaan om zijn vertrek voor te bereiden. Daarnaast heeft eiser zowel tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel als tijdens het vertrekgesprek van 11 augustus 2026 aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar Turkije. Daarmee is ook grond h terecht aan eiser tegengeworpen.



Lichter middel


8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. De rechtbank vindt niet het feit dat eiser nog wacht op de beslissing in zijn asielberoepsprocedure geen reden om een minder ingrijpende maatregel op te leggen. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.



Voortvarend handelen


9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft ter zitting aangegeven dat op 10 augustus 2026 eisers Turkse identiteitsbewijs is opgevraagd door de DTenV bij de IND. Daarnaast heeft er op 11 augustus 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en geeft de minister aan dat er op 11 augustus 2026 ook een vlucht voor eiser is aangevraagd.



Zicht op uitzetting


10. De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Turkije in algemene zin niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Turkse autoriteiten geen laissez-passers verstrekken en ook niet dat zij op andere wijze geen medewerking verlenen aan gedwongen terugkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd of gebleken die erop wijzen dat de Turkse autoriteiten in het bijzonder voor eiser geen laissez-passer zullen verstrekken.





Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.



Hierna: bewaring.


Vreemdelingenwet 2000.


Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.


Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.


Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.


Vreemdelingenbesluit 2000.


Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.


ECLI:NL:RBDHA:2026:21172 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) (vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw).


Dienst Terugkeer en Vertrek.


Immigratie- en Naturalisatiedienst.


Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).